DE BIËNNALE VAN LIVERPOOL

De regeneratie van een stad

Liverpool is een stad die er nooit helemaal bij heeft gehoord, beschadigd en gedemoraliseerd als ze is, en overschaduwd door Londen. Maar dit jaar is Liverpool Culturele Hoofdstad van Europa. Eindfase van een soort wedergeboorte.

LIVERPOOL DRAAGT DE SPOREN van een levendig verleden. In de negentiende eeuw werd het de tweede stad van het Empire; de grote paleizen van de transatlantische scheepvaartmaatschappijen aan het havenfront getuigen daar nog van. Toen begon de neergang van de scheepvaart, vervolgens kwam de Luftwaffe, en daarna volgden enkele decennia van demoraliserend verval, met als tekenend dieptepunt de moord op de peuter Jamie Bulger, in 1993. De wederopstanding van de Britse samenleving in en na de Thatcher-jaren ging aan Liverpool goeddeels voorbij, niet in de laatste plaats omdat de stad zichzelf opzadelde met een militant loony left bestuur.
Hedendaags Liverpool is een winderige stad, met in het stadshart verbazend veel braakliggende plekken en leegstaande gebouwen – theaters, bioscopen, pakhuizen, dokken, enzovoort. Daartussen bestaat wel een levendige muziek- en uitgaanscultuur, maar die is even rauw en hard als de stad zelf: op zondagavond staan buiten de cafés onbegrijpelijk slecht geklede vrouwen in de kou te roken, en krijsend te lachen; later slieren zij op hun hakjes, kotsend, door de winkelstraten. Je zou net zo goed in Bradford of Birmingham kunnen zijn.
De manifestatie Culturele Hoofdstad 2008 en de belangrijkste presentatie daarbinnen, de Biënnale, gaan dan ook vooral over ‘plaats’, over de fysieke omgeving, de stad zelf. Waar het ‘echte’ Liverpool is weten immers ook de Liverpudlians niet zo goed meer. De filmregisseur Terence Davies (Distant Voices, Still Lives, 1988) voltooide onlangs een documentaire over zijn stad, Of Time and the City, over de ‘smiles, slums, tower-blocks, bunting, songs, docks and hard, hard graft’, maar Davies stelde die film samen uit oude foto’s en oude beelden. Liverpool van vandaag kent hij niet meer. ‘Zijn’ Liverpool, zegt hij, is een ‘imagined country’ geworden.

De curatoren van de Biënnale hebben er veel werk van gemaakt kunstwerken onder te brengen op de lelijke plekken, in vergeten, veronachtzaamde gebouwen. In de oude ABC Cinema, een mooie art deco-bioscoop tegenover Lime Street Station, is La dernière séance van Annette Messager te zien, een spookhuisvoorstelling in een zaal waar tien jaar geleden de deuren domweg waren dichtgedaan – de colablikjes en de popcorndozen lagen er nog toen Messager binnenkwam. Het meest populaire stuk is Turning the Place Over van Richard Wilson. Hij sneed een groot ovaal uit de gevel van een leeg bedrijfspand, bevestigde dat op een gigantische mechanische arm, en plaatste het geheel daarna terug, waardoor een deel van de gevel nu schijnbaar losjes om een as draait, zich wendt, keert, naar binnen valt – een ontwapenend gezicht. Gabriel Lesters film The Last Smoking Flight wordt dagelijks vertoond op het grote videoscherm van The Vines, een mooie grote Victoriaanse kroeg vol spiegels en luchters. Dat is te zeggen: de landlord zegde zijn samenwerking met de Biënnale toe omdat Lesters film over het rookverbod gaat, een heikel onderwerp in Engeland, maar natuurlijk moet er in The Vines op dat scherm ook voetbal worden gekeken, en voetbal, dat is in Liverpool het heiligste van alles, en dus wijkt Lester geregeld voor Dirk Kuyt.
In de binnenstad wordt voortvarend geïnvesteerd en gebouwd, maar het ontbreekt Liverpool al decennia aan coherent bestuur, laat staan dat er zoiets bestaat als een ‘stadsbouwmeester’ die zich met de samenhang in de ontwikkeling bemoeit. Dat leidde, en leidt, tot omstreden ingrepen. De binnenstad, ‘Liverpool One’, is één groot blinkend winkelcentrum aan het worden, alles grootschalige nieuwbouw, een Potsdamer Platz. Aan de haven verrees een enorm congrescentrum van Wilkinson Eyre, maar daarvoor werd weer een serie goeie negentiende-eeuwse pakhuizen gesloopt – terwijl het in 1985 gerestaureerde Albert Dock, direct ernaast, zich juist tot een echte trekker heeft ontwikkeld. Verderop wordt gewerkt aan het Museum of Liverpool, een fris gebouw van 3XNielsen – bekend van het Muziekgebouw aan het IJ. Hun ontwerp vervangt een ander project van Will Alsop, ‘de smeltende donut op stelten’, dat op het allerlaatst door het stadsbestuur werd getorpedeerd, maar inmiddels zijn de heren Nielsen ook al weer van hun project ontslagen, vanwege begrotingsproblemen. Niemand weet hoe dat verder moet, al wordt er wel doorgebouwd. En dan lijkt de gemeente zich nu pas af te vragen wat er eigenlijk ín dat museum moet komen.

In zo’n regeneratiecampagne zit een patroon. In 1994 was Liverpool een failliete stad, een soort Boekarest aan de Mersey; de levensstandaard bedroeg er 75 procent van het gemiddelde in de EU. Grootschalige (Europese) investeringen in onroerend goed en infrastructuur zijn vervolgens het eerste punt op de agenda, maar daarna moet er een influx van jonger, beter verdienend volk op gang komen om die levensstandaard ook echt omhoog te krijgen. Daarvoor zijn er behalve penthouses in oude pakhuizen of hippe flats van Cesar Pelli culturele voorzieningen nodig. De verlening van de titel ‘Culturele Hoofdstad’ moet dan ook worden gezien als de afsluitende fase in zo’n EU-regeneratieproces: de stad is herbouwd, nu moet ze tonen dat er ook muziek in zit. Als de organisatie van de Biënnale daarvoor een graadmeter is, dan is er bepaald hoop. Men geeft blijk van het verstandige inzicht dat een stad als Liverpool zich niet kan meten met de metropool, Londen, die in Engeland in elk opzicht – bestuurlijk, financieel, cultureel, psychologisch – domineert. Liverpool en Manchester hebben eigenlijk alleen hun voetbalclubs om Londen te overtreffen.
Het beste deel van de Biënnale is MADE UP, een tentoonstelling van werken her en der in de stad en op twee verdiepingen in Tate Liverpool, in Albert Dock. MADE UP is gewijd aan, grof gezegd, werk dat speelt met echt en onecht, in het grijze gebied tussen verbeelding en documentaire. De Tate, bijvoorbeeld, toont een zeer groot werk van David Altmejd, The Holes; fantastische quasi-Renaissance-schilderijen van Ged Quinn en een werkelijk briljante film van Omer Fast, Take a Deep Breath, over een filmploeg die in Los Angeles een zelfmoordaanslag in Jeruzalem verfilmt. De kijker ziet twee beelden tegelijk, die een paar graden in camerapositie verschillen; de regisseur leidt je bijna ongemerkt door verschillende niveaus van werkelijkheid, verbeelding, herinnering, verslaggeving, ernst en humor. ‘Gee’, zegt de ene bebloede figurant tegen de andere, bij de koffie: ‘Are you a real amputee?’
‘Yeah. You’d be surprised how much work there is, these days, you know, what with Iraq, Afghanistan…’
Verderop is er in de crypte onder de monsterachtige kathedraal (uit 1967) een goede tentoonstelling over Le Corbusier, geestelijk vader van zoveel monsterachtige en rampzalige hoogbouw in Britse steden. Ook interessant is The Bluecoat, een klein cultuurcentrum in een achttiende-eeuws schoolgebouw, waaraan door het Rotterdamse architectenbureau BIQ architects een zeer smaakvolle vleugel is toegevoegd. Hier is vooral het werk van de Australische Tracey Moffatt (First Jobs Self Portraits) de moeite waard. Elders zijn dan nog Bloomberg New Contemporaries, een overzicht van eindexamenwerk van Britse kunstacademies, het FACT-kunstcentrum en de Open Eye Gallery, en dan is er ook nog de Walker Art Gallery, het statige oude stadsmuseum.
Daar is een grote presentatie te zien van de John Moores Prize, de meest prestigieuze prijs voor vrije schilderkunst in Groot-Brittannië. De selectie voor die tweejaarlijkse prijs, dit jaar voor de 25ste keer uitgereikt, ademt ook al dat verstandige besef dat een provinciestad als Liverpool een eigen koers dient te varen en eigen keuzes dient te maken. De prijs gaat dit jaar naar Peter MacDonald, en daar zullen wij meer van horen, want voor eerdere winnaars als David Hockney (1965), Peter Doig (1993) en Michael Raedecker (1999) was de Moores Prize ook een beslissende doorbraak. Zowel Doig als Raedecker werd het jaar daarop genomineerd voor de Turner Prize. In Londen, ver weg.
Volgend jaar is die Biënnale voorbij, natuurlijk, en dan is Liverpool weer in de greep van de binge drinkers en de bouwvakkers – maar dan is er in de Walker Art Gallery nog altijd dat ene fantastische werk van Bill Viola te zien, Observance (2002), een fascinerend en aangrijpend bewegend schilderij van rouwende medemensen, dat tussen de zestiende-eeuwse altaarstukken staat opgesteld. Het is een van die uitzonderlijke ervaringen die een hele reis rechtvaardigen.