De reddende heerscharen

Engelen zijn decennia lang door de kerk doodgezwegen. Gedrukt aan de boezem van de New Age-beweging beleven ze nu een glorieuze come-back. Zijn zij de wezens die ons zullen verlossen van ons materialisme, positivisme en cynisme? ‘Ik weet zeker dat engelen bestaan hoor, anders was ik allang al omgekomen in het verkeer.’
WIE ER OOG voor heeft, ziet overal engelen. Vanaf kandelaars, multomappen, tafelkleedjes, flyers voor house-feesten, bidprentjes en beschuitbussen grijnzen bolwangige cherubijntjes ons onschuldig toe.

Nadat ze vanaf de jaren vijftig door de kerken werden gedemystificeerd en doodgezwegen, is het geloof in cherubijnen, serafijnen en aartsengelen weer big business. Het is het gevolg van een sinds enkele jaren in de Verenigde Staten woedende New Age-rage, waar het engelengeloof zich na astrologie, chakra-healing en channeling heeft gevestigd als de dominante stroming in het esoterische landschap. Tientallen boeken beloven de lezer het ultieme levensgeluk als ze hun hersenen afstemmen op de engelenwereld. Zeker tien miljoen van deze handleidingen zijn er al verkocht. En als de tekenen niet bedriegen, valt ook Nederland weldra ten prooi aan de anglomanie.
De thuisbasis van deze engelen is uiteraard de bijbel. Ze worden vele honderden malen genoemd, en zeker niet altijd in positieve zin. Zo vertellen de profeten Jesaja en Ezechiël het verhaal van de gevallen engel Lucifer. Eens Gods lieveling, kwam hij dronken van zijn eigen schoonheid tegen Hem in opstand. Lucifer wist een leger van engelen voor zich te winnen, dat echter door God werd verslagen en samen met Lucifer werd verbannen naar ‘de diepste groeve’. Andere teksten identificeren deze groeve met de aarde en de gevallen engelen met de mensen. In deze visie is de mensheid het strijdtoneel tussen twee gelijkwaardige legers van licht (het geestelijke) en donker (het materiële), waaruit slechts verlossing mogelijk is als de mens deze innerlijke tweestrijd volledig doorziet en uit vrije wil kiest voor het licht waar hij eens uit voortkwam.
Maar dat is allemaal ketterij. Deze teksten over de tweestrijd tussen God en de duivel vormen de basis van de mystieke gnostische leer en zijn vrijwel geheel uit de bijbel geschrapt toen de populariteit van de gnosis een bedreiging begon te vormen voor het reguliere christendom.
Op veel andere plaatsen in de bijbel dienen engelen als 'Gods handen’: de helpers van de mens tijdens kritieke punten in zijn leven. Zo redden engelen Daniël uit de leeuwenkuil en Petrus uit Herodes’ gevangenis, om slechts twee gevallen te noemen. Verder is er natuurlijk de rooms-katholieke traditie van de persoonlijke beschermengel, die zich baseert op Psalm 91 ('Want Hij zal zijn engelen gebieden/ dat zij u behoeden op al uw wegen/ op de handen zullen zij u dragen/ opdat gij uw voet niet stoot aan een steen’). Daarnaast is de bijbel bezaaid met engelen die allerlei boodschappen van God doorgeven. De profetie van Jesaja, de verwekking, geboorte, opstanding en hemelvaart van Jezus, de zeven apocalyptische gesels in Openbaringen, het is allemaal het werk van engelen.
Engelen hebben niet altijd het beste met ons voor, zoals blijkt uit Genesis 3: 'En Hij verdreef de mens en stelde ten oosten van de hof van Eden cherubijnen met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken.’ Geheimzinniger nog zijn de 'zonen Gods’ uit Genesis 6: 'De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen en zij hun kinderen baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, de mannen van naam.’
BIJNA TWEEDUIZEND jaar lang speelden engelen een grote rol in de christelijke folklore. Ze verschenen aan de lopende band aan een bont gezelschap van verstorven kluizenaars, ijlende stigmatadraagsters en onnozele boerenkindertjes. Af en toe bepaalden ze zelfs actief de loop van de geschiedenis, zoals in 1429 gebeurde toen de aartsengel Michaël Jeanne d'Arc opdroeg Frankrijk te bevrijden.
Dit beeld begon vanaf de achttiende eeuw langzaam te veranderen. Enerzijds begon het Verlichtingsdenken de bijbel voor een groot publiek symbolisch uit te leggen, terwijl anderzijds de eerste psychiaters het fenomeen engelen begonnen te verklaren met nieuwe concepten als hallucinatie, dementia praecox en massapsychose. De Verlichtingsdenker Voltaire, die zijn felle aanvallen op de kerk combineerde met een diep christelijk geloof, schreef echter rond 1750 in zijn Filosofisch woordenboek: 'Men weet niet precies waar de engelen leven, of zij zich in de lucht, in het luchtledige of op de planeten ophouden; God heeft niet gewild dat wij dit wisten.’ Terwijl veel van zijn positivistische tijdgenoten het engelengeloof afdeden als de uitwas van een tot infantiliteit vervallen godsdienst, wenste Voltaire dit mysterie een mysterie te laten.
Maar de laatste vier decennia behaalde het rationalisme toch haar ultieme zege door in het hart van de kerken binnen te dringen. Ook de moderne theologie verklaarde de engelen tot schizofrene waanvoorstellingen, primitief-animistische symboliek voor de band met God, of in het beste geval als jungiaanse archetypen, in het collectieve bewustzijn opgenomen oerbeelden uit vervlogen tijden. De eens zo bloeiende engelenfolklore leek voorgoed in het museum te zijn bijgezet.
Toch bleef er een stil verlangen sluimeren, zoals bijvoorbeeld in Nederland bleek toen huisarts Hans Moolenburgh in een opwelling zijn patiënten begon te vragen of ze wel eens een engel hadden gezien. Tot zijn verbazing beantwoordden maar liefst 32 van de 400 respondenten de vraag bevestigend, waarna hij zijn bevindingen vastlegde in zijn in 1983 verschenen, veelgelezen en in vrijwel alle talen vertaalde boek Engelen.
Het werk opent met een reeks voor de hand liggende verhalen over onzichtbare handen die kinderen voor auto’s wegrukken, koortsdromen vol hemelse engelenkoren en mysterieuze jongemannen met blonde krullen en een wijze boodschap. Hierna gaat Moolenburgh in op wat de oude geschriften zeggen over engelen. Nadat hij eerst de gnostici herontdekt, stuit hij op de oude joodse gedachte dat de geheimzinnige 'raderen’ die in Ezechiël 10 samen met een aantal cherubijnen opduiken ('zie, er bevonden zich vier raderen naast de cherubijnen (…) zij hadden alle vier eenzelfde vorm, alsof er een rad was binnen een rad (…) en de raderen waren rondom vol ogen’) een aparte categorie engelen vormen. Ufo’s! concludeert hij onmiddellijk. Vervolgens oppert hij in navolging van Erich von Däniken het idee dat God in werkelijkheid een astronaut was, 'een vertegenwoordiger van een hoog sterrenras, dat de aapachtige bewoner van deze planeet uit zijn lage staat verhief door aan zijn erfelijkheidssysteem te sleutelen. En dat die af en toe nog eens een kijkje komen nemen om te zien hoe het er met zijn broedkolonie voor staat.’
De engelen fungeren volgens Moolenburgh als de hulpjes van deze goddelijke Ruimtevaarder, die af en toe van Zijn bestaan blijk geeft door kinderen voor voortrazende auto’s vandaan te rukken, kunstenaars creatieve ingevingen in te blazen en de juiste mensen op ons pad te brengen. Toeval? Nee. 'Datgene wat wij “toeval” believen te noemen, wordt veel begrijpelijker wanneer we aanemen dat we in werkelijkheid te maken hebben met een voortdurende bewaking door intelligente wezens.’ Deze bewaking heeft alleen niet kunnen voorkomen dat de mensheid zich de laatste eeuw steeds verder van God heeft afgewend en zo materialistisch en agressief is geworden dat ze zichzelf in een atoomoorlog dreigt te vernietigen. Moolenburgh geeft echter de moed niet op. 'Laten we voorbereidingen treffen voor het feestelijk onthalen van de raderen. Laten we trachten hulp te krijgen van die engelen die boven de atomen staan.’ De engelenstroming van de New Age is geboren.
Toen ook de paus eind jaren tachtig begon te pleiten voor een hernieuwde aandacht voor engelen, 'omdat men er met onwetendheid over spreekt’, wekte dat toch enige verbazing. Er bestond in Nederland weinig animo voor en de pauselijke oproep werd uitgelegd als een geste aan de katholieken in Latijns Amerika, die hun engelen altijd in ere hadden gehouden.
Martinus Parmentier, hoogleraar Kerk- en Dogmageschiedenis aan de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht, moet nog steeds weinig hebben van engelen. 'Daar kan de wetenschap niets mee. Als mensen menen dat ze engelen zien, dan noem ik dat een intersubjectief standpunt dat niet is te bewijzen. Er is namelijk geen apparaat dat engelen kan meten. Wel kun je onderzoeken in hoeverre de toename van die verschijningen berust op de projectie van allerlei intrapsychische angsten die te maken hebben met de angst voor de apocalyps. Bij mij leeft dat idee niet zo sterk, nee. Maar belt u eens met een pastorie, daar bestaat wellicht wat meer devotie tot engelen.’
Alexander Koot, hoofd van de Amsterdamse pastorie 'De Goede Herder’, meent dat de kerk in het verleden veel te veel over engelen heeft gesproken. 'De mensen die ik nog heb, beschouwen dat allemaal als een hoop flauwekul, paus of geen paus. Maar belt u eens met de paters van het Heilig Sacrament, daar leeft vast nog wel enige engelendevotie.’
Heilig Sacramentspater Aad van Ruiten is de vorige dag inderdaad nog gered door een engel. 'Ik lag bijna onder een auto, maar toen gebeurde het toch net niet. Dat is een soort bescherming die je ervaart. Wat engelen precies zijn, daar hoef ik gelukkig niet zelf over na te denken. Dat staat allemaal in de kathechismus en daar houden wij ons aan vast, als verweer tegen het diffuse geluid van de esoterie. Wij sluiten de rijen.’
SLECHT NIEUWS voor de katholieke kerk is dat de uiterst populaire New Age-goeroe James Redfield zich in zijn onlangs verschenen Het tiende inzicht, de langverwachte opvolger van de megaseller De Celestijnse belofte, ook tot de engelen heeft bekeerd. Net als in zijn vorige boek geeft Redfield in Het tiende inzicht een vlot weg te lezen samenvatting van het neo-gnostische New Age-gedachtengoed.
Volgens Redfield is het ieders taak om zich te 'herinneren’ dat mensen niet van elkaar en God gescheiden zijn door de materie, maar één zijn in een geestelijke, uit pure liefde bestaande 'hogere dimensie’. De polariteit tussen geest en materie is echter nodig zodat ieder mens uit vrije wil kan kiezen tussen het lagere en het hogere. Dit leerproces is lang en hard en duurt vele levens, maar gelukkig wordt iedereen begeleid door een 'zielengroep’ die niets liever wil dan ons helpen, als we ons 'trillingsniveau’ maar openstellen voor hun boodschappen.
Helaas staat de mens in toenemende mate bloot aan de demonische krachten die door het rationalisme en materialisme van het Verlichtingsdenken in de wereld zijn gebracht. We leven in een eindtijd, die alleen kan worden afgewend als de mensheid zich begint te organiseren in kleine groepjes die zich richten op de spirituele verbinding met elkaar, elkanders zielengroepen en het hogere liefdesprincipe. Wanneer dit niet gebeurt, overwint het kwaad en sleept de gehele wereld mee in een orgie van vernietigingsdrang.
Gelukkig introduceert Redfield aan het eind van zijn boek nog een categorie helpers in het Goddelijke Plan, de engelen. Deze mysterieuze lichtflitsen beschermen zijn wakkere helden tegen de explosies en kogelregens van het kwaad en zijn blijkens de laatste pagina het onderwerp van het volgende boek. 'Ik geloof dat we hierna moeten gaan begrijpen wat engelen zijn.’
Terwijl u dit leest zitten minstens honderdduizend Amerikanen zich vol enthousiasme te concentreren op hun zielengroepen, die er uitzien als vage, lichtgevende gestalten. Onbevreesd stappen ze in hun auto’s, aangezien een engel hen zal redden als hun spirituele queeste voortijdig dreigt te worden afgebroken. Deze ontwikkeling is inmiddels ook begonnen in Nederland, waar Het tiende inzicht vorige week uit het niets op de eerste plaats verscheen van de door Vrij Nederland gepubliceerde non-fictie top-tien.
De opleving van de belangstelling voor engelen wordt door Amerikaanse psychologen uitgelegd als een reactie op een te ver doorgeschoten rationalisme. Deze afkeer van het wetenschappelijke denken wordt bovendien gevoed door de subjectieve ervaring van de toegenomen nood der tijden. Overigens dient deze engelenhausse niet te worden onderschat: in 1995 stelde het weekblad Time vast dat het geloof in engelen onder de Amerikaanse bevolking de voorgaande jaren gestegen is van 50 naar 70 procent, waarvan 32 procent een persoonlijke engelenervaring claimt. Hoogstwaarschijnlijk is dit cijfer de afgelopen maanden nog verder toegenomen door het boek van James Redfield.
OP DE LEZING 'Engelen, Uw Gidsen, Beschermers en Vrienden’, die in een zaaltje in Leiden wordt gegeven door de 'moderne mysterieschool’ The Summit Lighthouse, zijn ongeveer zestig mensen afgekomen. Zoals gebruikelijk bij dit soort evenementen bestaat het publiek overwegend uit goed verzorgde vrouwen van middelbare leeftijd. Sommigen hebben hun kinderen meegenomen, een enkeling hun man. Geduldig luisteren ze naar Ina van Rijnberk, een jong meisje met een onverwoestbare glimlach dat een uur lang volstrekte wartaal uitslaat. 'Luister naar uw beschermengel, hij is uw christusbewustzijn! Weet, dat uw levensdoel is om een opgevaren meester te worden! Wij kunnen ons bevrijden van alle illusies en onsterfelijk worden, acceleren in het licht!’
Achter de organisatie blijkt ene Elizabeth Clare Prophet schuil te gaan, een Amerikaans medium dat sinds 1973 de cryptische boodschappen van engelen in trance doorgeeft. In Amerika heeft ze hiermee enige duizenden volgelingen achter zich weten te krijgen. Sinds een paar jaar heeft ze ook enige tientallen discipelen in Nederland, met hun bolwerk in Soest.
Hoopvol kijkt Ina van Rijnberk naar haar publiek terwijl ze een videoband van mevrouw Prophet in de video stopt. Op het scherm verschijnt een dame met ijzige ogen, een zelfverzekerde uitstraling en een bisschopsstaf in haar hand. Met een door echo versterkte, metalen klank in haar stem begint ze ritmisch woorden uit te spuwen, terwijl ze af en toe met haar staf op de vloer stampt: 'Ik Raphaël kom de sluier van u wegrukken indien u wilt zien. Sommigen verlangen niet te zien, en geven de voorkeur aan de lagen van illusie waardoor de wereld een Disneyland-fantasie blijft, en zij de werkelijkheid ontvluchten…’ Terwijl de mensen van The Summit Lighthouse gebiologeerd luisteren, wenden in het publiek hier en daar wat hoofden zich gegeneerd af.
Na afloop van de avond blijven er een paar dames hangen voor een praatje. Wilma Kuipers reageert fel op de suggestie dat het bij de mensen van deze organisatie in de bol is geslagen. 'Jij moet niet zomaar alles veroordelen! Toon een beetje respect. Aan al dat polaire gedoe, daar gaat de wereld aan ten onder. Trouwens, als al deze mensen hier niet waren, zaten ze waarschijnlijk ergens eenzaam te wezen.’
Ook Trudy Hofstede-Goedkoop gaat graag naar dit soort avonden: 'Dat vind ik gezellig. Het zijn altijd van die blije mensen, of ze nu geloven in Sai Baba, James Redfield of hierin. Deze mensen houden zich bezig met wel erg obscure dingen, dat is niet echt representatief voor de New Age. Aan de andere kant, overal zit wel iets in. En ik weet zeker dat engelen bestaan hoor, anders was ik allang omgekomen in het verkeer.’
Met de mensen van The Summit Lighthouse zelf valt geen normaal woord te wisselen. Ina van Rijnberk: 'Je kan de engel Zadkiël vragen of hij jou je waanideeën, zoals je neiging tot kritiek, wil afleren. Luister, de aarde gaat ten onder en de engelen schreeuwen om hulp! Ook jij kunt een schakel zijn zodat we een lichtplaneet kunnen maken. Je kunt onze vriend worden, kom naar onze zondagsdienst in Soest!’
EEN ALTERNATIEF GELUID is te horen bij Reinier van Kooten, de predikant van Soest. 'Ik was net een preek aan het schrijven tegen al dat kabbalistische gedoe! Die sekte hier, dat brengt alleen maar onheil. Wie naar engelen graaft, vindt vaak de duivel. Kijk, ik geloof ook in engelen, want de bijbel zegt dat ze bestaan. Maar bovenal geloof ik dat Jezus Christus onze Verlosser is. Dat vergeten de mensen wel eens. Ik zag laatst een uitzending van de EO, daar worden engelen ook al belangrijker gevonden dan Christus. Als je naar mysteries zoekt, verdiep je dan in het lijden van Jezus Christus. Dat is meer dan genoeg mysterie voor een mensenleven.’
De hervormde predikant Hans Stolp te Heerenveen kan engelen echter niet uit zijn hoofd zetten. In de jaren zeventig maakte hij als ziekenhuispastor tientallen keren mee hoe doodverklaarde mensen weer ontwaakten en enthousiast vertelden over de engelen die zij aan gene zijde hadden gezien. 'Het gekke was dat ze altijd hetzelfde vertelden: ze gingen door een tunnel en daar ontmoetten ze een lichtwezen waar een onvoorstelbaar gevoel van warmte en vrede van uitging.’ Vooral de bijna-doodervaringen van kinderen maakten op Stolp een diepe indruk: 'Het intense geluk dat van die vaak doodzieke kindjes afstraalde, dat vergeet je nooit. Toen wist ik dat er wel engelen móesten zijn.’
Tijdens zijn jaren als radiopastor bij de Ikon verdiepte hij zich in de engelenleer, belandde uiteraard bij de gnostici, en schreef er in 1991 een boek over: Nu de engelen zijn terugkeerd. Het boek werd in kerkelijke kringen vrij koeltjes ontvangen. Stolp: 'Het is een uiterst arrogant standpunt om te zeggen dat er niets is dat niet bewijsbaar is. Zelfs veel mensen in de kerk zijn door deze houding wandelende hoofden geworden, zonder een greintje spiritualiteit. Het gevolg is dat mensen zich verloren en diep ongelukkig voelen in deze moderne tijd.’
Stolp kan het weten, want deze mensen komen naar hem en niet naar de kerk. 'Ik vertel ze dat de evolutiesprong nabij is. We zitten nu op een dieptepunt, maar een aanzwellen is voelbaar vanuit de goddelijke wereld. Zelfs de ellende in Liberia is een symptoom van dit proces, dat voor mij juist bevestigt dat de grote transformatie nabij is. Samen met de engelen zullen we een nieuwe wereld maken, waarin alle polariteiten zullen worden opgeheven. Ja, we leven in spannende tijden.’
Ook waarschuwt Stolp, die in reïncarnatie gelooft, aura’s ziet en regelmatig in contact staat met engelen, voor de New Age-beweging. 'Veel van wat deze mensen doen is erg schadelijk, aangezien er een totaal gebrek aan deskundigheid heerst. Vaak vertellen ze gewoon wat de mensen willen horen. Daarbij worden veel mensen die een autoritaire religie de rug hebben toegekeerd, vaak onbewust weer aangetrokken tot een ander autoritair geloof. Wie de gave heeft om engelen te zien, moet heel erg oppassen met het zich groter voordoen dan een ander.’
Overigens ziet Stolp, die tegenwoordig zijn brood verdient met het geven van therapeutische consults, ook overal zielen. 'Ook bij jou. Links achter je staat een oud, in het zwart gekleed dametje. Wie dat is? Daar kom je vanzelf wel achter.’
Het verlangen van de in een crisis geraakte mens naar de bovennatuurlijke verlossing door een engel is ook een bekend thema in de literatuur. Een van de mooiste uitwerkingen ervan is te lezen in het dagboek van Franz Kafka, die op 25 juni 1914 bezocht werd door een engel: 'Sinds vanochtend vroeg heb ik tot aan de schemering op en neer gelopen in mijn kamer. Mijn blik was over alle wanden gegaan, ik had het tafeltje in het midden al vele malen met de spanne van mijn hand gemeten. Tegen de avond liep ik naar het raam en ging ik zitten, op de lage vensterbank. Toen keek ik toevallig voor het eerst vanuit die rustige plek naar het interieur van de kamer en naar het plafond. Eindelijk, als ik mij niet vergis, kwam er beweging in de zo vaak door mij verwenste kamer. Een blauwachtig paars begon zich te vermengen met het wit van het plafond; het verspreidde zelfs een stralende witte glans boven de kale lamp die aan het plafond bevestigd was. En reeds was er een arm te zien die zich uitstrekte. Dit visioen was ongetwijfeld voor mij bestemd. Een openbaring voltrok zich die mij moest verlossen. Vanaf een grote hoogte daalde in het halfduister langzaam een engel neer. De hele dag is hij naar mij onderweg geweest en ik, ongelovige die ik ben, wist het niet. Ik sloeg de blik neer, maar toen ik de ogen oprichtte was de engel er nog steeds, op een kleine afstand balancerend onder het plafond, dat zich weer gesloten had. Het was echter geen levende engel meer, maar een boegbeeld van geverfd hout, zoals men ze ziet hangen aan de plafonds in zeemanskroegen. Niets meer dan dat. De greep van het zwaard diende als kandelaar en moest het gesmolten kaarsvet opvangen. De lamp was er afgerukt. En aangezien er nog een kaars was, klom ik op een stoel, deed de kaars in het gevest van het zwaard, stak het aan en bleef daarna tot diep in de nacht zitten onder het lichte schijnsel van de engel.’
Wat gebeurde er die nacht? Was het een engel, of opende iets zich voor een moment voor deze in peilloze eenzaamheid gedrenkte man, om zich weer te sluiten en toch iets tastbaars achter te laten: een boegbeeld, waarvan hij het licht zelf moest aansteken?
Als de engelfiguur wordt opgevat als een symbool voor het verlangen naar bescherming in een als beangstigend en kil beleefde wereld, doet de recente engelenhausse vermoeden dat die kilheid en angst niet beperkt is gebleven tot het Praag van Franz Kafka. Wie tegenwoordig iets wil begrijpen van het verlangen naar engelen, zal de enorme aantrekkingskracht van de New Age moeten duiden. Het probleem hierbij is dat vrijwel niemand deze snelst groeiende geloofsstroming in het Westen serieus wenst te nemen. Zoals in de gnostische overtuiging het aardse en het geestelijke principe eeuwig met elkaar touwtrekken, bestaat ook het debat over de waarde van New Age uit twee gepolariseerde visies, die volkomen verstrikt zijn in het zwart maken van elkaar.
Deze tweestrijd wordt niet in de laatste plaats in stand gehouden door de journalistiek, verzot als die is op het ridiculiseren van alles wat maar zweemt naar spiritualiteit. Nadat de aartsengel Rafaël in 1988 verscheen in de woonkamer van de familie Holtschlag te Haaksbergen, wat aanvankelijk leidde tot busladingen vol rumoerig biddende bezoekers, leefde de pers zich uit in uitbundige spotternijen. 'Ze schreven dat ik in een crème-kleurige pij met een zwart kruis erop door het huis liep’, vertelde een huilende mevrouw Holtschlag later in Trouw. 'Terwijl ik toch echt een witte blouse aanhad toen die journalist op de stoep stond.’
Met de journalistieke afschuw van New Age is overigens iets vreemds aan de hand. Uit veel artikelen spreekt vooral een grote irritatie over de gebrekkige wetenschappelijke wijze waarmee het esoterische gedachtengoed de wereld begrijpelijk tracht te maken. Het artikel 'De kosmische knuffelcultuur van New Age’, recentelijk verschenen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad, is een toonbeeld van deze journalistieke houding. In deze met nauwelijks verholen minachting geschreven beschouwing betitelt NRC-redacteur Sjoerd de Jong de New Age-beweging als 'pervers’, aangezien haar wetenschappelijkheid is 'ontdaan van de regels van verificatie en falsificatie’. Verwonderd vraagt De Jong zich af wat mensen in hemelsnaam toch zien in deze 'kosmische knutsel- en knuffelcultuur’, waarin 'alles de zucht prikkelt om zich in mysteries te wentelen, eerder dan het intellectuele vernuft om er oplossingen voor te vinden.’ Sterker nog: New Age is 'een eigentijdse geruststellingsindustrie, bedoeld voor mensen die de wetenschap niet begrijpen’. De Jong vergeet echter dat het rationalisme van degenen die 'de wetenschap’ kennelijk wel begrijpen, net zo goed een geloof is. Want waar is het bewijs dat 'de wetenschap’ wel alle mysteries kan verklaren en alle problemen kan oplossen? De ervaring leert dat dit wetenschapsgeloof schromelijk tekortschiet op onze nog steeds door volstrekt raadselachtige wetten geregeerde, in een oneindig heelal rondjes draaiende planeet.
Deze in het oog springende inconsequentie doet vermoeden dat veel New Age-critici zich niet zozeer ergeren aan het onwetenschappelijk denken van de esoterica-adepten, maar aan wat zij ervaren als de aanmatigende domheid van deze mensen. Wat overigens heel begrijpelijk is. New Age stelt haar leer immers boven die van de wetenschap en veel van haar leiders kijken als een soort spirituele Übermenschen minzaam neer op degenen die niet 'ontwaakt’ zijn uit hun doodse materialisme, positivisme en cynisme. Het is juist deze laatdunkendheid die zo onverteerbaar is voor de wetenschapsgelovige, die zijn eigen ideaalbeeld van de superieur denkende, alle mysterie verwerpende, verstandelijke Übermensch bespot ziet door een arrogante spiritualist. Ongetwijfeld versterken deze visies elkaar en zo blijven de twee would-be supermensen eeuwig bakkeleien.
Curieus genoeg verlangen beiden naar hetzelfde: om de onwetendheid te overwinnen, om voorgoed boven al het lage en banale uit te stijgen, om een engel te zijn. De Duitse dichter Rainer Maria Rilke begreep dit toen hij de engelenfiguren in zijn Elegieën van Duino (1923) direct modelleerde naar de nietzscheaanse Übermensch. 'Wie zijn jullie?’ vraagt Rilke als hij zich rotschrikt van een stel engelen. Om dan zelf het antwoord te geven: 'Volmaakte eerstelingen, gij oogappels der schepping/ bergketens, morgenzonbeschenen toppen des Hemels/ stuifmeel der godheid in bloei, portalen des lichts, gangen, trappen, tronen/ zalen van zijn, gelukzalige schilden, tumulten van onstuimige verrukking en dan opeens, elk voor u/ spiegels die hun afstralende schoonheid weer terugwerpen naar zichzelf, in het eigen gelaat.’