1860

De reizen van Fjodor de kraai

Ik kwam uit het ei in het jaar waarin de geleidelijke vernieuwing van de mensheid, de geschiedenis van haar geleidelijk herboren worden en de kennismaking met een nieuwe, tot die tijd volkomen onbekende werkelijkheid begon. Vanuit de boom waar papa en mama een nest hadden gebouwd had ik tot de dag dat ik uitvloog zicht op de kamer van de man van wie de baard groter was dan zijn kleine hoofd. Mijn vader gaf me de naam Fjodor, omdat een kraai nu eenmaal altijd de naam krijgt van de mens die hij als eerste te zien krijgt.
De zomer in Sint-Petersburg was in 1860 een snikhete, dat kan ik u wel vertellen. In die zomer heb ik leren overleven. Mijn vader en moeder hebben me geleerd om alles wat ik kon krijgen op te eten. Toen ik dat had geleerd vlogen ze weg en kwamen nooit meer terug. Ik heb zaden gegeten, noten, insecten en afval. Ik heb me zelfs te goed gedaan aan kadavers. En toen ik groot, sterk en slim genoeg was en wist dat ik meer dan 150 jaar zou leven ging ik nadenken over wat ik met mijn leven moest doen.
Mijn naamgenoot zat nog steeds te schrijven in zijn kleine kamer. Aan twee wanden in zijn kamer hingen beeldjes van het blote mannetje. Het blote mannetje dat ik waar ik ook kwam tijdens mijn reizen tegen zou komen. Het werd avond, Fjodor stak drie kaarsen aan en zette het schrijven voort. Toen hij het te benauwd kreeg, deed hij een raam open. Ik landde op dat raam en zei ‘hallo’.
Het was alsof hij op mij had gewacht. Fjodor had een bas-baritonstem die niet paste bij zijn kleine lichaam. Met die stem zei hij tegen mij dat het leven hem geen enkel verdriet had bespaard. Hij zei ook dat hij waarschijnlijk nog meer pijn te verduren zou krijgen. Volgens hem was hij door God gestuurd om te verhalen over de nieuwe mens die zijn ziel uitwroet. Dat hij leed, diende er enkel voor om zijn werk te verbeteren en zijn talent te polijsten. Fjodor was slechts een boodschapper die de mensheid een spiegel voorhield. Dat wist hij en hij maakte niet meer de fout om op geluk te hopen.
Ik was een jonge kraai met een volle maag, wilde iets doen met mijn leven en vroeg hem wat mijn pad diende te zijn. 'Doe wat ik niet kan’, zei hij en sloot het raam weer, om de menselijke ziel verder uit te pluizen.
Ik, Fjodor de kraai, besloot op die dag weg te vliegen uit de verzengende hitte van Sint-Petersburg. Wat Fjodor niet kon, was vliegen. Ik kon geen pen vasthouden, ik had bij lange na niet het brein van de man die ik zag zodra ik mijn ogen had geopend. Maar wat ik wel kon was reizen en alles wat ik zag onthouden.
Mijn vader en moeder hadden me verlaten. Maar ik had de stem gehoord van Fjodor. Uitverkoren als ik was vloog ik uit mijn geboortestad waar de kerkklokken op dat moment negen keer luidden. Negen besloot ik als geluksgetal te nemen en ik keek nog een keer terug naar de stad die mij had verwelkomd in deze wereld. Ik kraste zo hard als ik kon dat ik voor zijn dood terug zou komen om afscheid te nemen. Ik hoopte dat de echte Fjodor mijn gekras had gehoord en besloot in de richting te vliegen waar de zon was ondergegaan.