Interview met Boudewijn Chabot

‘De regie ligt bij de patiënt’

Onlangs promoveerde de psychiater Boudewijn Chabot op een onderzoek naar auto-euthanasie: zelfstandige levensbeëindiging, zonder ingreep van een arts, in samenspraak met anderen. Over de zone tussen euthanasie en zelfmoord.

IN 1994 OORDEELDE de Hoge Raad dat Boudewijn Chabot, psychiater in Haarlem, schuldig was aan hulp bij zelfdoding, maar legde geen straf op: hij had zorgvuldig gehandeld. Drie jaar eerder hielp hij een vrouw te sterven door haar een dodelijke hoeveelheid medicijnen voor te schrijven. Ze was ongelukkig, wilde niet langer leven, maar had geen lichamelijke ziekte. Het Chabot-arrest wordt nog steeds geassocieerd met de strijd om meer autonomie rond het levenseinde.
Wat is auto-euthanasie?
Boudewijn Chabot: ‘Zelfstandige levensbeëindiging, in gesprek met anderen. Het is geen euthanasie, omdat de arts geen dodelijke handeling verricht; het verschilt van zelfmoord doordat er geen verminkende methode wordt gebruikt en het niet in eenzaamheid plaatsvindt. De regie ligt bij de patiënt. In 2001 ging het om 4400 sterfgevallen. Ter vergelijking: euthanasie kwam dat jaar 3500 keer voor.
Het euthanasiedebat is momenteel beperkt tot palliatieve sedatie (pijnbestrijding zonder uitschakeling van het bewustzijn – ys), terminale sedatie (permanente verdoving van het bewustzijn, tot de dood intreedt – ys) en euthanasie, waar “doktershulp bij zelfdoding” onder valt. Maar er zijn verscheidene mogelijkheden om de dood te bespoedigen. Zo beslissen artsen regelmatig om bepaalde handelingen niet meer uit te voeren. De twee vormen van auto-euthanasie die ik in mijn onderzoek onderscheid, ten dode vasten en dorsten en het slikken van een dodelijke hoeveelheid slaapmiddelen, ontbraken tot nu toe volledig in de discussie.’
Hadden de patiënten ook om euthanasie gevraagd?
‘Bijna de helft van de mensen die auto-euthanasie plegen deed geen verzoek om euthanasie. Ze wilden hun arts niet belasten met zo’n verzoek of ze wisten dat ze niet in aanmerking zouden komen voor euthanasie, omdat er geen sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. In sommige gevallen is er sprake van een verstoorde communicatie tussen arts en patiënt, soms voelen artsen zich onder druk gezet, maar desondanks blijven veel van hen in gesprek.’
Mensen die auto-euthanasie plegen overleggen hun doodswens met hun naasten. Hoe verloopt zo’n gesprek?
‘De acceptatie van de machteloosheid van de naasten om de naderende dood te voorkomen speelt een belangrijke rol. Daarnaast “dwingen” zulke gesprekken mensen met een doodswens om een weloverwogen keuze te maken en geen gewelddadige methode te kiezen. Onderzoek dat eerder in hospices is gedaan toont aan dat vijftien tot 25 procent van de mensen die besluiten ten dode te vasten en te dorsten, deze poging staakt, vaak onder druk van naasten. Uit de interviews die ik met naasten gehouden heb, blijkt ook dat familie en vrienden probeerden de persoon met een doodswens op andere gedachten te brengen.’
Wat verstaat u onder een ‘goede dood’?
‘De meeste mensen associëren een “goede dood” met het overlijden aan het einde van een lang leven, het omringd zijn door naasten en de afwezigheid van geweld. Auto-euthanasie is volgens deze definitie dus een “goede dood”, net als terminale sedatie. Zelfmoord is vaak verminkend en eenzaam, en wordt dus als “slechte dood” gezien. De laatste jaren leeft bij veel mensen echter ook de wens om zo lang mogelijk bewust te blijven. Dit kan bereikt worden door de “sociale dood” zo veel mogelijk naar achter te schuiven, wat bij palliatieve sedatie gebeurt, of de “biologische dood” naar voren te halen, de praktijk bij (auto-)euthanasie. Veel mensen willen niet dagen-, wekenlang buiten bewustzijn verkeren en volstrekt weerloos – met verlies van decorum – door hun dierbaren worden gadegeslagen. Zij zullen terminale sedatie dus geen “goede dood” noemen.
In het publieke debat worden met name ten dode vasten en dorsten als een verschrikkelijke dood afgeschilderd. Als mensen niet weten hoe ze het moeten doen, kan het verloop inderdaad gruwelijk zijn: zweren, doorligwonden. Maar met een goede voorbereiding kan het draaglijk zijn. Ik heb het over pijnbestrijding, een slaappilletje, mondverzorging, een doorligmatras, dat soort dingen.’
Is het de taak van artsen om hun patiënten daarover te informeren?
‘Ik denk dat het goed zou zijn als artsen dit zouden doen, maar hen verplichten om informatie over auto-euthanasie te geven is de beroepsgroep tegen de haren in strijken.
Het juridiseren van het euthanasiedebat heeft schade berokkend aan de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt die nodig is om de mogelijkheden tot een waardige dood te bespreken. Verplichtingen doen sommige artsen de hakken in het zand zetten. Patiënten zijn hier de dupe van. Bovendien, er zijn altijd wel naasten – familie, verpleging – die patiënten kunnen informeren. Maar er zullen altijd mensen zijn die er tussen vallen. Er is geen enkele oplossing waarbij mensen niet klem komen te zitten. Elke oplossing maakt slachtoffers.’
Wat is het verschil tussen het geven van informatie en hulp bij zelfdoding?
‘In het eerste geval verricht de arts geen dodelijke handeling en is dus niet strafbaar. Ook de aanwezigheid bij een zelfdoding is niet strafbaar. Uit mijn onderzoek bleek dat veel mensen die auto-euthanasie pleegden hun naasten op het laatste moment wegstuurden, uit angst voor vervolging. Dat is dus niet nodig zolang de naaste maar geen assistentie verleent.’
Als er geen sprake is van ziekte, is een doodswens dan wel een medische kwestie?
‘Het bijzondere van auto-euthanasie is nu juist dat het geen zaak van een arts is! De regie ligt bij de persoon die wil sterven en hij of zij draagt zelf de verantwoordelijkheid voor dit proces. Artsen hebben wel een plicht tot (palliatieve) zorg. Als het medisch geïndiceerd is moeten ze verzachtende medicijnen uitschrijven, ook al zijn ze het niet eens met de keuze van de patiënt om zijn of haar leven te beëindigen.’
In uw dissertatie doet u uitgebreid verslag van uw morele positie in het euthanasiedebat. Waar bent u bang voor?
‘Dit is de conclusie van een sociologisch, beschrijvend onderzoek. Ik signaleer iets, vel geen oordeel. Sinds de jaren negentig word ik keer op keer in het kamp van de “euthanasiasten” geplaatst. Zowel tegen hen als tegen de “zelfbeschikkers” zou ik willen zeggen: dit boek is geen munitie voor jullie strijd. Ik ben niet “de Chabot van het Chabot-arrest”. Ik ben geen voorvechter van het recht op zelfbeschikking. Mijn houding is die van een arts, die niet gebruikt wil worden voor een snelle dood. Ik ben geen verstrekker van dodelijke middelen. Als arts zal ik een persoon met een doodswens proberen te helpen om tot een weloverwogen afweging te komen. En geloof het of niet, binnen de vertrouwensrelatie die ik met mijn patiënten heb, zal ik hen in deze wens proberen af te remmen. De vrouw om wie het in dat arrest ging zou ik er nu op wijzen hoe zij in eigen beheer zou kunnen sterven, zonder de hulp van een arts. Maar als medicus en als burger wist ik daar destijds niets van.
Maar daar gaat het me niet eens om. Waar ik me zorgen om maak is de polarisatie in het euthanasiedebat. Het gemeenschappelijke ideaal van voor- en tegenstanders van euthanasie zou een “goede dood voor iedereen” moeten zijn. Emotive language – is daar een Nederlandse term voor? – vertroebelt het denken en het zicht op dit ideaal. Stellige uitspraken, verplichtingen, leiden tot polarisatie en komen de patiënt uiteindelijk dus niet ten goede.’

Boudewijn Chabot, Auto-euthanasie: Verborgen stervensvragen in gesprek met naasten, Bert Bakker, 352 blz., € 34,90