1872

De reizen van Fjodor de kraai

Bela was vel over been. Niet dat hij er een punt van maakte, want altijd, net voordat hij om zou vallen van de honger, vond hij wel eten om te overleven. Want ook al hadden de mensen van zijn stad een ander geloof aangenomen en zijn soort tot ‘onrein’ gedeclasseerd, het geweten van de verre voorouders bleef dolen in de straten van Tripoli.
Wil je vrienden zijn met een hond, dan moet je hongerlijden met hem. Samen doodgaan werkt nog beter, maar zoveel moed is enkel voor verliefde kraaien weggelegd.
Bela ging zonder mij dood. Omdat ik me in die dagen niet realiseerde dat ik van hem had gehouden. Bela met de vochtige, zwarte ogen. De naïviteit zelve, die Bela. Hij had ergens gehoord dat de eerste vriendschap tussen de mens en de hond in de stad was ontstaan waar al zijn voorouders, zijn ouders en hij hadden geleefd. Dat gaf hem rust en zelfvertrouwen.
Op een van de avonden waarop mijn reisplannen naar Italië in mijn hoofd maalden, zat hij aan een bot te kluiven dat hij van een slager had gekregen. Bela was de man zo dankbaar dat zijn gitzwarte ogen misschien wel nog vochtiger werden dan ze al waren.
Bela had niets in de gaten, maar de moderniteit was in die jaren de blauwe zee overgestoken en wilde voet zetten daar. Ik had de bestuurders van de stad in mooie tuinen horen praten over die moderniteit. Het woord 'kraai’ lieten ze tot mijn grote opluchting niet vallen, maar het woord 'hond’ bleef maar terugkomen in hun conversaties.
Ik probeerde Bela te waarschuwen. Hij keek met zijn prachtige, ontroerende ogen naar mij, begreep niets van mijn relaas en ging weer op zoek naar eten omdat zijn dunne poten begonnen te trillen van de honger.
'In Europa schijnen er helemaal geen straathonden meer te zijn…’ De altijd aanwezige wind in deze stad begon me op de zenuwen te werken. 'In Caïro heeft de pasja ze allemaal verbannen naar een onbewoond eiland…’ Nog een keer de buik goed vullen voor de reis, daarna zou ik vertrekken. 'Willen we bij de beschaafde wereld horen, dan moeten we ook af van deze dieren…’ Ik was vastbesloten om de volgende ochtend te vertrekken. 'Zegt ons geloof ook niet dat de hond onrein is…’ Nee, ik zou echt geen dag langer blijven daar.
Ik bleef er wel te lang. Waarom weet ik niet, maar de volgende dag hing ik er nog steeds rond. Op die verdomde dag heb ik gezien dat ze de honden één voor één van de straten plukten en op een groot schip zetten.
Ik wou Bela niet alleen laten en landde op het schip. Met dat schip gingen we naar een onbewoond eiland ver van de kust. Bela begreep niet wat er aan de hand was en keek met vragende, vochtige, prachtige ogen naar mij. Een paar uur later meerden we aan op een klein eiland dat niets meer beloofde dan rots, steen, zand en een uitzicht op het blauwe water.
Terwijl de mensen blij wegvoeren omdat ze in een paar uurtjes een reusachtige stap hadden gezet richting beschaving, nam de wind het gehuil van de honden mee om het boven de zee uit te laten sterven. Ik vloog weg omdat ik geen antwoord had op de vragende blikken van Bela. Pas toen ik vele jaren ouder werd leerde ik dat de mensen aan het oefenen waren. Als ik had geweten dat ze voor die beschaving ook hun eigen soort naar vele 'eilanden van genocide’ zouden verbannen had ik Bela kunnen troosten.
Zonder iets te zeggen vloog ik maar weg toen. Voor de oversteek van de zee had ik niet eens genoeg gegeten.