De rel rond Jeroen Dijsselbloem en waarom Nederlanders zo bot zijn

Jeroen Dijsselbloem wekte de toorn in Zuid-Europese landen met zijn opmerking dat je niet eerst je geld aan ‘drank en vrouwen’ op kan maken om daarna voor financiële steun je hand ophouden. Is hier echt, zoals hij zelf zegt, sprake van calvinistische directheid? Een kleine cultuurgeschiedenis van de Nederlandse botheid.

Noordelijke begrotingsdiscipline versus zuidelijke spilzucht: al vanaf het begin van de Eurocrisis duiken deze grofmazige stereotypes op. Meest recente voorbeeld is Jeroen Dijsselbloem, die in de Frankfurter Allgemeine Zeitung stelde dat je niet eerst je geld aan ‘drank en vrouwen’ op kan maken om daarna bij het Europees noodfonds voor financiële steun de hand ophouden. Dijsselbloem weigerde voor die opmerking excuses aan te bieden. Hij beriep zich op zijn nationale identiteit: ‘Ik betreur dat aanstoot is genomen aan mijn opmerking die voortkomt uit een streng Calvinistische cultuur en Nederlandse directheid.’

Medium 1anp 50474076
Minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën tijdens het algemeen overleg in de Tweede Kamer over de Eurogroep. © ANP/BART MAAT

Dijsselbloems stereotypen brengen evident grote diplomatieke schade aan bij de verhoudingen met zuidelijk Europa. Tegelijkertijd zijn ze in de Nederlandse context zeer effectief. De minister van Financiën was alleen maar zichzelf geweest, ‘normaal’ (applaus van Rutte), een ongefilterde Nederlander (gejuich bij Buma en Baudet). Zelfs columnisten als Bert Wagendorp vonden dat er verzachtende contexten waren voor Dijsselbloems woorden. Toch was hier veel meer aan de hand dan een zoveelste rondje Wie Is De Beste Vaderlander. Immers: via de gemeenplaats over de ‘Calvinistische cultuur’ wordt de positie van de noordelijke landen - Nederland voorop - plotseling geen kwestie meer van politieke overtuiging, maar een zaak van gezond verstand, van iets wat vanzelf spreekt en dus buiten kijf staat. Bezuinigen lijkt dan geen politieke keuze meer, maar ‘gewoon’ een kwestie van verstandig boekhouden.

Niet toevallig is ‘het huishoudboekje op orde hebben’ al jaren een gevleugelde term onder Nederlandse ministers van financiën. Hoe diep die metafoor van het huishoudboekje verankerd is in de Nederlandse politieke verbeelding blijkt ook uit de overheidspagina voor Prinsjesdag: daar wordt de nationale begroting al jarenlang gepresenteerd onder de vlag van ‘het huishoudboekje van Nederland’.

Dit nationale zelfbeeld, dat draait om verbale directheid en verstandig boekhouden, leunt op het eerste oog op principes waar je moeilijk tegen kunt zijn. Wie immers vindt het een goed idee om geld over de balk te smijten, of om met meel in de mond te spreken? Punt is echter dat ogenschijnlijk zo neutrale en algemene principes als ‘directheid’ en ‘goed boekhouden’ in verleden en heden op een allerminst neutrale manier zijn ingezet. Precies deze waarden zijn gebruikt om een Nederlandse zelfbeeld te creëren waarin, op een nogal heimelijke manier, een superioriteitsdenken verstopt zit.

Dat wordt duidelijk als we naar de postkoloniale context kijken: daar duikt deze problematische economische wij-zij tegenstelling ook op. Nederlandse politici stellen zichzelf graag op als vertegenwoordigers van een financieel degelijk land tegenover de Caraïbische gebiedsdelen die als verspillers, geldverslinders of ietsjes subtieler als economisch onvolwassen worden weggezet. Bekend zijn de grove belediging van oud PVV-er Brinkman die de Antillen ‘op marktplaats’ wilde zetten omdat het een ‘corrupt boevennest’ zou zijn. Minder boud, maar evengoed denigrerend: Rutte liet in 2013 in een toespraak op het Caraïbische eiland Sint Eustatius weten dat hij de plaatselijke economie wil stimuleren maar dat hij niet met een ‘toverstaf’ of ‘blanco cheque’ is gekomen (‘want zo werkt het niet’). Bot en beledigend? Rutte zal ongetwijfeld vinden dat hij zonder omhaal gezegd heeft waar het op staat.

Het Nederlandse zelfbeeld heeft grote consequenties: wie anders is, is niet ‘normaal’ en moet dus niet verwachten als evenwaardige gesprekspartner te gelden. Deze houding tegenover zowel zuidelijk Europa als de voormalige koloniale gebiedsdelen heeft diepe wortels in de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Waar komt die Nederlandse botheid vandaan? We kunnen twee sporen volgen: een cultureel en een economisch, die ten slotte met elkaar vervlochten raken. Om met het culturele spoor te beginnen: René van Stipriaan legt in Lof der Botheid uit dat Erasmus in Auris Batavia (1508) de burgerlijke Hollanders typeerde als simpele luiden die de nuances van de hoffelijke cultuur niet kenden en begrepen. Ze hadden een ‘bataafs oor’ dat niet bij machte was ‘nuances of dubbelzinnigheden waar te nemen’. Lompheid zou dan voortkomen uit een gebrek aan beschaving, veroorzaakt door een al te boerse afkomst. Volgen we de lijn van Erasmus, dan is de Nederlandse directe manier van spreken dus een gevolg van culturele doofheid: subtiliteiten die je niet waarneemt bij een ander, kun je ook niet in je eigen manier van spreken leggen.

Deze culturele tekortkoming werd in economische context echter al snel als een deugd gezien. Wie geen ijdele beloftes doet en ook zijn geld niet verspilt aan ijdele genoegens, maar mondelinge en schriftelijke afspraken met harde munt waar kan maken, wordt een betrouwbare handelspartner met een kredietwaardige reputatie. Een koopman uit de relatief kleine Republiek deed er dus goed aan om niet de grand seigneur uit te hangen, maar gewoon straight te zijn over de reële situatie. Ongenuanceerd misschien, maar wel betrouwbaar.

Bovendien: leken al die hoffelijke gebruiken niet op elkaar? In het achttiende-eeuwse cultuurkritische denken werd authenticiteit een nieuwe toetssteen. Het was veel beter om eenvoudig maar authentiek te zijn, dan om een hoffelijkheid na te apen die niet eigen was. Volgens die lijn verdedigde Justus van Effen in zijn Hollandse Spectator (1731) Hollandse directheid, die volgens hem geen botheid is, maar het gevolg van een prijzenswaardige authentieke Hollandse eenvoud. Al gaat het hier om cultuur, ook bij Van Effen is de economische logica niet ver weg: hij betoogt dat het geven van complimenten te vergelijken valt met iemand betalen met een ‘valse munt’. Daar koop je uiteindelijk niets voor.

In de loop van de achttiende-eeuwse Republiek stapelden de economische crises en tegenslagen zich op. Die economische achteruitgang werd direct verklaard door een verlies aan die ‘ouderwetse vaderlandse oprechtheid’ - door invloed van buitenaf was de Nederlander zichzelf niet meer, zichzelf kwijtgeraakt. Hollandse koopmannen aten geen haring met ui meer maar kwartels, hun vrouwen kleedden zich volgens de laatste mode, en ondertussen was iedereen in namaak-Frans elkaar aan het complimenteren. Een terugkeer naar de vaderlandse deugden zou het land kunnen redden, zo werd gedacht. De restauratie van patriottistische deugden werd dus beschouwd als een panacee voor economische kwalen.

Zeker aan het einde van de achttiende eeuw werd deze patriottistische visie in de literatuur volop uitgedragen. In Wolff en Dekens briefroman Sara Burgerhart (1782) merkt de in Parijs gestationeerde maar oer-Hollandse handelaar Abraham Blankaart op dat je van de Fransen ‘zakken vol complimenten’ kan krijgen, maar geen ‘geld’. Zelf doet hij niet aan complimenten: hij schrijft al zijn brieven recht van de lever. Te midden van de wufte Fransen heeft hij dus zijn typisch Hollandse eenvoud en ‘rondheid’ behouden. De aloude noord-zuid tegenstelling van vandaag de dag zien we hier duidelijk terug.

Tegenvoeter van Blankaart is Pieter Spilgoed, ‘een schatrijke jonge Oost-Indische Heer’ (met Oost-Indisch werd hier bedoeld, iemand van een Javaanse moeder en Nederlandse vader). Vanwege zijn ‘wellustige Asiatische karakter’ deelt Spilgoed niet alleen met zijn eigen vrouw, maar ook met de huishoudster en andere maîtresses het bed. Daarnaast blijkt hij ernstig gokverslaafd te zijn, en zo verdwijnt het geld als sneeuw voor de zon: ‘Het spel, en de roofzucht van verscheidene maîtressjes, deden het oostindisch geld als in een grondeloze kolk wegzinken.’

Niet toevallig dus werden ook de koloniën afgeschilderd als gebieden die de vaderlandse authentieke degelijkheid dreigen te ondermijnen. Daarmee werd vaardig verdrongen dat in realiteit het bezit en behoud van de koloniën cruciaal was voor het behoud van een politiek-economische machtspositie. Die verdringing was breed verspreid; het wemelt in de literatuur van koloniale personages die in hun onbetrouwbaarheid verglijkbaar zijn met Spilgoed. Zo werd dus niet alleen ten opzichte van de Franse cultuur, maar ook ten opzichte van invloed vanuit de koloniën een imaginaire grens opgetrokken. In het negentiende-eeuws nationalisme werden deze ideeën vervolgens uitgebouwd tot een heel repertoire aan beelden over typisch Nederlandse ‘eenvoud’, ‘degelijkheid’ en dus ook (monetaire) betrouwbaarheid.

Als er vandaag gesproken wordt van Nederlandse directheid, dan gebeurt dat vaak zonder een actieve herinnering aan het koloniale verleden. De aloude tegenstelling Abraham Blankaart versus Pieter Spilgoed is echter hardnekkig aanwezig in de postkoloniale verhoudingen, misschien wel des te sterker omdat de Nederlanders zich niet bewust (willen) zijn van de historische context.

De manier waarop Nederlanders blind zijn voor de doorwerking van het koloniale verleden in hun eigen attitude, wordt krachtig geïllustreerd in de documentaire Curaçao (2011) van Sarah Vos en Sander Snoep. Daarin volgen we de lotgevallen van een aantal witte, Nederlandse leidinggevenden van een Albert Heijn-filiaal op Curaçao. In het kantoortje hangen ze tekstbordjes met de drie ‘kernwaarden’ van de supermarktketen: ‘vertrouwen, doelgericht en eerlijk.’ We zien hoe de Nederlanders deze slogans niet als corporate bullshit plichtmatig afhandelen, maar zich in alle ernst en in hoge mate identificeren met deze waarden.

Typisch is dat ze niet handelen vanuit een expliciet verwoord superioriteitsgevoel, maar dat hun gehele opstelling wel resulteert in een houding waarin de Nederlandse normen worden ervaren als de enige juiste. Als vanzelfsprekend normaal. Ze zouden graag zien dat zwarte Antilliaanse werknemers doorgroeien naar leidinggevende functies, maar precies op het punt van die ‘eerlijkheid’ stuiten zij op grote culturele verschillen. De Hollandse eerlijkheid wordt op Curaçao ervaren als kwetsende botheid en brutaliteit. Omgekeerd voelen de Nederlanders zich ongemakkelijk bij de lokale beleefdheidscultuur (zo wordt er begroet met een slappe hand en door iemand niet in de ogen aan te kijken) waarvan de fijnere mechanieken volstrekt niet begrepen laat staan gewaardeerd worden.

Typerend: het Curaçaose personeel moet deelnemen aan een betuttelend coachingstraject waarin hen geleerd wordt wat de Nederlandse manier van begroeten is. Nu winkelen in de Albert Heijn op Curaçao ook bijna uitsluitend Nederlandse toeristen, maar dat deze vakantievierende Hollanders zich zouden kunnen aanpassen aan de lokale gebruiken komt bij de AH-leiding niet op. Het zou direct economische consequenties hebben, want de kassa rinkelt precies omdat de Hollanders in de supermarkt zo lekker vertrouwd een stukje Nederland vinden op het eiland. Economie gaat boven historische bewustwording.

Joceline Clemencia (taalkundige en directeur van het Cultural Institute Independence) komt in de documentaire aan de Albert Heijn-chefs de lokale culturele context toelichten.

De wijze van begroeting heeft alles te maken met het slavernijverleden, zegt ze. Het schoolsysteem is nog altijd gebaseerd op principes uit de koloniale tijd. Wie toen de witte onderwijzer in de ogen keek, kon vanwege ‘brutaliteit’ rekenen op fysieke mishandeling. Die tijden zijn verdwenen, maar Clemencia legt uit dat Nederland nog altijd de norm is, dat het hebben van een lichte huidskleur nog altijd hoger wordt aangeslagen dan een donkere, zoals ook de Nederlandse taal hoger wordt aangeslagen dan het Papiaments. Wie in deze structuur van geïnternaliseerde machtsongelijkheid opgroeit, kán niet zomaar ‘eerlijk’ zijn ambitie uitspreken en frank en vrij doorstomen naar een leidinggevende positie.

In de documentaire wordt duidelijk gemaakt dat de dominante aanwezigheid van Nederlandse multinationals als Shell ook wortelen in de koloniale tijd en dat in economisch opzicht de macht dus nog altijd bij Nederland ligt. De Albert Heijn-staf stuit met andere woorden op de taaiheid waarmee historisch gevormde machtsstructuren gereproduceerd worden – en deze blijkt niet eenvoudig met enkele welwillende bordjes op de muur te bestrijden. Het gaat er bij de Nederlanders nauwelijks in. De filiaalchef roept vertwijfeld uit: ‘Jongens, hou er over op, die slavernij is zo lang geleden. Het hoeft echt niet. Doe eens normaal!’

En zo is het Nederlandse zelfbeeld een self-fulfilling prophecy. Want of Nederlanders nu al sinds de Bataven écht zo direct (dan wel bot) zijn als het nationale cliché veronderstelt: duidelijk is dat Nederlanders zich tot op vandaag sterk met de notie eerlijkheid identificeren. Veel ruimte voor een kritisch perspectief van buiten is er daarbij niet, laat staan voor een gelijkwaardig gesprek.

De eigen directheid wordt niet begrepen als een product van beladen historische verhoudingen en van blijvende politieke machtsongelijkheid, maar als normaal. Dat gebeurt bij Dijsselbloem net zo goed als bij de AH-filiaalchef. Omdat Nederland inderdaad een economisch welvarend land is, blijft de gedachte hardnekkig overeind dat dat succes een eigen verdienste is, het resultaat van het talent om te midden van weelde lekker direct, gewoon en eenvoudig te blijven. En wie deze Nederlandse directheid niet helemaal als de hemel op aarde ervaart, die mag op een coachingstraject.


Saskia Pieterse is als universitair docent verbonden aan de Universiteit Utrecht