Film: ‘Borg/McEnroe’

De reis die je met niemand kunt delen

Large borg mcenroe st 2 jpg sd high
Shia LaBeouf als John McEnroe, © September Film Distribution

Tenniscoach Martin Simek bekeek de film Borg/McEnroe en zag wat het lekenoog niet kan zien. Een mooie film over de opmaat naar de legendarische Wimbledon-finale van 1980, maar de essentie ontbreekt. Want die is niet te filmen.

Natuurlijk was ik blij toen ik hoorde dat er een film aankwam over twee vernieuwers van mijn sport. Miljoenen mensen tennissen en iedere generatie brengt weer haar eigen kampioenen voort, maar het zijn slechts enkelen die bijdragen aan de werkelijke ontwikkeling van tennis. Björn Borg en John McEnroe hebben dat zonder meer gedaan. Ze braken met het klassieke, stijlvolle, aristocratische tennis, zoals het in de jaren twintig van de vorige eeuw al werd gespeeld door de Amerikaan Bill Tilden, later door mannen als Pancho Gonzales, de Australiërs Emerson, Hoad, Laver en Rosewall, begin jaren zeventig nog door de Roemeen Ilie Nastase.

De ambachtelijkheid van de klassieke tennissers was die van Vermeer en Rembrandt; Borg en McEnroe waren impressionisten. Ze stipten alleen maar aan wat hun klassieke voorgangers zorgvuldig uitvoerden. Het palet van allebei was kleurrijk, hun geest was totaal verschillend. Borg was een Cézanne, McEnroe een Van Gogh, maar ze rotzooiden beslist niet maar wat aan, zoals Karel Appel ooit zei over zichzelf. Ze hielden de erfenis van de klassiekers hoog en lieten zich nog altijd leiden door harmonie en gevoel. En dat moesten ze ook wel, want ze speelden nog met houten rackets die met kattendarmen waren bespannen. Ze moesten de bal nauwkeurig in het midden van het racketblad raken, anders fungeerde de zachte bespanning als een trampoline die iedere onnauwkeurigheid onmiddellijk afstrafte.

Ze behandelden de bal nog altijd met zorg, maar wel uiterst efficiënt. Hun tennis was nog altijd sierlijk, maar wel strikt persoonlijk. Borg was weliswaar niet de eerste die de backhand met twee handen speelde, maar de manier waarop hij dat deed was nieuw. Hij raakte – en dat beseffen maar weinig mensen, je moet de beelden almaar opnieuw bekijken om het te zien – het handvat van het racket met zijn tweede hand, de linkerhand, maar heel even aan om kracht bij te zetten. Maar zijn linkerhand laat na dat kleine extra duwtje onmiddellijk weer los, zodat Borg niet gehinderd werd in zijn bewegen, zoals de meeste dubbelhandige spelers van vandaag, die zich als een drenkeling met twee handen aan het handvat van hun racket vastklampen. En je ziet nu haast alleen maar dubbelhandige spelers, want kinderen, in de jacht van hun ouders naar succes en het grote geld, moeten steeds eerder met tennissen beginnen. Zó vroeg dat ze niet eens de kracht hebben om een enkelhandige backhand te slaan, en al helemaal niet om nee tegen de tenniskeuze van hun ouders te zeggen.

Dat was bij Borg en McEnroe anders. Tennis kwam toevallig op hun weg, en die weg werd spontaan hun religie. Vanaf de eerste slagen les krijgen is gevaarlijk, en was tot midden jaren zeventig ongebruikelijk. Het was zelf proberen, meestal tegen de muur, of tegen de garagedeur, zoals Björn Borg in de film. Het was de kunst van anderen afkijken en opnieuw proberen. Tegen de tijd dat je de aanwijzingen van een ervaren tennisser waard was, was je ook in staat vragen te stellen en uit te zoeken of je iets aan de aanwijzingen had. En bij het afkijken leerde je nog iets belangrijks: naar de speler te kijken en niet naar de bal. Dat onophoudelijke hoofddraaien van het tennispubliek, dat doet een echte tennisliefhebber lang niet altijd. Als je een speler wilt leren kennen, vergeet de bal, vergeet de stand, en volg alleen maar hem. Dan zie je aan zijn lichaamstaal wat de score is, en je leert hem ook van binnen kennen. Wanneer ik met mijn jonge kinderen tennis vind ik het soms eng, zo’n diepe blik in hun ziel die mij wordt geboden.

Medium borg mcenroe st 4 jpg sd high
Sverrir Gudnason als Björn Borg © September Film Distribution

Topspelers hangen gewoonlijk gordijnen op om zo’n inkijk te voorkomen. Ze zijn beducht om informatie over hun geestelijke en fysieke welzijn tijdens de wedstrijd aan hun tegenstanders te schenken. Klassieke tennissers verhulden zich door zich correct te gedragen. Een gentleman laat immers zijn manieren zien, maar niet het uiterste van zijn tong. Ook daarin waren Borg en McEnroe anders. Zij gingen allebei tot het uiterste, maar ze waren onleesbaar voor een ander. Borg dook terwijl hij tenniste zo diep in zichzelf dat hij een soort boeddha werd, zeker geen ‘ijsberg’, zoals hij werd genoemd. Warmte is energie en die ging bij hem in het spel. En McEnroe werd ten overstaan van duizenden toeschouwers op de tribune en miljoenen tv-kijkers schandalig zichzelf. Je zag het, maar je kon het niet ontcijferen, net zo goed als wanneer je in het hoofd van Einstein zou kunnen kijken je ook niet meer zou kunnen zien dan cijfers en tekens.

McEnroe gold als een enfant terrible, maar dat was een burgerlijke interpretatie van zijn genialiteit. Hij was creativiteit in progress. Geen slag van McEnroe, ook de allereenvoudigste niet, was routine; het waren vulkaanuitbarstingen van zijn emoties. Bij de backhand bijvoorbeeld speelde hij de bal door hem de weg te versperren en dan, als hij de bal op de snaren van zijn racket had, een beetje omhoog en voorwaarts te springen, als een klein, blij of nukkig kind. Het hing af van de stand van de wedstrijd. Maar hoe grimmig en afstandelijk McEnroe soms ook mocht lijken, hij wilde niets liever dan begrepen worden. Van het ene op het andere moment kon hij vergeten dat hij het eigenlijk al lang had opgegeven om begrepen te worden.

McEnroe werd ten overstaan van duizenden toeschouwers schandalig zichzelf

Zoals in die nacht in Toulouse of Lyon, toen hij in de playerslounge tussen elf uur ’s avonds en half vier ’s ochtends zichzelf aan mij probeerde uit te leggen. Hij begon met beklag over de speler die ik op dat moment begeleidde, Michiel Schapers, en over de achterlijke regels van de atp, de Association of Tennis Professionals. ‘Waarom moet ik in ieder toernooitje vanaf de eerste ronde beginnen? Waarom moet ik toch iedere keer weer bewijzen dat ik McEnroe ben? Door bijvoorbeeld – neem me niet kwalijk – Michiel Schapers te verslaan. Het is zo saai, ik kan er niet langer tegen!’

Inderdaad, Michiel haalde het bloed onder de nagels van McEnroe vandaan, door op mijn aanraden nog saaier en vooral langzamer en zachter tegen hem te spelen dan hij toch al deed. Dat durfde niemand tegen de grote John McEnroe. Dus zei ik, om hem te plagen: ‘John, het zou niet zo saai voor je zijn als je kon tennissen. Maar jij bent goed beschouwd geen tennisser. Jij bent een zeer handige parasiet. Zonder de krachtige slagen van je tegenstanders ben je nergens. Je neemt de vaart van de ander over, maar zelf vaart geven aan een dode bal kun je niet, behalve met je service natuurlijk.’

McEnroe keek schuchter om zich heen en verzocht me een stil hoekje van de playerslounge op te zoeken. ‘Hoe weet je dat?’ vroeg hij op een toon alsof hij me door zijn vader de advocaat voor spionage en hoogverraad wilde laten aanklagen. En zo kreeg ik de hele nacht de tijd om hem te leren kennen.

Dat ik Borg en McEnroe niet met rocksterren vergelijk is bewust. De journalisten van toen deden dat, en die van vandaag nemen het klakkeloos over. Maar dat imago had met hun lange, weelderige haardossen en haarbanden te maken en met de gillende meisjes die op hun handtekeningen joegen. Niet met hun speelstijl. Het rock-’n-roll-tennis begint pas met de grafieten kunststofrackets en met Andre Agassi, die vanaf zijn vierde gedrild was door zijn vader, een Iraanse bokser, om de bal zo snel mogelijk na de stuit te nemen. Dat weet nu iedereen, dankzij Agassi’s autobiografie Open, die een wereldsucces werd. In Open lezen we ook dat hoewel zijn stijl rock-’n-roll was, zijn haar hem juist in de steek liet. Jarenlang voelde hij zich verplicht een pruik te dragen, om aan zijn image te voldoen.

De film Borg/McEnroe bevat een innemende scène waarin McEnroe voor de spiegel een haarband probeert en controleert of hij – een jongetje nog maar – op zijn drie jaar oudere idool Borg lijkt. Het ging hem gelukkig om de uiterlijke gelijkenis. Hij besefte dat hij om ooit nummer één van de wereld te worden zijn eigen krankzinnigheid moest ontplooien en niet die van een ander. Johan Cruijff heeft die wet met zijn ‘je bent net zo lang gestoord tot je een genie bent’ onder woorden gebracht. En vreemd is het niet, dat die drie op elkaar lijken. Zowel Cruijff als Borg als McEnroe is beïnvloed door de flowerpower. Alleen drong 1968 op de conservatieve tennisbanen wat later door dan erbuiten.

De Engelsen deden er heel lang over om aan John Patrick McEnroe te wennen, hoewel McEnroe al in 1978 drie rondes kwalificatie op Wimbledon doorstond om het vervolgens in het hoofdtoernooi tot de halve finale te brengen. Een ongekende sensatie. Maar toch waren de Engelsen het jaar daarop bijna blij dat de ongemanierde schreeuwlelijk – en ik schrijf dit onder protest – al in de eerste ronde verloor.

Borg dook terwijl hij tenniste zo diep in zichzelf dat hij een soort boeddha werd

In 1980 leek McEnroe door niemand meer te stoppen, behalve wie weet door Björn Borg, die al vier Wimbledons op zijn naam had staan en nu verzadigd leek. Daar gaat de film van de Deen Janus Metz Pedersen dan ook over. Een gewaagde onderneming. Hoewel ik al zei dat ik blij was met de aangekondigde film vroeg ik me meteen ook af hoe Pedersen het in hemelsnaam wilde aanpakken. De mooiste tennisfilm is en blijft de mix van close-ups van de gezichten van spelers en de mediumshots van de bewegingen van tennisgladiatoren op het moment dat ze hun rackets kruisen.

Van zo’n film droomde ik bij de opkomst van de Zwitser Roger Federer. Pete Sampras, zijn even fabelachtige Amerikaanse voorganger, was toen net uitgetennist, maar nog altijd lichamelijk in topvorm. Stel, dacht ik, dat je punt voor punt voor die twee het script van een vijfsetter zou schrijven, met alle technische en psychologische hoogstandjes, en dat de camera’s midden op de baan opgesteld kunnen worden zodat je recht in hun ogen kunt kijken. Dan krijg je een tenniswedstrijd te zien die je kunt beleven alsof je hem zelf speelt. Sampras en Federer konden zo’n script toen uitvoeren. Borg en McEnroe dertig jaar geleden ook, maar nu, anno 2017, nu Borg 61 en McEnroe 58 is, is zo’n aanpak natuurlijk onmogelijk.

Het innerlijk van een tennisser kunnen filmen op het moment suprême, dát zou wat zijn. Borg, McEnroe, Federer, Sampras, die op de bal af komen en in een split second moeten improviseren alsof hun leven ervan afhangt. Dat zou een meerwaarde zijn die de allerbeste tennisregistratie niet kan bieden. Want al concentreer je je op één van de spelers, dan ontgaat uiteraard de reactie van de ander je.

Wil ik met het bovenstaande zeggen dat Borg/McEnroe mislukt is? Nee, zeker niet. Het is een aanrader. Voor ouders die plannen met hun kinderen hebben bijvoorbeeld. En voor kinderen die eigen plannen hebben. Of voor mensen die bevestiging halen uit het cliché dat rijk en beroemd zijn ook niet alles is. Het is een film die om meer vraagt. Niet meer van hetzelfde, niet beter, maar anders. Zoals geen topspeler op een ander lijkt, zo moet de volgende tennisfilm niet op Borg/McEnroe van regisseur Pedersen lijken. Na Rocky uit 1976 kwam in 1980 Raging Bull van Martin Scorsese, over de bokslegende Jake LaMotta, die twee weken geleden op 94-jarige leeftijd overleed. Dat zijn stapjes in de evolutie. De Deense regisseur heeft nu het eerste stapje gezet, aan anderen om verder te denken.

Medium gettyimages 3260499
Game, set & match. Wimbledon 1980. Björn Borg wint zijn vijfde Wimbledon-titel op rij © Rob Taggart / Central Press / getty imag

Gezien het feit dat Janus Metz Pedersen geen tennisser is maar een relatief jonge documentairemaker, en omdat je de heren op leeftijd Borg en McEnroe niet meer kunt vragen zichzelf in de kracht van hun leven te spelen, heeft hij er het beste van gemaakt. Pedersen concentreert zich terecht op het voorspel van de befaamde Wimbledon-finale van 1980. In de openingsscène laat hij Borg, de absolute hoofdrolspeler van de film, op het balkonhek van zijn luxe-appartement in Monte Carlo balanceren, tientallen meters boven de afgrond. Even denk je: overweegt hij zelfmoord of doet hij krachttraining? Laten we het zo zeggen: als je dagelijks op die manier je krachttraining doet, is de dood op den duur een zekerheid.

McEnroe had zoveel gevoel in zijn lichaam en slagen dat hij meteen nadat hij de bal had geraakt wist of hij in of uit ging

Moeten we dat geloven? Overwoog Borg ooit zelfmoord? Later in zijn leven werd hij weliswaar in Milaan met spoed naar het ziekenhuis gebracht, maar zelf hield hij het op voedselvergiftiging. Maar Björn Borg, die op 7 september in Stockholm bij de première aanwezig was, moet toch op de hoogte zijn geweest van het script, zou je denken. Zijn veertienjarige zoontje Leo acteert tenslotte in de film. Alleen, het zegt allemaal niet zo veel. Over Borg zijn zoveel boeken en roddels verschenen dat als hij alles wat niet klopt zou moeten gaan weerleggen hij daar meer tijd mee kwijt zou zijn dan met zijn tenniscarrière.

Zelf vind ik zijn veronderstelde angst voor de finale tegen McEnroe (‘Niemand zal zich mijn vier overwinningen op Wimbledon herinneren, iedereen zal alleen dit verlies tegen McEnroe onthouden’, zegt hij in de film tegen zijn coach) onwaarschijnlijk. Borg moest op het moment dat hij in Monte Carlo eng over zijn balkonhek hangt eerst nog op Roland Garros in Parijs aan de bak. En Parijs won hij. In Wimbledon moesten ze trouwens allebei nog zes rondes winnen voor ze elkaar in de finale zouden treffen. Dus vertel me hoe een man die zijn wedstrijden ‘punt voor punt’ speelde, zoals Borgs coach Lennart Bergelin hem in de film steeds op het hart drukt, het voor elkaar krijgt om niet toernooi voor toernooi te denken, en wedstrijd voor wedstrijd.

Maar film kent ook zijn wetten, en de regisseur had die zelfmoordscène nodig. Als je niet met het sprookje mee wilt gaan, haak je al af bij de verschijning van McEnroe, een druk baasje, een acteur die verdienstelijk de onrust die McEnroe in zich droeg probeert uit te beelden. Maar die onrust zag je juist nooit als McEnroe in werkelijkheid met een plastic boodschappenzak en slechts één racket zonder hoes de trainingsbaan op kwam, terwijl zijn sparringpartner met het hele arsenaal aan rackets en spullen al op hem stond te wachten. McEnroe was droog, en ging alleen door het lint als iemand hem dwars probeerde te zitten bij het beoefenen van wat hem waarschijnlijk nog liever was dan hijzelf: tennis.

Neem zijn ‘you can’t be serious!’ dat hij steeds naar de lijnrechters en scheidsrechters riep. McEnroe was geen bedrieger die punten wilde hebben die hij niet won. Hij had alleen zoveel gevoel in zijn lichaam en slagen dat hij meteen nadat hij de bal had geraakt wist of hij in of uit ging. Soms had hij zijn racket al op de grond gesmeten nog voor zijn bal één centimeter buiten de lijn landde, woedend als hij was op zichzelf. Maar als hij de bal in voelde, duldde hij geen tegenspraak. Wat hij voelde achtte hij superieur aan wat een scheidsrechter zag, en al helemaal als het een brildrager was, of een kantoorklerk die duidelijk niet bestand was tegen de druk van een grote wedstrijd.

Borg discussieerde nooit en reageerde ook nooit op de provocaties van zijn tegenstanders, al was het Jimmy Connors of Ilie Nastase, die er wat van konden, van tennis en van provoceren. Maar bij Borg vingen ze bot, want hij was er wel, maar hij was er tegelijkertijd ook niet, op de baan. Hij ging zo op in het spel dat er geen plaats was voor iets anders. Of het miezerde of de zon scheen, of de scheidsrechter in of uit riep, of het publiek joelde of doodstil was, of zijn tegenstander zich door iets anders dan door tennis wilde laten gelden, het raakte hem allemaal niet. Het gleed van hem af.

Als je iedere keer zo diep in jezelf moet afdalen om te presteren zoals Borg deed, als je iedere keer zo ongelooflijk alleen moet zijn, kan de overgang naar het gewone leven steeds moeilijker worden. Zeker als je een populariteit bereikt die je niet zoekt. Voor Borg was tennis zeker geen middel, tennis was zijn doel. Maar door zijn buitengewone prestaties hing er ook een enorme rompslomp aan vast, die in de film heel goed wordt weergegeven. En nog iets: als je tijdens de tenniswedstrijd zo intens kunt leven, zo intens als wij gewone stervelingen ons niet eens kunnen voorstellen, moet het steeds zwaarder vallen dat een dag 24 uur heeft, en dat verreweg de meeste uren niet de intensiteit hebben die Borg van de tennisbaan kende.

‘Niemand zal zich mijn vier Wimbledon-zeges herinneren, iedereen zal alleen dit verlies tegen McEnroe onthouden’

Ik kan me eerder voorstellen dat hij angst had voor het dagelijks leven, en uiteindelijk met tennis stopte op zijn 26ste om die intensiteit ook daarin te zoeken en ontdekken. Niet omdat hij dacht dat hij iets gemist had, maar omdat hij 24 uur per dag boeddha wilde zijn. Toen dat niet lukte en hij een comeback in Monte Carlo probeerde om de smaak van de eeuwigheid weer te proeven, maakte hij ook op de baan een wezenloze indruk.

Ook dit zou een prachtige film zijn: Borg na zijn tennisdood. Een leven waar de meesten jaloers op zouden zijn, maar waar hij waarschijnlijk nooit genoegen mee heeft genomen. Bij zijn tweede comeback in het toernooi van München – hij was toen een jaar of 35 en ik 43 – koos hij tot mijn stomme verbazing mij als sparringpartner. Misschien omdat ik toevallig op de baan stond na de training met mijn pupil, maar Borg deed vroeger nooit iets toevallig. Of misschien omdat hij niet voortijdig aan zijn collega’s wilde laten zien dat hij voor een comeback helemaal niet klaar was. We speelden 35, veertig minuten en hij raakte de bal wel twintig keer met het frame van zijn racket. Hij toonde zich verlegen, en ik ook. Ik voelde plaatsvervangende schaamte. Mijn god, dacht ik.

Wat me vooral opviel, was dat er geen Borg over de baan liep, alleen een man die zo heette en die er zo uitzag, maar niet als hij aan de bal was. In zijn beste dagen wás hij tennis, maar dat tennis was nu in povere slagen uiteen gevallen. Het leek alsof hij zichzelf probeerde na te doen. Anderen nadoen is al erg als je geen imitator van beroep bent. Maar jezelf nadoen om erachter te komen hoe je ooit was, dat is pas triest. En plotseling zag ik het: hij loenste niet meer als de bal op hem af kwam. Borg-boeddha loenste altijd. Hij wist duidelijk niet meer hoe hij in zichzelf moest afdalen.

De dag daarop zag ik Borg 6-1 6-0 van een subtopper, de Joegoslaaf Goran Prpic, verliezen. Nee, nu lieg ik, na vier games liep ik weg, met tranen in mijn ogen. Borg loenste niet meer. Ik hoop oprecht dat zijn zoontje Leo, die in de film een prachtige jonge Borg neerzet, en die verdienstelijk schijnt te tennissen, zijn vader terug in de beleving van het toptennis kan nemen. Net zoals hij, Björn, dat met zijn coach en raadgever Bergelin heeft gedaan. Bergelin, die het zelf ooit drie keer tot de kwartfinale van Wimbledon heeft gebracht, als eenling uit Zweden. Hij herleefde naast de jonge Borg, en gaf hem alles wat hij elders niet kwijt kon. De band Bergelin-Borg is het mooiste wat de film te bieden heeft en volstrekt geloofwaardig, wat mij betreft.

Medium gettyimages 677264997
John McEnroe tijdens de finale op Wimbledon tegen Björn Borg, 1980 © Chris Smith / Popperfoto / Getty Images

De finale van de film, de finale van Wimbledon 1980, kunt u beter in het echt bekijken. Daarin is geen sprake van een angstige Borg. Hij verliest de eerste set met 6-1 van McEnroe, die zoals zijn gewoonte was voortdurend oprukt naar het net. Borg blijft uiterst helder. Zonder ook maar één keer met zijn ogen de tribune op te zoeken, waar zijn coach Bergelin en zijn toenmalige verloofde, de Roemeense tennisster Mariana Simionescu zitten, verandert Borg van tactiek. Ook hij gaat service-volley spelen en zoekt zo veel mogelijk het net op, om McEnroe voor te zijn. Dat doet iemand die als voorbereiding op Wimbledon zelfmoord overweegt niet. In de bloedstollende tiebreak van de vierde set verzilvert hij weliswaar zeven matchpoints niet – eentje overigens vanwege een onwaarschijnlijke geluks-netbal van McEnroe – maar hij weert ook vijf setpoints van McEnroe af, voor hij zich uiteindelijk gewonnen moet geven.

Heel even lijkt het of Borg aan het begin van de vijfde set aangeslagen is. Hij komt op 0-30 op eigen service te staan, maar wint die game, net zoals de hele partij, 8-6 in de vijfde. En dan komt het mooiste. Ik doel niet op Borgs typische knieval op het Londense gras, die hij de vier keer daarvoor ook al had gedaan. Ik doel op de beelden van de op zijn stoeltje zittende Borg, terwijl de organisatoren voortdurend tegen hem praten om hem in te kneden voor de koninklijke ceremonie, die op de overwinning volgt. Borg reageert nauwelijks. Hij moet eerst duidelijk terugkomen van heel ver weggeweest. Zo diep in zichzelf is Borg later waarschijnlijk nooit meer geweest. Die reis is niet te beschrijven. Die reis kun je met niemand delen. Of toch, met één iemand misschien, met je tegenstander. Daarom zijn Borg en McEnroe waarschijnlijk ook vrienden geworden.

De geboorte van die vriendschap wordt in de film meesterlijk weergegeven en geacteerd op het vliegveld van Londen, waar ze elkaar ontwaren en naar elkaar toe lopen. McEnroe loopt weg van zijn vader en Borg laat zijn Mariana staan. Verlegen nemen ze afscheid, als twee vreemden die een niet te evenaren intimiteit hebben beleefd. McEnroe heeft die wedstrijd later als zijn ware geboorte bestempeld. Zijn geboorte als tennisser, maar vooral als man. Niet één keer is hij daar in die finale in Londen 1980 tekeergegaan. Al zijn energie ging, net zoals bij Borg, naar zijn tennis.


Borg/McEnroe is vanaf 12 oktober in de bioscoop te zien