Kijken

De regisseur

Bij kleuren zijn alle vormen denkbaar, alle schakeringen, zolang de onderdelen vlak en recht op en tegen elkaar liggen. En de geheimen van kleur zijn onmetelijk.

Krijn de Koning, 8 Blocks, 2020. Acrylverf op hout, acht delen van verschillend formaat, samen in een gesloten blok 45 x 30 x 25 cm © Peter Cox, Eindhoven / collectie Museum Voorlinden, Wassenaar

Een beeldhouwer zet materiaal en volume naar haar/zijn hand. Vorm wordt met kracht tot andere vormen gedwongen. De ruimtelijke werken van Krijn de Koning, vooral die buiten in parken werden gebouwd, zijn wezenlijk losser en lichter van toon dan klassieke sculptuur. Als bouwsels zijn ze zelden zwaar, als bouwsels in een toneel. De vormen zijn gekleurd, ze vertonen figuren – dat doen ze terwijl ze kleur door een scenische ruimte transporteren. Eigenlijk is Krijn de Koning een regisseur van kleuren. Dat is zijn karakter als kunstenaar. Hij wil meer kleur, het liefst veel door elkaar.

Maria van Elk, Geometrische vouwvormen, 1986. Oliepasteltekeningen op Japans papier, ca. 45,5 x 45,5 cm © Evert de Cock / Rijksmuseum Amsterdam

Laatst maakte hij het werk 8 Blocks. Het is een rechthoekig volume (45 x 30 x 25 cm). Zo althans begon het: hij verdeelde het in acht kleinere lichamen, rechthoekig in omvang, elk anders van maat. Om de maatvoering te vinden die hij wilde, had hij kleine modellen van schuimplastic gebruikt. Daar kun je makkelijk in snijden. Geen computer, zei hij, het werk is niet een ontwerp maar een vormgeving die op de tast van het oog gevonden werd. De acht elementen zijn daarna, als dozen, met licht hout in elkaar gelijmd. Het is te zien dat ze luchtig zijn. Dat moest zo: in elk element komen zes vlakken samen, vier aan de zijden en twee onder en boven. Dat acht keer: in het hele ensemble heeft Krijn de Koning al die vlakken, groot en klein, met de hand met een eigen kleur beschilderd. Al die acht elementen zijn los ten opzichte van elkaar verplaatsbaar. Juist dat was de bedoeling: hij wilde op die kleine schaal een samenvatting maken van alle 48 kleuren.

Maria van Elk, Geometrische vouwvormen, 1986. © Evert de Cock / Rijksmuseum Amsterdam

Nogmaals: alle kleuren komen één keer voor. Het werk is een verrassende vertoning van verschillen. Zet de acht delen passend tegen elkaar. Dat staande volume is de compacte uitgangsvorm van 8 Blocks. Maar alle elementen kunnen verdraaid of op z’n kop gezet worden. De omvangsmaat van de uitgangsvorm blijft hetzelfde, de schakering van geblokte kleur is bij elk aanzicht weer totaal anders. Je kunt de uitgangsvorm, dat is de bedoeling, ook uit elkaar halen. De onderdelen zijn licht van gewicht. Onder aan deze bladzijde zien we een versie van een aanzicht. Daarvan kunnen we er ons oneindig veel van voorstellen. Die veelheid is wat het werk voorstelt. De kunstenaar gaf geen instructie: alle vormen zijn denkbaar, alle schakeringen, zolang de onderdelen vlak en recht op en tegen elkaar liggen. Het moet geen ratjetoe worden. We kijken naar een geleidelijke opeenvolging van kleuren, wisseling van kleuren, verschuivingen van rechthoekige volumes waarop, hoe dan ook, alle kleuren zich voortbewegen.

Maria van Elk, Geometrische vouwvormen, 1986. © Evert de Cock / Rijksmuseum Amsterdam

Het gedrag van kleuren is wonderbaarlijk. Soms zijn het maar kleine ingrepen in een materiaal die een vorm van kleur onweerstaanbaar tot flonkeren brengen. Ik kreeg van Maria van Elk een aantal Geometrische vouwvormen uit 1986 onder ogen. Het waren witte vellen buigzaam papier, ongeveer 45 cm in het vierkant. Dat papier heeft Maria een aantal malen gevouwen. Dat kon met de hand op een tafel – als het ware direct onder haar ogen. Het vouwen ging voorzichtig. Het papier was gevoelig. Er begon een frêle vormgeving te ontstaan, een symmetrisch patroon van vouwlijnen, verfijnd als de plooien van een waaier en ook zo vederlicht. Maar ook dit: in de hoekige intervallen tussen de scherpe vouwlijnen zien we het papier licht opbollen. Het oppervlak wordt oneven. De vlakjes die ontstonden waren onvoorzien: eerst werd een vel papier dicht, dan weer open gevouwen. Zo kwam te midden van vouwlijnen een zeshoek te voorschijn, compact en geheimzinnig van vorm, die de kunstenaar een ongemeen rode kleur heeft gegeven. De straling van dat heldere rood is een gevolg van de scherpe vormgeving: de scherpte van de gevouwen randen maakt tegelijk het rood ook scherper. Het is gemaakt met oliepastel, het oppervlak daarvan is bros. Dat gruizige rood lijkt precies te passen binnen de straffe rand die het samenvat.

Er is in deze mooie vouwvormen een bijzondere relatie tussen vorm en kleur. Bijvoorbeeld: een wijde driehoek is een vorm met meer ruimte dan een nauwe zeshoek. Rood is compact en fonkelt als diamant. Groen is een ruimere kleur. Ik denk aan gras. Een staande ruitvorm is statig. Daarin past het blauwe kobalt dat een donkere en trage kleur is.

Zo naar kleuren kijken, dromerig en ernstig tegelijk, verlost en bevrijdt onze waarneming. Dat komt doordat, als van klank, de geheimen van kleur onmetelijk zijn.