De jaren van militaire interventies

De religie van het internationale ingrijpen

De jaren negentig begonnen met het instorten van het «Rijk van het Kwaad». Ze eindigden met een Amerikaanse kruistocht tegen de nieuwe duivel, al-Qaeda. Tussendoor probeerden de Navo en de VN de wereld in toom te houden met humanitaire interventies. De geschiedenis van een internationaal fiasco.

Na het feest kwam de kater. Toen de euforie over de overwinning van de liberale democratie op het communisme eenmaal was weggeëbd, staken humanitaire tragedies hun duivelse kop op. Genocide in Rwanda, slachtingen in Joego slavië, warlords in Somalië, anarchie in Albanië, brute guerrilla in Kosovo en Tsjetsjenië, moord op Timor, nieuwe oorlogen in Afrika terwijl de meeste oude onverminderd voortgingen. In de jaren negentig werd een nieuwe term gemunt: «humanitaire interventie». Een contradictio in terminis: oorlogvoeren met als doel het lijden van burgers te verzachten.

«Het is één grote conceptuele rommel, dat ingrijpen. Er zijn maar twee echte humanitaire interventies geweest: Somalië en Kosovo. Je spreekt daar pas van als het ingrijpen werkelijk tot doel heeft een eind te maken aan een humanitaire tragedie. Vanuit die visie zijn ze beide mislukt. Andere operaties, geleid door de VN, zoals die in Kroatië en Bosnië, zijn vredesmissies.» Rob de Wijk, defensiespecialist en hoogleraar, werd bekend door de humanitaire interventie in Kosovo (1999). Nog vóór de Navo-bombardementen op Joegoslavië waarschuwde hij voor de bijeffecten. De Wijk: «In Kosovo werd de humanitaire tragedie alleen maar groter door de bombardementen. Dat kon je zien aankomen. Een humanitaire interventie dient om levens te sparen. Dat werkt alleen als de actie snel en beslissend wordt uitgevoerd. Je hebt het hier over regelrechte oorlogvoering met een humanitair doel. Humanitaire interventies hebben nooit gewerkt en zullen ook nooit werken. Oorlogvoering met een democratische coalitie kan nooit effectief zijn. Dat lukt alleen als er vitale belangen op het spel staan. Alleen dan zijn de deelnemende landen bereid offers te brengen. Een humanitaire ramp ver van de eigen grenzen wordt door de leiders niet gezien als een vitaal belang. Hoezeer men middels de publieke opinie ons ook anders wil doen geloven.»

Als er iets overhoop is gehaald in de jaren negentig, dan is het wel het internationale machtssysteem. Met de implosie van het sovjet imperium vanaf november 1989 verdween het meest heldere criterium dat men zich in de buitenlandse politiek kan wensen: Goed versus Kwaad. Breed aanvaard was de notie dat de wereld was verdeeld in twee machtsblokken, en dat het buiten houden van het vijandige blok zware offers waard was.

Met het uitbreken van de Joegoslavische oorlogen in 1992, toen Slovenië, Kroatië en later Bosnië hun onafhankelijkheid opeisten, begon de grote verwarring die zo kenmerkend was voor het begin van het decennium. Voor het eerst sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog werden in het hart van Europa burgers om redenen van afkomst en religie samengedreven in concentratiekampen, verkracht, standrechtelijk geëxecuteerd, gemarteld en verminkt.

De Europese Unie, gebukt onder de loden last van de Tweede Wereldoorlog («dat nooit meer!»), ging vanaf het begin van de Joegoslavische vijandelijkheden koortsachtig op zoek naar een manier om het bloedvergieten te stoppen. De erkenning van de Sloveense, de Kroatische en later de Bosnische onafhankelijkheid bleek Servië niet af te schrikken. Integendeel. Nog fanatieker dan voorheen werden materieel en troepen van het voormalige Joegoslavische Volksleger — «uitgeleend» aan Kroatische en Bosnische Serven — in de strijd geworpen. Ondanks talloze diplomatieke offensieven en de lancering van even zovele vredesplannen bleef de Balkan branden. Ook het uitstrooien van nauwelijks bewapende en aan wurgende mandaten gebonden VN-blauwhelmen kon het inferno niet temperen. De belegering van Sarajevo werd het symbool van de Europese schande, nog vermeerderd door de massamoord in Srebrenica, onder de ogen van het machteloze Dutchbat.

Langzaam maar zeker raakte de publieke opinie oververhit. Een pijnlijk dilemma voor de leiders. Want de erfenis van de Tweede Wereldoorlog noopte Europa aan de ene kant tot actie, maar deed haar anderzijds terugdeinzen voor het grootscheeps inzetten van militaire macht.

Russen noch Amerikanen voelden zich geroepen in te grijpen. «Tijd dat Europa de eigen boontjes dopt», was het ongeïnteresseerde Amerikaanse commentaar.

Dat was een klap in het gezicht. Nog in 1991 leek de wereld af te stevenen op een heldere, unipolaire ordening: de Verenigde Staten als enige supermacht zouden zorgen voor vrede, veiligheid en democratie op wereldschaal. Halverwege januari trok een internationale troepenmacht onder Amerikaanse leiding ten strijde tegen Saddam Hoessein. Het binnenvallen van Koeweit door eenheden van de Irakese dictator kon door de vrije wereld niet worden getolereerd, zo benadrukte de Amerikaanse president George H. Bush herhaaldelijk.

«Het gaat niet om olie», verkondigde Bush na de overwinning op Saddam Hoessein, «het gaat om waarden.» Dat was de essentie van wat hij in een opwelling «de Nieuwe Wereldorde» noemde. Het bleek een wereldorde zonder blauwdruk. In het Golfgebied ging het wel degelijk om olie — het smeermiddel van de wereldeconomie — en niemand kon dat de geallieerde coalitie kwalijk nemen. Zonder olie geen welvaart, geen vrede, geen «veiligheid». Maar slechts weinigen wilden dat weten, want in de gelukzalige roes die na de val van het communisme over het Westen was neergedaald, telden slechts ongearticuleerde noties van vrijheid en rechtvaardigheid. De materiële en strategische grondslagen van de regelrechte oorlog die door de Amerikanen en hun bondgenoten met toestemming van de Verenigde Naties in het Midden-Oosten werd uitgevochten, werden al te gemakkelijk onder het tapijt geveegd.

En zo werden de waarden van het Westen tot een welhaast religieus goed, uitmondend in mislukte humanitaire interventies. Nadat in Mogadishu achttien Amerikaanse soldaten waren gesneuveld, trok de internationale troepenmacht zich terug en liet net als voordien Somalië aan de honger en de warlords. In Joegoslavië werd het geprobeerd vanuit de lucht, met bombardementen. Eerst in 1995, maar de beslissing in de Bosnische oorlog werd pas geforceerd toen Kroaten en Bosnjakken met Amerikaanse militaire hulp een overwinning op de grond forceerden. In 1999 hanteerde de Navo, volledig voorbijgaand aan het internationaal recht, hetzelfde concept. In heel Joegoslavië werden doelen gebombardeerd — waaronder «strategische burgerdoelen»: wegen, een tv-studio, spoorlijnen, water- en elektriciteitscentrales — om het Albanese lijden een halt toe te roepen. Maar de etnische zuivering ging in een hogere versnelling, en toen de bombardementen stopten, wreekten Albanezen zich op Serven, waardoor opnieuw een etnische uittocht begon.

Rob de Wijk kenschetste nadien humanitaire interventie als «humanitair imperialisme» en kreeg de wind van voren. De Wijk: «Als je een vraagteken stelt bij humaniteit schieten mensen volledig in de stress. Er is een grote gevoeligheid voor het lijden van anderen. Dat is een zeer westers concept dat voortkomt uit ons christelijke perspectief. Er zit een enorme hoogmoed in de westerse suprematie. Er is een heilige overtuiging dat westerse waarden beter zijn dan andere. Wat de rest van de wereld denkt, wordt feitelijk genegeerd. Neem de interventie in Somalië. Die werd pas in gang gezet nadat president Clinton een verslag te lezen kreeg over de schrijnende situatie daar. Het was de beslissing van één man, met noodlottige gevolgen.»

Aan het einde van de jaren negentig zijn Europa en de Verenigde Staten op veiligheidsgebied van elkaar verwijderd geraakt. Het internationale terrorisme werd Amerika’s grootste prioriteit. En sinds de aanslagen van 11 september 2001 zijn Goed en Kwaad weer terug, zij het in andere gedaanten. De Wijk: «Als nationale belangen op het spel staan, wordt alles daaraan ondergeschikt. Voor de Amerikanen zijn humanitaire interventies en vredesoperaties nu niet van belang. Alles wordt geconcentreerd op de strijd tegen al-Qaeda. Wat mij betreft eindigen de jaren negentig in 1998, toen de VS zonder mandaat van de Verenigde Naties aanvallen uitvoerden op Soedan en Afghanistan. Toen pas gingen ze zich echt unilateraal gedragen.»

Nu het decennium van humanitaire interventie ten einde is, twijfelt De Wijk des te meer aan de effectiviteit van internationaal ingrijpen: «Interventie leidt vaak tot het bevriezen van het conflict. Wat gebeurt er als Bosnië en Kosovo geen internationale protectoraten meer zijn? In Rwanda en Sierra Leone stopten de oorlogen zonder ingrijpen van de internationale gemeenschap. Mijn stelling: vermoedelijk worden de problemen eerder opgelost als er geen oplossing van buitenaf wordt opgelegd. Hoe vervelend dat ook klinkt.»