De geest van ‘68 in de beklaagdenbank

De Renaissance van de Angst

Overal in het Westen staat de geest van 1968 in de beklaagdenbank. Zelfs in Nederland begint de Grote Restauratie steeds zichtbaarder te worden. De verliezen zijn niet te overzien.

Het verhaal van Bettina Röhl is van een Teutoonse noodlotsdramatiek die je eerder uit de tijd van Richard Wagner zou verwachten dan aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Röhl, een dochter van Ulrike Meinhof, ontpopt zich na een traumatische jeugd als een engel der wrake tegen alles wat zich in de roerige jaren zestig en zeventig in Duitsland als links-radicaal manifesteerde. De 38-jarige freelance journaliste voert een ware kruistocht, met hetzelfde compromisloze fanatisme als waarmee haar moeder in de jaren zestig en zeventig streed tegen de krachten in de Bondsrepubliek die in haar ogen een vervolg op het fascistische Duitsland waren. Alleen richt Bettina haar giftige pijlen niet op rechts Duitsland, maar juist op de oude achterban van haar dode moeder. Haar wraakzucht is obsessief. Zelfs de Springer-pers ziet ze als een handlanger van links-radicaal Duitsland.

Het meest prominente slachtoffer van deze onvermoeibare wraakengel is Joschka Fischer, minister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland, boegbeeld van de Grünen en bovenal een levende herinnering aan de heftigheid waarmee de jongere generaties Duitsers in de jaren zestig en zeventig oorlog voerden tegen het establishment. Röhl stelt Fischer als leider van de links-radicale gemeenschap van Frankfurt am Main in de jaren zeventig verantwoordelijk voor het failliet van haar jeugd. In een brief van 27 kantjes aan president Johannes Rau beweerde Röhl onder meer dat Fischer verantwoordelijk is voor de dood van een politie agent in Frankfurt in mei 1976, tijdens de rellen die volgden op het nieuws van de dood van haar moeder en haar kameraden in de gevangenis. Volgens Röhl had Fischer hoogstpersoonlijk een agent doodgetrapt. De foto die ze daarbij overlegde, was zeker geen overtuigend bewijs, maar volstond wel om een hevig debat te doen ontbranden. Fischer werd er danig door in het nauw gebracht, wat nog verergerde toen de minister onlangs als getuige werd opgetrommeld in een proces tegen een voormalige RAF-terrorist. Fischer zou daarbij valse verklaringen hebben afgelegd. Sindsdien is er een publicitaire klopjacht op Fischer aan de gang, waarbij vooral het CDU als natuurlijke gangmaker optreedt.

Fischer heeft het er bijzonder moeilijk mee. Terwijl hij twee jaar geleden nog door zijn eigen achterban met Hitler werd vergeleken vanwege zijn onvoorwaardelijke steun aan de geallieerde bombardementen op Belgrado en Kosovo, staat hij nu in de beklaagdenbank om zijn links-radicale verleden. Hoewel hij sinds jaar en dag officieel is bekeerd tot de waarden van de burgerlijke politiek die hij ooit zo verfoeide, koesterde Fischer zijn oude imago van rebel als een oude oorlogswond. In een eerder stadium van Röhls hetze tegen zijn persoon voerde hij aan dat juist de bekering van hem en zijn oude kameraden tot de spelregels van de parlementaire samenleving het moment markeerde dat het nieuwe Duitsland echt ontwaakte als democratische rechtsstaat. Toen realiseerde hij zich kennelijk nog niet dat het tij zodanig aan het keren was dat «de generatie van ‘68» als geheel in de beklaagdenbank kwam te zitten.

De rampspoed verergerde nog toen er opeens een foto in de Duitse pers verscheen uit 1969, waarop Fischer als jongeman stond afgebeeld terwijl hij een anti-zionistisch congres in Algiers bijwoonde. Nadat Fischer dienaangaande eerder had verklaard dat hij Algerije in die tijd alleen maar had bezocht in het kader van een «non-politieke queeste» kwam dit beeld, waarop hij applaudisserend op een solidariteitsmanifestatie met de PLO stond afgebeeld, wel zeer ongelegen. De foto werd herontdekt juist in de bange dagen dat het Palestijns-Israëlische conflict weer op oudtestamentische wijze verergerde, en de politieke beschadigingsfactor derhalve groot was.

Behalve in Fischer heeft Bettina Röhl zich ook op pitbullachtige wijze vastgebeten in zijn oude strijdmakker en huidige mede-Grüne Daniel Cohn-Bendit. «Rode Dany» moest het vooralsnog vooral ontgelden vanwege een geschrift uit begin jaren zeventig, toen hij als peetvader van een hippe Frankfurtse woongroep geheel in de geest van de tijd een pleidooi had gehouden voor erkenning van ontluikende seksualiteit bij kleine kinderen. Cohn-Bendit was er indertijd niet voor teruggeschrokken om peuters «te strelen». Indertijd werd een dergelijk pleidooi vooral ingegeven door het plezier om de bourgeoisie te epateren, zo verklaarde Rode Dany onlangs, maar Röhl herkneedde het zodanig dat Cohn-Bendit er uitrolde als een soort voorloper van Marc Dutroux.

Met redelijkheid en begrip voor de tijdgeest van toen heeft dit alles natuurlijk niets te maken. Al helemaal wordt gezwegen over de oorzaken van de rebellie van de generatie van 1968 tegen «het establishment». In Duitsland was dat toch vooral een reactie van de kinderen van de genazificeerde generaties, die het stilzwijgen van hun ouders over de Hitler-jaren niet meer konden verdragen en van de weeromstuit «het einde van al het gezag» uitriepen. Wat volgde, was zeker niet de meest verheffende bladzijde uit de geschiedenis van de Bondsrepubliek, niet van de kant van Fischer en zijn mederebellen, maar toch zeker ook niet van de kant van de autoriteiten, die zich via Berufsverbot en Radikalenerlass van hun meest repressieve kant lieten zien. Wie dat nog eens wil herbeleven, zij verwezen naar het werk van Heinrich Böll of Franz Josef Degenhardt uit de jaren zeventig; men wordt er spontaan revolutionair van. Wie de generatie van 1968 wil veroordelen, zal zich ook rekenschap moeten geven van de misstanden waartegen zij ageerden. Dat Bettina Röhl dat niet kan opbrengen zij haar vergeven. De CDU'ers die zich heden hebben toegelegd op de scalp van Joschka Fischer zijn echter niet verexcuseerd.

De toestanden in Duitsland staan zeker niet op zichzelf. In het gehele Westen is er een anti-1968-offensief ontketend. Natuurlijk in de eerste plaats in de Verenigde Staten, waar de overwinning van het «conservatisme met compassie» van George W. Bush natuurlijk vooral een historische breuk is met de door Clinton en Gore in gang gezette New Deal der babyboomers. De verkiezingen van november 2000 werden door de achterban van Bush jr. nadrukkelijk gepresen teerd als «een referendum over de waarden van de culturele revolutie van de jaren zestig».

«Ik ben ervan overtuigd dat Bush een president zal zijn die zal regeren als anti-Clinton en anti-jaren zestig: een toegewijd gezinsman met traditionele waarden en denkbeelden», zo schreef anti-sixties-ideoloog Myron Magnet, schrijver van The Dream and the Nightmare, het boek dat Bush na de bijbel als het belangrijkste geschrift van zijn leven heeft omschreven. Tegenover Magnet verklaarde Bush dat hij de sixties als «een nationale ramp» voor de VS beschouwt. Door zijn nadruk op de bevrijding van het individu ten koste van groepsidentiteiten, zoals het gezin, zou de culturele revolutie van de jaren zestig verantwoordelijk zijn voor alles wat er heden zo'n beetje mis is met de Amerikaanse samenleving.

Ook in Nederland begint deze anti-1968-beweging contouren te krijgen. Na de pioniersarbeid van Bolkestein, die het bij zijn aantreden als liberale voorman vooral moest hebben van aanhoudende campagnes tegen de sixties (een tijdvak waar men, zo hield de kruisvaarder ons in een van zijn vele strijdschriften voor, het risico liep bedwelmd te worden door onverlaten die «LSD in de soep» deden), is er nu zelfs een echte anti-sixties-strijdgroep, de Burke Stichting, met als leider de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging. Kinneging hield het bij de VVD voor gezien toen Bolkestein als liberaal partijleider werd opgevolgd door Dijkstal, wiens «surfplankliberalisme» Kinneging te veel smaak te naar de vrijblijvende geest van de jaren zestig.

Het gezelschap van de Burke Stichting is veel te curieus om ooit een echte politieke machtsfactor te worden. De boodschap van het collectief is in deze confuse tijden echter goed verkoopbaar. Nederland was in de jaren zestig en zeventig zonder meer het hartland van de grote hippiedroom, maar is sinds de opkomst van het poldermodel hard bezig aan een terugkeer naar oude burgerlijke waarden. De lust tot het experiment is zo goed als verdwenen, en daar voor in de plaats is gekomen een roep om gezag, bescherming van de autochtone cultuur en vooral «veiligheid» op straat. Dat zijn be paald geen revolutionaire idealen, laat staan dat er sprake is van enige continuïteit met het in 1968 in gang gezette streven naar «de verbeelding van de macht». Nu zelfs GroenLinks, politiek erfgenaam van de jaren zestig, zich via haar vertegenwoordiging in de Amsterdamse gemeen teraad opwerpt ten gunste van een «nieuwe etiquette op straat», is duidelijk dat het met de idealen van 1968 het ook in het gewezen «Magies Centrum» Mokum definitief is gedaan.

Het opvallende bij dit alles is dat het in Nederland vooral de gewezen bloemenkinderen zelf zijn die het einde van hun eigen illusies afkondigen. Zelfs op het moment van haar eigen ideologische ondergang wenst deze van zichzelf vervulde generatie, geboren op de ruïnes van de Tweede Wereldoorlog, de regie in handen te houden. Saillant voorbeeld is Pim Fortuyn, die in een vroeger leven aan de universiteit van Groningen nog als de archetypische propagandist van de progressieve ommezwaai mocht worden gezien, maar heden als hippe pr-man van nieuw-rechts een geheel tegengestelde weg is ingeslagen, waarbij de jaren zestig niet langer gelden als lichtend voorbeeld, doch het begin vormen van wat Fortuyn analoog aan de ideeën van de ideologen van het George W. Bush-tijdperk aanduidt als «de vaderloze samenleving», een betreurenswaardig seizoen van morele achteruitgang en crisis van het gezag.

Het individualisme, de vrijheidsliefde en de zucht tot experiment van 1968 zijn anno 2001 in een kwade reuk komen te staan. Dat deze ideeën het leven er ondertussen een stuk draaglijker op hebben gemaakt (en ook aanzienlijk interessanter dan eerder, in de jaren vijftig, toen het gezag nog volop intact was) wil er kennelijk niet meer in. De verbeelding is niet langer aan de macht en het verbieden is niet langer verboden. Heden beleven we de Renaissance van de Angst, de macht van de beperking, de triomf van het «wij» boven het «ik».