THEODORE DALRYMPLE OVER DE KREDIETCRISIS

‘De rekening is gekomen’

Economie staat niet los van menselijk gedrag. Theodore Dalrymple analyseert de huidige financiële waanzin vanuit de rol van ideeën: de kredietcrisis laat zien dat een groot deel van de bevolking een deugd als behoedzaamheid is kwijtgeraakt.

VAN de PVDA tot de VVD, van NRC Handelsblad tot het voormalige Opinio, iedereen loopt met hem weg. Theodore Dalrymple (pseudoniem van Anthony Daniels) heeft grote invloed op het Nederlandse denkklimaat. De vraag is: waarom? Zijn werk is een vrij vernietigende, maar wel geestig opgeschreven kritiek op zo’n beetje alles waar Nederland zich decennialang ‘gidsland’ in waande: de verzorgingsstaat, de vrije seksuele moraal, het gedoogbeleid, de milde straffen, het multiculturalisme en de afkeer van autoriteiten. Al deze progressieve verworvenheden worden door Dalrymple’s scherpe pen belachelijk gemaakt. Hij weet ook niet waarom een conservatief als hij zo’n warm onthaal krijgt – hij werd zelfs bij het ministerie van Justitie uitgenodigd om daar zijn verhaal te doen.
Natuurlijk krijgt hij ook kritiek. Zelf verwijt hij bijvoorbeeld de linkse intellectuelen dat de vrijheid-blijheid-gedachte catastrofaal is geweest voor het ‘leven aan de onderkant’ van de maatschappij. Zo zou het ideaal van de seksuele vrijheid geleid hebben tot een explosieve toename aan gebroken relaties, alleenstaande moeders, huiselijk geweld en verwaarloosde kinderen. Wat Dalrymple nu op zijn beurt verweten wordt, is dat zijn theorieën leiden tot een harde en harteloze samenleving, waarin de ‘winners’ zich niets meer van de ‘losers’ aantrekken. De nadruk die hij in zijn werk zou leggen op eigen verantwoordelijkheid zou niets anders zijn dan een ‘eigen schuld, dikke bult’- theorie.
Theodore Dalrymple: ‘Ik zeg niet dat je mensen aan de onderkant van de samenleving aan hun lot moet overlaten. Ik stel dat het niet volstaat om een zak geld naar hen toe te werpen. Dat is een vorm van desinteresse. Ik ben voor goed onderwijs in arme wijken, maar helaas is de kwaliteit van het onderwijs sterk achteruitgegaan door allerlei kostbare onderwijsvernieuwingen van de afgelopen jaren.’
Dalrymple is in Nederland vanwege de verschijning van de vertaling van zijn boek In Praise of Prejudice, vertaald als Leve het vooroordeel. Dat is ook weer zo’n schop tegen het zere been van het oude Nederland. Want als íets dat oude Nederland typeerde, dan was het wel onze ruimdenkendheid en onze hardnekkige weigering ons over te geven aan uit het verleden geërfde vooroordelen. De jaren zestig sloegen hier in als een bom. De moraal, de opvoeding, het onderwijs, de traditionele omgangsvormen en gezagsverhoudingen, alles moest anders. Maar het nieuwe is slechts zelden goed, aldus Dalrymple: ‘Wij hebben sinds Descartes een enorm vooroordeel tegen vooroordelen, oordelen die wij hebben overgenomen van anderen, en waar wij zelf nauwelijks over nagedacht hebben. Maar de gedachte dat wij alle vooroordelen zouden kunnen uitroeien is een misvatting.’
Een voorbeeld van de onmogelijkheid om ons van alle vooroordelen te ontdoen, is het vooroordeel tegen vooroordelen zelf. Dalrymple ontdekt in zijn betoog moderne vooroordelen die de oude vooroordelen zijn komen vervangen en die in de meeste gevallen geen verbetering hebben gebracht: het vooroordeel bijvoorbeeld dat onconventionaliteit een deugd is, een vooroordeel waar de moderne kunst door bevangen is. ‘Het is heel onconventioneel als iemand baby’s roostert voor zijn ontbijt, maar daarmee is het nog geen deugd.’
Het is niet alleen onmogelijk om van alle vooroordelen af te komen, het is ook onwenselijk. Descartes twijfelde aan alle kennis die hij van anderen op gezag had aangenomen, omdat hij een punt van onbetwijfelbare zekerheid zocht. Vandaag de dag waant vrijwel iedereen zich een Descartes. Maar deze ‘cartesianen’ twijfelen niet om tot zekerheid te komen, maar juist omdat zij geen enkele zekerheid willen hebben. Absolute onzekerheid op het gebied van morele verplichtingen en elementaire fatsoensregels geeft het individu namelijk de ruimte om te doen wat het wil, zonder daarbij rekening te hoeven houden met wie dan ook. Wie dan ‘normen en waarden’ roept, houdt eigenlijk een pleidooi voor vooroordelen in de trant van ‘zo doen wij dat nu eenmaal’ en ‘doe even normaal’.
Dalrymple: ‘Het is namelijk heel moeilijk om iemand met een cartesiaanse redenering, die vertrekt vanuit een punt van onbetwijfelbare zekerheid en verder geheel opgebouwd is uit dwingende redeneerschema’s en keiharde feiten, uit te leggen dat hij zijn voeten van de bank van de trein moet halen.’

Dalrymple is een ongelooflijk productief schrijver. Het afgelopen jaar schreef hij vier boeken, ‘boekjes’, zegt hij zelf: een essay over de gevolgen van onze sentimentaliteit, een betoog over de diepere betekenis van vuil op straat, een literaire verhalenbundel en een satirische schets van het leven van een hypochonder. Daarnaast kwam dit jaar ook een Engelstalige bundel uit met essays die hij al eerder schreef. Dalrymple, die samen met zijn vrouw in Frankrijk woont, staat ’s ochtends vroeg op om aan zijn schrijversarbeid te beginnen. ‘Ik schrijf alles in één keer op.’
De centrale filosofische vraag in al zijn werk luidt: hoe menselijk gedrag te begrijpen? Marxisten antwoorden dan: ‘Door naar de sociaal-economische omstandigheden te kijken.’ Moderne wetenschappers antwoorden: ‘Door naar de genen en de hersenen te kijken.’ Maar volgens Dalrymple kun je menselijk gedrag het best begrijpen door te kijken naar de opvattingen en ideeën die mensen erop nahouden.
‘Dat ideeën consequenties hebben, ontdekte ik door mijn werk als psychiater. Door de gesprekken die ik voerde met honderden gedetineerden, met de daders en met de slachtoffers van geweld en seksueel misbruik, merkte ik dat deze mensen meestal geen psychiatrische aandoeningen hadden. De reden dat zij zo’n miserabel bestaan leidden, had niets te maken met ziektes of geestelijke afwijkingen, maar alles met de ideeën die zij hadden. Ideeën als: “Ik moet doen wat op dit moment goed voelt”, of: “Ik ben het slachtoffer van het systeem”. Deze ideeën zorgden ervoor dat zij steeds opnieuw in de problemen raakten, en zorgden er ook voor dat zij ook niet in staat waren hun leven te veranderen.’
Zijn kritiek betreft niet zozeer de onderklasse als wel de intellectuele elite die de slechte ideeën heeft verspreid. ‘Ideeën en opvattingen’, zo schrijft Dalrymple in Leve het vooroordeel, ‘doordringen de samenleving zoals een kristal kaliumpermanganaat oplost in een beker water en uiteindelijk al dat water kleurt.’
De economie staat niet los van menselijk gedrag. Daarom kun je ook de kredietcrisis volgens Dalrymple goed begrijpen door te kijken naar de rol van ideeën: ‘Neem het gedachtegoed achter de Community Reinvestment Act die in 1977 is aangenomen onder president Carter en die in 1995 verder verruimd is onder president Clinton. Voordat deze wet werd aangenomen, leenden banken geld uit aan mensen die al wat geld hadden, hetgeen niet al te verwonderlijk is. Het is immers voor een bank niet zo heel verstandig om geld uit te lenen aan mensen die het niet terug kunnen betalen. Amerikaanse banken pasten bij zwarten, blanken en hispanics allemaal dit criterium toe. Maar dat betekende dat zwarten en hispanics, omdat zij over het algemeen minder geld hebben dan blanken, over het geheel genomen minder konden lenen dan blanken. Dit werd niet uitgelegd als een uiting van verstandig financieel beleid van de banken, maar als een uiting van racisme. Dus werden de banken gedwongen om geld uit te lenen aan mensen die eigenlijk niet in staat waren om het terug te betalen. Nu weet ik niet of dat voldoende is om de huidige crisis te verklaren. Maar in zoverre de crisis er wél door wordt verklaard, toont het niet het falen van de vrije markt, maar het falen van staatsinterventie in de economie.
De Community Reinvestment Act zadelde de banken op met een probleem: zij moesten leningen verstrekken aan mensen die deze leningen niet kunnen terugbetalen. Maar voor dit probleem werd een oplossing bedacht. Zolang de huizenmarkt stijgt, is er geen probleem, want dan heb je een middel om in de toekomst de schuld terug te betalen: het huis is dan een stuk meer waard geworden, en door op de verkoop van je huis weer een voorschot te nemen, zou je weer een deel van je schuld terug kunnen betalen. En zolang je mensen hypotheken blijft geven zodat ze huizen kunnen kopen, blijft de huizenmarkt stijgen. In feite ontstond zo een gigantisch piramidespel.’
Dalrymple is het niet eens met het beeld dat de arme slachtoffers op Main Street wonen, en de hebzuchtige schurken op Wall Street: ‘Zoals wijlen maarschalk Mobutu Sese Seko al opmerkte: “Er zijn er twee nodig om corrupt te zijn.” De banken kunnen mensen niet dwingen om geld te lenen. Niemand is het mes op de keel gezet: “Leen geld of anders…” Deze crisis roept daarom ook vragen op over de mensen die zo veel geld geleend hebben. Het is naar mijn idee namelijk niet heel ingewikkeld om te bedenken dat als je geld van iemand leent je dat geld ook weer moet terugbetalen. In Engeland werd mij zelf ook aangeboden om 35.000 euro te lenen. Eén telefoontje was alles wat ik hoefde te doen om het bedrag te krijgen. Er werd bij gezegd dat ik het misschien nodig had voor “een speciale gelegenheid”, zoals “de vakantie van mijn leven”. En dan vraag ik mij af: wat voor mens leent 35.000 euro voor een vakantie?
Wat de crisis dan ook laat zien, is dat een groot deel van de bevolking een deugd als behoedzaamheid is kwijtgeraakt. Dat verlies aan deugden zie je natuurlijk ook aan de top van het bedrijfsleven. Ik vind het toch opmerkelijk als de top van Lehman Brothers een bonus krijgt van miljarden dollars, op het moment dat diezelfde top een 150 jaar oud bedrijf naar de verdoemenis heeft geholpen. Ik heb in Amerika en Engeland al heel lang over dit onderwerp gepraat: dat ons economisch succes voor een groot deel gebaseerd is op een illusie, namelijk gefundeerd op leningen uit het buitenland. Iedereen kan een tijdlang goed leven door geld te lenen. Je kunt elke dag champagne drinken. Maar vroeg of laat zul je de rekening gepresenteerd krijgen. Dat is wat er is gebeurd: de rekening is gekomen.’
Wat leren we hiervan? Niets, aldus Dalrymple: ‘Over tien jaar zullen we deze crisis weer vergeten zijn. Wat een ieder over dit onderwerp zou moeten lezen is een boek uit 1841: Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds van John Mackay. Daarin beschrijft Mackay het terugkerende fenomeen van de financiële waanzin. Zoals bijvoorbeeld de South Sea Company bubble van de achttiende eeuw en de tulpenwaanzin van de zeventiende eeuw, toen bepaalde tulpensoorten de duurste objecten ter wereld werden. Niemand heeft daarvan geleerd. En nu zal weer niemand ervan leren. Het belangrijkste moderne vooroordeel luidt immers dat er van het verleden niets te leren valt. En zo zal over een aantal jaren weer iemand beweren dat er nu een tijdperk van eeuwige economische groei is aangebroken, en weer zullen wij hem geloven.’