1885

De reizen van Fjodor de kraai

‘Geen enkel verdriet houdt toch eeuwig stand… Ga terug naar je dorp en vergeet mij…’

Dit waren de woorden van het meisje met de gevlochten haren die tot haar benen reikten. Ik weet niet meer hoe ze heette, maar wel dat zij geen genade had voor de jongen die tegenover haar stond. In dat jaar vertoefde ik in San Luis in Honduras. Het aangename weer hield het hele jaar aan en ik dacht er echt aan om de rest van mijn leven hier door te brengen.
Diego haalde een ring uit zijn zak, liet die aan dat meisje zien. Ik zag het gevaar dat op de loer lag voor de mens en wist dat ik niet meer kon blijven in deze stad waar dat meisje leefde in wier hart de begeerte woedde die gevaarlijker was dan alle oorlogen. Ze keek naar de ring die Diego uit zijn zak had gehaald en zei nog een keer: ‘Geloof me, geen enkel verdriet houdt eeuwig aan… Ga terug naar je dorp…’
Diego praatte terwijl zijn onderlip trilde: ‘Ik weet dat mijn ring niet van goud is, maar deze ring die ik van zink heb gemaakt voor jou heb ik vormgegeven met mijn adem die van jou houdt, ik heb deze ring gepolijst met mijn ogen die niets anders willen zien dan jou. Deze ring draagt de geur van mijn huid met zich mee, een geur die ook na mijn dood van stad naar stad zal wandelen en niet zal rusten eer die jou heeft gevonden. Mijn knieën trillen, lief, mijn handen willen jouw handen om van hun eenzaamheid af te komen. Op deze ring is mijn zweetdruppel gevallen omdat mijn liefde voor jou te zwaar was om te dragen.’
In Honduras waren die dag de wolken kleurloos en de wind grijs. Je zult het misschien niet geloven, maar ik wist dat de bomen zich die dag ellendig voelden en de bergen die San Luis omsingelen troosteloos waren.
Het meisje en Diego stonden in de grootste straat van die kleine stad, boeren op ezels reden langs en hadden niets in de gaten. Toen Diego begon te lopen en huilde zonder zijn tranen aan iemand te laten zien draaide de grijze wind zich om en woei weg van San Luis. San Luis moest het voortaan doen zonder de wind en zonder Diego, die naar zijn dorp vertrok.
Maar noch de stad noch het meisje kon het zich permitteren om zich te bekommeren om Diego. Het was de eerste sieradenwinkel die de stad en het meisje bezighield. Een sieradenwinkel waar niet alleen sieraden te koop waren, maar ook prachtige kousen uit Mexico, ivoren kammen uit Afrika, schoenen met ronde hakken uit Europa, satijnen onderbroeken uit Amerika en zijden sjaals uit ik weet niet meer waar vandaan. Niet alleen dat meisje snelde naar deze winkel, maar werkelijk de hele stad. Niet alleen zij vergat Diego, maar de hele stad.
Dat was de dag dat ik doorkreeg dat de wereld een andere was dan ik me had voorgesteld. Ik was net zo ontroostbaar als de bergen om me heen, beste jongen. Ik zag Diego lopen in de verte. Zelfs zijn rug was krom geworden door de nederlaag. De wereld waarin hij leefde had hem verstoten.
Het meisje zag ik al rondkijken naar een toekomstige echtgenoot die wel dingen uit die winkel kon kopen voor haar. Ik werd misselijk en vloog weg. Op de grond zag ik de ring van zink die Diego had gemaakt, pikte hem op en volgde Diego. Toen hij de volgende dag aankwam in zijn dorp stond ik op zijn schouder, met die ring in mijn snavel. Hij vond het best, die Diego. Diego was verslagen, ik ook, maar we wisten dat geen enkel verdriet eeuwig standhield.