De relatie tussen seks en het krijgen van kinderen

Matthew Cobb
De ei- en spermarace: Hoe zeventiende-eeuwse geleerden de geheimen van seks, leven en groei ontraadselden
Uit het Engels vertaald door Meile Snijders
De Bezige Bij, 376 blz., € 23,50

In zijn voor kinderen geschreven Een kleine geschiedenis van de wereld opent kunsthistoricus E.H. Gombrich het hoofdstuk over de Renaissance als volgt: ‘Heb je je schoolschriften van vroeger bewaard, of andere oude spullen? Wanneer je erin bladert, zul je je erover verwonderen dat je in de korte tijd die sindsdien verstreken is, heel erg bent veranderd. Je verwondert je over wat je destijds hebt geschreven. Over de fouten die je maakte, maar ook over de goede dingen. En je hebt helemaal niet gemerkt dat je zo aan het veranderen was.’ Volgens Gombrich gaat dat in de geschiedenis net zo. Aanvankelijk merken mensen nauwelijks dat ze andere inzichten krijgen. Maar plotseling beseffen ze het, ‘net als jij als je in je oude schriften bladert. En zijn ze trots en zeggen ze: “Wij zijn de nieuwe tijd.” En dikwijls voegen ze daaraan toe: “Vroeger waren de mensen dom!”’

Op heel toegankelijke wijze vraagt Gombrich hier aandacht voor het moeilijk grijpbare fenomeen van het ‘historisch besef’. Wie met ongetrainde blik naar het verleden kijkt, verbaast zich slechts over een wereld die zo van de onze verschilt, over gebruiken en opvattingen die zo vreemd en onlogisch lijken. En inderdaad, sommige denkbeelden die vroeger gemeengoed waren zijn zo curieus dat je je moeilijk kunt voorstellen dat de mensen dat echt geloofd hebben. Het kost dan moeite om niet te denken dat de mensen vroeger een stuk dommer waren.

Heel sterk geldt dit voor de ideeën die in vroeger eeuwen leefden over de natuur. En dan doel ik nog niet eens zozeer op het hardnekkige geloof in het bestaan van eenhoorns, omdat dat immers berustte op een vertaalfout in de bijbel, of op het idee dat de zon om de aarde draaide, want we kunnen de zon elke dag zien ‘opkomen’ en ‘ondergaan’. Omdat niets zo dicht bij ons staat als een elementair gegeven als de voortplanting, is het moeilijk voor te stellen dat dit zo lang met raadsels en krankjoreme fantasieën is omgeven.

Dat er een relatie bestond tussen seks en het krijgen van kinderen, dat had men wel door, maar wat er zich precies afspeelde, daarover deden de merkwaardigste verhalen de ronde. Dat gold trouwens ook voor voortplanting in het algemeen. Heel lang ging men ervan uit dat er zoiets bestond als ‘spontane generatie’. Nog geen vierhonderd jaar geleden keken zelfs de meest geleerde medici niet vreemd op van het recept voor muizen dat de Vlaamse alchemist Jean-Baptiste van Helmont optekende. Voor het kweken van muizen hoefde je slechts een vuil hemd en wat graankorrels in een pot te doen: ‘Het gist dat uit het overhemd wordt getrokken en is veranderd door de geur van het in het kaf vastgekoekte graan, transformeert binnen drie weken in muizen.’ In 1661 experimenteerden leden van de Engelse Royal Society – een van de eerste wetenschappelijke instituten ter wereld – met het maken van adders, waarvoor men gedroogde longen en levers van deze dieren gebruikte. Van insecten werd aangenomen dat ze spontaan ontstonden uit rottend afval.

Voor dit soort theorieën baseerde men zich op denkers uit de Oudheid. In de vijfde eeuw voor Christus stelde Hippocrates dat de voortplanting het resultaat was van de vermenging van twee soorten zaad, het mannelijke ejaculaat en het vrouwelijke menstruatiebloed. Een eeuw later kwam Aristoteles met een andere theorie, waarbij het aandeel van de vrouw veel minder groot was dan dat van de man. In feite leverde de vrouw slechts de voedingsbodem waarin het mannelijk zaad kon ontkiemen. Overigens maakte Aristoteles ook een onderscheid tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ dieren, waarbij de laatste categorie, waartoe insecten behoorden, zich vermenigvuldigde door middel van spontane generatie. In de tweede eeuw na Christus onderschreef de Grieks-Romeinse Galenus de ‘twee zaden-theorie’ van Hippocrates, zij het dat het vrouwelijke zaad volgens hem niet bestond uit menstruatiebloed maar uit een andere vloeistof, die vrijkwam tijdens het vrouwelijke orgasme.

Eeuwenlang domineerden deze ideeën het denken over de voortplanting, waarbij de meeste energie nog ging zitten in de pogingen de theorieën van die antieke heidenen in overeenstemming met de christelijke leer te brengen. Het waren alchemisten als Paracelsus die in de zestiende eeuw tot de conclusie kwamen dat je met dergelijke boekenwijsheid niet verder kwam en dat kennis alleen voortkwam uit proefondervindelijk onderzoek. In werkelijkheid kwam er van die experimenten niet veel terecht, want Paracelsus’ beschrijving van de manier waarop je een mens kunt kweken, kan onmogelijk gebaseerd zijn op een geslaagde laboratoriumtest. Hij beweerde immers dat je wanneer je mannelijk zaad vier weken in een warme, verzegelde pot liet rotten, je een homunculus of miniatuurmensje kreeg. Wanneer je dat vervolgens veertig weken voedt met mensenbloed, heb je ‘een echt, levend kind (…), dat de ledematen heeft van een kind dat uit een vrouw is geboren, maar dan een stuk kleiner.’

Serieus wetenschappelijk onderzoek naar de voortplanting kwam pas in de zeventiende eeuw op gang. In De ei- en spermarace beschrijft de Britse bioloog Matthew Cobb op levendige wijze hoe medici in die tijd onderzoek deden en welke, soms uiterst merkwaardige, conclusies ze uit hun ontledingen en experimenten trokken. Hoewel hij in veel opzichten nog schatplichtig was aan Aristoteles, was de Engelse arts William Harvey de eerste die zijn verklaringen louter baseerde op wat hij waarnam. Harvey, die als eerste de bloedsomloop in kaart had gebracht, kwam tot de conclusie dat alle levende wezens voortkwamen uit een ei. Op de titelpagina van zijn Exercitationes de generatione animalium stond het heel kernachtig: Ex ove omnia (Alles uit het ei).

Deze theorie werd door de meeste geleerden aanvaard, maar daarmee was het raadsel van de voortplanting nog lang niet opgelost. Cobb besteedt veel aandacht aan drie mannen die min of meer gelijktijdig in Leiden studeerden en enige tijd ook bevriend met elkaar waren: de Deen Niels Stensen (bekender onder zijn gelatiniseerde naam Steno), Jan Swammerdam en Reinier de Graaf. Cobbs verslag van hun onderzoeken, waaronder gruwelijke experimenten met levende honden, en hun onderlinge wedijver en ruzies, leest als een jongensboek. Boeiend is ook zijn beschrijving van de bemoeienissen van wetenschappelijke instituten in Londen en Parijs met deze zoektocht, en de verbijsterende ontdekkingen van de lakenhandelaar en amateur-geleerde Antoni van Leeuwenhoek, die als eerste menselijk sperma onder de microscoop legde en daarin gigantische hoeveelheden ‘kiemdiertjes’ ontwaarde.

Dat dergelijk onderzoek sterk indruiste tegen religieuze denkbeelden en maatschappelijke conventies, en dus vroeg om een forse dosis moed en vindingrijkheid, blijkt bijvoorbeeld uit Van Leeuwenhoeks mededeling dat hij dat sperma ‘niet door zondige handelingen mijnerzijds’ had verkregen, maar dat het ging om ‘de overtolligheid die de natuur me bij mijn huwelijkse betrekkingen heeft toebedeeld’. De arme mevrouw Van Leeuwenhoek moest blijkbaar accepteren dat haar man onmiddellijk na ‘de daad’ naar zijn microscoop holde om daar de wetenschap weer eens fijn een stukje op weg te helpen.

Wie nu denkt dat na de ontdekking van de mannelijke zaadcellen het raadsel van de voortplanting was opgelost, vergist zich. Twee eeuwen lang zou de medische wetenschap verdeeld blijven over de vraag waar het nieuwe leven nu uit voortkwam – uit de vrouwelijke eicel of de mannelijke zaadcel. Tot ongeveer 1850 stonden ‘ovisten’ en ‘spermisten’ onverzoenlijk tegenover elkaar. Wanneer je nagaat dat Hippocrates al vermoedde dat het om een combinatie van twee ‘zaden’ ging, lijkt het ongelooflijk dom van die zeventiende- en achttiende-eeuwers dat ze niet op het voor de hand liggende idee kwamen dat ei- én zaadcel samen het wonder van de voortplanting bewerkstelligden.

Cobb wijst erop dat juist dit niet zo’n snuggere conclusie is. Onze blik is nu eenmaal minder onbevangen dan we veronderstellen, wat we waarnemen hangt in hoge mate af van ons totale denkkader. In de zeventiende eeuw werd de natuur in toenemende mate gezien als een immense, onvoorstelbaar ingewikkelde machine, die door God in elkaar was gezet. Dit mechanische wereldbeeld was heel behulpzaam bij het ontdekken van biologische fenomenen die ook een enigszins mechanisch karakter hadden. Zo bestudeerde Harvey met succes de bloedsomloop en deed Steno belangrijk onderzoek naar de werking van spieren. Maar dit betekende tegelijkertijd dat er grenzen waren aan wat met behulp van dit mechanistische model verklaard kon worden.

Omdat men dacht dat organismen een soort klokken waren, moest men zich in het geval van de voortplanting voorstellen dat deze klokken zich in tweeën splitsten, waarna de twee halve klokken dan weer samenkwamen om een nieuwe klok te maken. Dit zou niet alleen een ingewikkeld proces zijn, maar hoe konden die halve klokken ‘weten’ waar welk stuk terecht moest komen? Cobb laat zien dat pas met het ontdekken van de celstructuur van organismen en het concept erfelijkheid een denkkader ontstond waarbinnen de voortplanting op de juiste wijze kon worden geïnterpreteerd.

Ook de moderne inzichten met betrekking tot erfelijkheid en genetica zijn het product van de technologische ontwikkeling. Begrippen als transmissie, informatie, programma en code zijn verbonden met het computertijdperk. Hiermee kunnen biologische fenomenen worden nagebootst en verklaard. We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat er iets wordt uitgevonden dat nog slimmer is dan de computer, maar waarschijnlijk zullen nieuwe, onvoorspelbare technologische ontwikkelingen ertoe leiden dat ons nageslacht met verwondering kijkt naar het primitieve geklooi met die antieke computers en naar de enigszins vertederende maar toch ook wel erg naïeve ideeën die rond het begin van de 21ste eeuw opgeld deden.