Tot nu toe had Mak niet in het openbaar gereageerd op zijn critici. Nu wel.

De repliek

Geert Maks pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid is een bestseller. De woede over dit schotschrift tegen de «handelaren in angst» is ook groot. Tot nu toe had Mak niet in het openbaar gereageerd op zijn critici. Nu wel.
In het begin van de jaren dertig publiceerde de Oostenrijkse schrijver Robert Musil een persoonlijke geschiedenis van de Donaumonarchie die wereldberoemd zou worden: De man zonder eigenschappen. Daarin beschrijft hij, het is een van de vele hilarische scènes, hoe in het voormalige Oostenrijks-Hongaarse leger de oefening «bevel doorgeven» – een zachtjes uitgesproken order moest van de ene ruiter naar de andere worden doorgefluisterd – altijd weer in de soep liep. Werd voor aan de colonne bevolen: «De wachtmeester moet voorop rijden», dan kwam er achteraan steevast iets uit als: «Acht wachtmeesters voor de kop schieten.» Een dergelijk lot dreigde de afgelopen weken ook mijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid te treffen. Natuurlijk wist ik wel zo ongeveer wat er ging gebeuren, in dat opzicht was ik een weerman die zijn weerscheepje bewust naar de door hemzelf beschreven storm had gestuurd. In bepaalde kringen werd mijn geschrift de hemel in geprezen, anderen stortten as en schillen over me heen.

Er waren mensen die de gebeurtenissen tijdens het najaar van 2004 met volstrekt andere ogen bekeken. Ze zagen in mijn pamflet het starre denken uit de jaren tachtig en negentig alweer terugkomen, ze vonden mijn vergelijkingen met de jaren dertig ongepast, voelden zich zelfs beledigd. Dat valt te begrijpen, het ging hier om een klassiek schotschrift, en ik was ook niet altijd even aardig.

Soms had ik echter de indruk dat er krachten speelden die niets meer te maken hadden met intellectuele en professionele kritiek. Met een publieke geseling werd simpelweg een nieuwe grens afgebakend, een nieuwe politieke correctheid. Het blikveld van deze critici beperkte zich vrijwel zonder uitzondering tot Nederland en de Nederlandse situatie. Gaandeweg bekroop me zelfs het gevoel dat er in sommige kringen wellicht een misdruk van mijn pamflet circuleerde, waaruit enkele tientallen pagina’s waren weggevallen. Het waren de passages waarin ik uitvoerig inging op de internationale context van de moord op Van Gogh, de merkwaardige moderniteit van zijn moordenaar Mohammed B., de mondiale cultuurbreuk tussen platteland en stad, de slachtoffercultuur en de zuiverheidsidealen die radicaliserende islamitische groepen gemeen hebben met de ultra-rechtse bewegingen in de jaren dertig, de privatisering van religie en met name de islam, de gevaren van terrorisme in combinatie met moderne wapentechnieken, de manier waarop andere landen met de psychische schokken van publiek geweld plegen om te gaan, de eigensoortige tolerantie en Verlichting van de Nederlandse cultuur, onze stokoude pacificerende traditie, enzovoorts, enzovoorts. Als ik bepaalde critici las, leek het wel of ik de helft van mijn verhaal nooit had geschreven.

Van een pamflet moet iedereen vooral het zijne denken, dat is immers de bedoeling van zo’n geschrift. Doorgefluisterde onzin moet echter geen eigen leven gaan leiden.

Allereerst is er de mythe dat mijn pamflet ongeloofwaardig zou zijn omdat het «boordevol feitelijke onjuistheden» zat. Nu valt er, in de vroegste drukken, inderdaad het nodige te corrigeren. Ik had de verkiezing van Pim Fortuyn gedateerd in het najaar van 2001. Moest zijn: begin 2002. Ik schreef: «Een maand later sprak een van de populistische leiders tegenover HP/De Tijd openlijk over zijn plannen: ‹Het beste voor een land is een goede dictator›.» Moest zijn: «Het beste voor dit land is…». De gouden tondeuse voor grootste «landverrader» was niet door Van Gogh zelf uitgeloofd maar door een medewerkster van zijn website, Bernadette de Wit. Goghs verwensing jegens Paul Rosenmöller – «Mogen de cellen in zijn hoofd zich tot een juichende tumor vormen…» – vond niet plaats na de moord op Pim Fortuyn maar na de kwestie Tara Singh Varma. Najib en Julia was geen film maar een televisieserie. In Submission Part 1 trad Ayaan Hirsi Ali niet zelf op, maar werden haar teksten voorgelezen door een actrice. «‹Nederland brandt!› riepen sommige kranten de ochtend na de moord.» Tweemaal fout. «Nederland brandt!» was de opening van Het Journaal, een kleine week na de moord. En inderdaad: Theo van Gogh lag niet dood op straat «in zijn blauwe jackje» maar in zijn blauwe T-shirt. Dat was het. Boordevol met, als ik me niet vergis, negen fouten. Ik heb mijn opponenten ongetwijfeld een paar aangename uren bezorgd. Ze kregen immers een uitgelezen kans met dit afvalhout een vuurtje te stoken, een rookgordijn te scheppen, en zo de kern van mijn betoog aan het oog te onttrekken. Voor mijn lezers buig ik nederig het hoofd.

Er waren ook een paar dingen die me pas naderhand duidelijk werden, bijvoorbeeld rond het gedwongen verblijf van Ayaan Hirsi Ali in het buitenland. Ik beschreef Mohammed B. en zijn geestverwanten als een onderdeel «van een internationaal netwerk dat beschikte over de mankracht, het fanatisme en de organisatie om over heel Europa aanslag na aanslag te plegen». Dat zou ik nu niet meer zo stellig beweren. Aan de ene kant was er inderdaad sprake van een buitenlands contact, aan de andere kant duikt uit de nu vrijgekomen processtukken niet bepaald het beeld op van een gezelschap professionele terroristen. Maar tegelijk was daar de brief die Mohammed B. op het lichaam van zijn slachtoffer had achtergelaten. Pas gaandeweg werd bekend hoe onversneden antisemitisch die tekst was. De jodenhaat van deze islamofascisten had ik absoluut moeten signaleren.

Voor sommige critici was dit lang niet genoeg. Dat leverde soms bizarre situaties op: ze waren zo gretig op jacht dat ze in hun ijver zelf weer in de fout gingen en hun onjuistheden nog eens boven op die van mij stapelden. Nooit heb ik bijvoorbeeld de toestand in november 2004 vergeleken met de Kristallnacht. De vergelijking is afkomstig uit een commentaar van het Deense dagblad Politiken, en daar waarschuwde men alleen maar voor «een scenario van de Kristallnacht», wat echt iets heel anders is. Nooit heb ik de situatie van de Nederlandse moslims gelijkgesteld aan de vervolging van de Duitse joden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, het is me echt niet in het hoofd geslagen – ik heb alleen bepaalde aspecten, met name uit de beginfase, vergeleken met de huidige situatie. Nooit heb ik ook willen beweren dat Theo van Gogh een antisemiet was – ik vind dat, ondanks zijn uitlatingen, werkelijk niet, hij was een provocateur, geen jodenhater, dat zijn twee volstrekt verschillende dingen. Zo waren er nog een paar kwesties, maar, met alle respect, zo vreselijk relevant was het verder nu ook weer niet.

Ingrijpender was de bewering dat ik de film Submission Part 1 «één op één» (VVD-prominenten Luuk van Middelaar en Kees Berghuis in de Volkskrant) zou vergelijken met Der ewige Jude van Joseph Goebbels. Volgens de schrijver Joost Zwagerman (Vrij Nederland) zou ik daarmee zelfs suggereren dat «de artistieke voelhoorns» van de makers van Submission «die van de bruinhemd, de nazi, de fascist» zouden zijn.

Waarover ging het in de passages waarop deze auteurs doelden? Niet over de vervolging van joden en andere minderheden op zich, maar over een eerdere fase, over de radicaliseringsprocessen in taal en beelden die daaraan vooraf gingen. De meeste voorbeelden betrok ik uit het Servië van rond 1990 en de Weimar-republiek rond 1930 – zonder overigens te impliceren dat Nederland anno 2005 daar in alle opzichten mee te vergelijken valt, integendeel zelfs. In dát verband zag ik in Submission Part 1 een narratief procédé aan het werk dat me sterk deed denken aan twee scènes uit Der ewige Jude. Vervolgens schreef ik, en ik drukte me zo voorzichtig mogelijk uit, juist om Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali níet in een hoek te plaatsen waar ze helemaal niet thuishoren: «Zonder dat de makers dat waarschijnlijk beseften hanteerden ze, bijvoorbeeld, hetzelfde schema dat Joseph Goebbels in 1940 toepaste in zijn beruchte film Der ewige Jude: het tonen van weerzinwekkende beelden van het jodendom met daarnaast – in dit geval ook nog eens gefingeerde – citaten uit de talmoed. Met de excessen van een handvol figuren kunnen zo in één klap alle aanhangers van een religie te kijk worden gezet. Het is en blijft een simpele en zeer effectieve propagandatruc.»

Dat was alles. Ik had het dus over één vormovereenkomst tussen beide films. En het enige wat ik zei was: kijk daarmee uit. Als je excessen en heilige teksten aan elkaar koppelt, ontstaat immers maar al te gemakkelijk de suggestie dat alle aanhangers van zo’n godsdienst zich zo mogen of zelfs moeten gedragen. Natuurlijk stelde ik Submission inhoudelijk niet op één lijn met Der ewige Jude. Submission is, ondanks alle mogelijke bezwaren, een wonder van beschaving in vergelijking met de smeertroep van Goebbels. En geen seconde haalde ik het in mijn hoofd om beide makers van het filmpje te vergelijken met Goebbels zelf, alleen al het idee is te dwaas voor woorden. Zelfs met een flinke dosis kwade wil kon nergens uit deze alinea een dergelijke conclusie worden getrokken. Het ging me enkel en alleen om een vormschema.

Daarbij kom ik op een andere vraag: mag je zulke vergelijkingen sowieso maken? Mag je een film gemaakt door en voor daders vergelijken met een film die gemaakt is door en voor slachtoffers? Een aantal lezers schreef dat Ayaan Hirsi Ali toch vooral probeert onrecht tegen moslimvrouwen te bestrijden. Ze doet dat met een onhollandse hartstocht, maar ze strijdt niet tegen een volk vanwege een vermeend ras, laat staan dat ze oproept tot hun uitroeiing. Daar zit veel in. Hirsi Ali mag de orde binnen de Nederlandse politiek verstoren, voor een gedeelte is dat wel degelijk een gezonde onrust. Enkel door haar aanwezigheid, door de permanente bedreiging waarin ze moet leven, is ze midden in het Nederlandse politieke centrum, dag na dag, een levende demonstratie van de intimidaties waaronder moslimvrouwen en -meisjes in de achterkamers van Geuzenveld soms moeten leven. Ze is werkelijk een slachtoffer. Maar tegelijk is ze ook een lid van de Tweede Kamer, en niet zomaar een kamerlid. Ze loopt vooraan, ze doet krachtige uitspraken en ze draagt daarmee bij aan een stemming waarvan anderen – onbedoeld, daar twijfel ik niet aan – het slachtoffer kunnen worden. In die rol kan en moet ze worden aangesproken. Trouwens, ook slachtofferschap geeft geen vrijbrief om maar van alles te suggereren.

Veel hangt samen met de verschillende manieren waarop je naar het verleden kunt kijken. Is de geschiedenis vooral een verhaal van moraliteit, van het geven van rekenschap, van het goede en het slechte door alle tijden heen? Of is de geschiedenis bovenal een verhaal van mensen, van politieke en sociale processen, van het dagelijkse bestaan, van menselijke kracht, zwakheid en kwaadaardigheid? Anders gezegd: blijven we demoniseren, of beginnen we langzaam te historiseren?

Zo’n rolverdeling in daders en slachtoffers moet ook in dat licht worden gezien. Die is namelijk van nú, van achteraf. De joden vormden geen enkel probleem binnen de Duitse samenleving, in tegenstelling tot sommige immigrantengroepen in het huidige Nederland, maar de toeschouwers van deze nazi-films beschouwden zichzelf wel degelijk als slachtoffer. De propaganda joeg die gevoelens verder aan. Voortdurend werden de joden beschouwd als een economische en seksuele bedreiging voor de westerse beschaving. In sommige propagandafilms werd die opvatting ondersteund met allerlei statistieken over drugs, prostitutie en criminaliteit. In 1939 werd zelfs het woord «anti-joods» in de ban gedaan, en vervangen door de term «verdediging tegen joden». Dat gevoel van slachtofferschap was, opnieuw, volstrekt ten onrechte, maar voor het bestuderen van deze propagandatechnieken maakt dat niet uit. Daarvoor moet je beelden en taalgebruik juist voortdurend in de eigen tijd zetten, in de stemming die toen heerste, hoe bizar en weerzinwekkend soms ook in onze ogen. Waar het immers werkelijk om gaat is de nog altijd brandende vraag: hoe was het in hemelsnaam mogelijk dat niet alleen idioten en schoften, maar ook aardige, redelijke, fatsoenlijke mensen, brave burgers van het land van Schiller, Kant, Bach, Brecht en Rathenau, betoverd werden door dit bederf?

Van alle kanten wordt, zeker in deze tijden van herdenking, benadrukt dat we onze lessen moeten trekken uit de geschiedenis. Dat is waar, al moet daarbij altijd de nodige voorzichtigheid worden betracht: het gaat soms om gevoelige zaken en de verschillen tussen heden en verleden blijven gevaarlijk groot. Weimar rond 1930 en Servië rond 1990 waren oneindig veel instabieler dan de oude Nederlandse burgerdemocratie rond 2005, en de mate van gewelddadigheid was onvergelijkbaar groter. Maar tegelijkertijd moet je, al wordt dat je niet in dank afgenomen, soms alarm slaan wanneer zich sociale en politieke ontwikkelingen voordoen die onaangename gelijkenissen beginnen te vertonen met soortgelijke processen in het verleden: het toeschrijven van de misdragingen van enkelingen aan alle leden van een minderheidsgroep, het herleiden van alle tegenstellingen tot religieuze kwesties, het uithollen van de rechtsstaat, het exploiteren van angst. Niet om bepaalde publieke figuren zwart te maken, niet om de valse suggestie te wekken dat alles precies weer zo zal verlopen, wél om op te roepen tot alertheid.

In het Nederlands Dagblad van 26 maart vergeleek de oerdegelijke Britse historicus Richard Overy het Amerikaanse vijandbeeld van de «terrorist» in Irak met de nazi-propaganda over de bolsjewistische terreur tijdens de Duitse opmars in 1941 door de Sovjet-Unie. Daarmee stelde hij de beestachtige oorlog aan het Oostfront geenszins op één lijn met de Amerikaanse strijd in Irak, laat staan dat hij in George W. Bush een soort Adolf Hitler zag. Hij trok deze vergelijking enkel om, zoals hij zelf zei, eenzelfde methode van argumenteren duidelijk te maken: met terroristen mag je alles doen, ze zijn ontmenselijkt.

Iets soortgelijks gold voor de voorbeelden die ikzelf noemde. Als dit soort parallellen niet kan of mag worden getrokken uit angst voor «demoniseren», als het taboe blijft bestaan om te wijzen op bepaalde overeenkomsten, dan wordt ieder leerproces uit deze periode geblokkeerd. Sterker nog: het tijdvak 1930-1945 wordt zo als het ware uit de historie gelicht, als een unieke situatie die goddank nooit meer zal terugkomen. Die geruststellende opvatting deel ik niet.

«De strijd tegen het antisemitisme moet uitgroeien tot een onderdeel van de strijd tegen alle soorten racisme, of die nu gericht is tegen de moslims in Europa, de zwarten in Amerika, de Koerden in Turkije, de Palestijnen in Israël of de buitenlandse arbeiders die overal zijn», schreef het voormalige Israëlische parlementslid Uri Avnery onlangs bij de zestigste herdenking van het einde van de holocaust. «De lange geschiedenis van de joden als de slachtoffers van een moorddadige vervolging moet niet tot gevolg hebben dat we ons hullen in een deken van zelfmedelijden, maar moet ons, integendeel, stimuleren om het voortouw te nemen in de wereldwijde strijd tegen racisme, vooroordelen en stereo typen die beginnen door de aanhitsing van kwaadaardige demagogen, en die kunnen eindigen in genocide.» Avnery zet het hier zwaar aan, zo hoeft het lang niet altijd af te lopen. De nazi’s zullen niet meer opstaan, Goebbels en de zijnen waren typisch mensen van hun tijd, dat komt allemaal nooit meer terug, althans niet in de toenmalige vorm. Maar bepaalde politieke en maatschappelijke processen kunnen zich wel herhalen, altijd weer: de radicalisering van het debat, de stigmatisering van bepaalde minderheden, de koortsige sfeer – in Weimar maakte men zich zorgen over «de verslaving aan onrust in de publieke sector» – het gevoel van onmacht en rechteloosheid dat daaruit voortvloeit bij de slachtoffers.

Er bestaat, kortom, een fundamenteel verschil tussen het demoniseren van tegenstanders, en, aan de andere kant, het analyseren van gedragspatronen van leiders en volgelingen, het bestuderen van de context van hun woorden en daden, en het zoeken naar de mogelijke betekenis van dit alles in de huidige tijd. Het eerste mag nooit gebeuren, tot het tweede blijven we verplicht, ieder op zijn eigen wijze.

«De geschiedenis herhaalt zich nooit», schreef ik letterlijk in mijn pamflet. «Wat we wel weten, uit onze bittere ervaringen als Europeanen, is dat zulke radicaliseringsprocessen alle kanten op kunnen vliegen.» Dát is de essentie. Wat alle doorfluisterende wachtmeesters ook verder roepen.

Mijn Belgische vriend Pierre belt op uit Kreta: «Welke wending heeft uw zinloos bestaan nu weer genomen?» Zijn schaterlach schalt door de telefoon. Via de satelliettelevisie dringen Nederlandse beelden zelfs tot zijn kluizenaarsrots door. «Wat is er in hemelsnaam bij jullie aan de hand? Wat maakt jullie zo anders dan ons?» Hij somt de Belgische problemen op: ook grote hoeveelheden nieuwkomers, ook een afkalvende verzorgingsstaat, plus nog eens een veel sterker georganiseerd extreem-rechts. Wat maakt het verschil? «Wij hebben niet alleen problemen met de immigratie, we hebben ook problemen met onszelf», aarzel ik. «We moeten onszelf hervinden. Jullie zijn een paar decennia geleden al door die fase heen gegaan, toen België bijna uiteenviel tijdens de taal- en schoolstrijd. Dat was jullie vuurproef. Wij zijn nu aan de beurt.» «Hou toch op», zegt Pierre. «Jullie grootste probleem is jullie eindeloze woordengymnastiek. In Frankrijk steken ze elkaar dood, om de haverklap heb je daar te maken met een racistische moord. Maar jullie zijn dol op godsdiensttwisten, theologische ruzies, daar kunnen jullie niet genoeg van krijgen, dat houdt bij jullie nooit op.»

Precies daar ligt mijn probleem met de open brief die Leon de Winter, schrijver en adjunct-fellow bij het Amerikaanse Hudson Institute, in NRC Handelsblad publiceerde. Zijn visie komt erop neer dat we in de kern niet te maken hebben met een reeks vraagstukken van immigratie en integratie, maar met een godsdienstig conflict. Terwijl ook moslims roepen om modernisering van de islam propageer ik, zo meent De Winter, precies het tegenovergestelde: «Je houdt de schuld van de problemen waarmee de grootste meerderheid van de moslims kampt bij het Westen, en daarmee houd je onze eigen moslims in hun achterstand gevangen, doordat je het bezigen van kale, harde zelfkritiek – het begin van elk veranderingsproces – ontmoedigt.»

Hij citeert daarbij met instemming de vooruitstrevende Canadese moslima Irshad Manji, die de moslims in het Westen de elementaire vraag voor de voeten gooit: «Blijven we geestelijk infantiel, toegevend aan de culturele druk om je mond te houden en je te conformeren, of zullen we rijpen tot volwaardige burgers die de pluriformiteit verdedigen die ons toestaat in dit deel van de wereld te leven?» Vervolgens houdt De Winter een uitvoerig betoog over de starheid waartoe de islam in veel landen heeft geleid, met cijfers die ik maar al te goed ken, en die er inderdaad niet om liegen: «Het is niet niks wat Manji in die ene zin stelt: moslims zijn geestelijk infantiel, zijn bang om hun mond open te doen en bezwijken onder culturele druk.» Het ziet er, kortom, in de ogen van De Winter niet best uit, en dat komt allemaal door de moslims die monomaan in hun verouderde denkwereld blijven ronddraaien, zoals bedevaartgangers in Mekka «in verheven aanbidding in cirkels rond een zwarte steen lopen».

Nu is Irshad Manji heel bewust moslim gebleven, ze noemt zichzelf Muslim-Refusenik en ze heeft een hoogst interessante ontwikkelingsgang achter de rug. Manji is, in haar moslim-moderniteit, dus een wandelend voorbeeld van het tegendeel van wat De Winter beweert. De Winter volgt in werkelijkheid dan ook de gedachtelijn van een ander: de invloedrijke historicus Bernard Lewis, die de culturele stagnatie van de Arabische wereld grotendeels verklaart uit de islam. In zijn ogen is dat altijd een starre, intolerante, totalitaire agressieve en antiwesterse godsdienst geweest, die nooit in staat zal zijn tot enige vorm van modernisering.

Die visie is in strijd met de historische werkelijkheid. Denk maar aan de schoonheid en de intellectuele kracht van de vroege islam (Grenada, Cordoba), de snelle modernisering van het Ottomaanse rijk aan het eind van de negentiende eeuw, de individualisering van de hedendaagse islam, de beginnende ontwikkeling van een typisch Europese islam, de moderniteit waarin miljoenen ontwikkelde moslims in Indonesië, Maleisië, Turkije, Iran en de Arabische wereld al lang hun weg hebben gevonden. Hier gebeurt iets heel anders, hier wordt – Michiel Leezenberg signaleert het terecht in zijn recente bespreking van Lewis’ werk in NRC Handelsblad – de Koude Oorlog simpelweg voortgezet met andere middelen: de islam speelt voor publicisten als Lewis en De Winter eenzelfde rol als vijand van het moderne liberale Westen als eerder het communisme.

Het wordt in de huidige tijd echter wel heel moeilijk om het idee van een eeuwige verstarring vol te houden. In de Arabische wereld is op dit moment van alles in beweging. Satellietzenders als Al-Arabia en Al-Jazeera, met zo’n veertig tot zestig miljoen regelmatige kijkers, stellen dag in, dag uit openlijk kwesties ter discussie die nog maar een paar jaar geleden niemand durfde te opperen. Zwaar gesluierde Saoedische vrouwen zien hoe elders vrouwen vrij op straat lopen en in auto’s rijden, en niet in het verderfelijke Westen, maar in het nabije Dubai. Syriërs en Egyptenaren merken dat echte verkiezingen niet alleen kunnen plaatsvinden in Europa, maar ook in hun buurlanden Irak en Palestina. Overal worden op dit moment vaste patronen doorbroken. En het einde is nog niet in zicht.

Of dat trouwens voor het Westen allemaal even gunstig zal uitpakken is de vraag. Algerije, waar vrije verkiezingen uiteindelijk leidden tot een halve burgeroorlog, is en blijft een schrikbeeld. Bij werkelijk vrije verkiezingen is het goed mogelijk dat de islamisten het ook prima zullen doen in landen als Libanon, Egypte, Jordanië en de Palestijnse gebieden. Niet omdat de bewoners van deze landen zulke fanatieke moslims zijn, maar omdat de religie voor miljoenen ontrechte en vergeten burgers als enige uitdrukkingsmogelijkheid is overgebleven.

«Religiekritiek helpt niet», concludeerde Elsbeth Etty. Voor moslims betekent hun geloof namelijk iets anders dan verouderde normen en waarden: devote toewijding en broederschap. «In dezelfde trant kun je tegen rooms-katholieken zeggen: jullie geloof in de onfeilbaarheid van een zieke oude man in een jurk, hoe kunnen jullie ooit democraten zijn? Maar zij zullen terugzeggen: God is liefde.»

Dat is het niet alleen. Er vallen namelijk ook vragen te stellen bij de aard van onze eigen, verlichte, westerse samenleving. Ik zie de problemen van een radicaliserende islam en slecht integrerende immigranten net zo scherp als De Winter. Volgens mij ligt de oorzaak echter niet bij de godsdienstige verschillen, maar vooral in de cultuurbreuk tussen platteland en stad. De meeste moslim-immigranten uit Istanboel integreren in Amsterdam vrijwel even snel als katholieken uit Milaan of Rome. Ik problematiseer bovendien onze eigen samenleving. Niet om «met de ultieme dooddoener vernedering» (De Winter) de gemakzucht van sommige immigranten te verontschuldigen – nergens valt dat uit het pamflet en mijn andere beschouwingen over dit onderwerp af te leiden – wél om een paar vragen te stellen bij al onze vanzelfsprekendheden. Ook het Westen heeft immers met aanpassingsproblemen te kampen, ook Nederland is niet meer een roestvrijstalen zekerheid.

De Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern, die een aantal religieuze terroristen – christelijke fundamentalisten in Oklahoma, islamitische jihadi in Pakistan, gewelddadige joodse messianisten – uitvroeg over hun motieven, sprak van een permanent patroon. In vrijwel ieder gesprek kwam één woord telkens weer terug: vernedering. «Vernedering – op nationaal of individueel niveau – blijkt een van de grootste risicofactoren te zijn», zo concludeert ze in haar studie Terror in the Name of God. Het grootste probleem is volgens Stern de verleidelijkheid van religieuze radicalisering, als alternatief voor alle problemen, ontworteling en eenzaamheid van de huidige westerse samenleving. «Het martelaarschap – de extreme daad van heldendom en overgave aan God – brengt de ultieme ontsnapping aan de dilemma’s van het leven, in het bijzonder voor individuen die zich intens vervreemd en verward voelen, en vernederd of wanhopig.» Om Mohammed B. in een van zijn brieven te citeren: «Geen discussie, geen demonstratie, geen optocht, geen petities, slechts de dood zal de Waarheid van de Leugen doen scheiden.»

Het terrorisme en radicalisme waarmee we in deze jaren worden geconfronteerd lijken dus in niets meer op het politieke radicalisme van de jaren zestig en zeventig. Het is nu, schrijft Stern, vooral een antwoord op het «grote gat in de vorm van God» (Sartre) dat in de seculiere westerse cultuur is ontstaan. Radicale godsdienstige groepen reageren op die leemte in de westerse levenshouding met woede, vooral jegens uitingen van moderniteit: tolerantie, gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, moderne wetenschap, geestelijke vrijheid. Hun zondebokken variëren van anti-abortusartsen tot moderne theologen en voorvechtsters van vrouwenemancipatie. Amerikaanse homo-activisten krijgen regelmatig doodsbedreigingen van christenen, die zwaaien met Leviticus 20:16: homo’s «begaan een gruweldaad» en moeten ter dood worden gebracht. Maar het kan ook de vreemdeling zijn die staat voor het kwade. In de Verenigde Staten neemt bijvoorbeeld onder diezelfde miljoenen fundamentalistische christenen ook de vijandschap tegen moslims snel toe. De New York Review of Books (24 maart 2005) citeerde een paar van hun leiders: «De islam is een intolerante godsdienst – en het is duidelijk aan wiens kant we moeten staan in het Midden-Oosten.» «Allah en Jehova zijn niet dezelfde God. De Islam is een Satanische religie.» «Wordt wakker, wordt wakker. Moslims zullen hun godsdienst uiteindelijk aan ons allen opleggen!» Voor deze christenen is het overduidelijk dat de Eindtijd nadert, dat de grote eindstrijd zal plaatsvinden in het Midden-Oosten, en dat moslims daar een centrale rol in zullen spelen.

In West-Europa vinden dergelijke opvattingen, ook onder de meest orthodoxe protestanten, nauwelijks weerklank. Integendeel. Ondanks het onbegrijpelijke zwijgen van de Raad van Kerken is er een groeiende solidariteit voelbaar. Christenen begrijpen, vanuit hun traditie, de onderliggende waarden van de islam veel beter dan niet-gelovigen, en de dilemma’s van moslims binnen de moderne samenleving zijn hen maar al te goed bekend.

Nederland heeft vanouds een grote religieuze pluriformiteit gekend – in tegenstelling tot de landen met één protestantse staatskerk zoals Zweden, Denemarken, Engeland en Schotland. Tolerantie was altijd al het smeermiddel van onze samenleving, zelfs al was die fameuze eigenschap in werkelijkheid vaak weinig anders dan verpakte lafheid en onverschilligheid. Katholieken, lutheranen, doopsgezinden en calvinisten in alle soorten hebben, ondanks hun diepe geloofsverschillen, elkaar altijd een plaats gegund. Alleen degenen die dat systeem zelf aanvielen – zoals de Wederdopers in de zestiende eeuw en de radicale moslimfundamentalisten nu – werden zwaar vervolgd.

Dat verzet tegen radicale uitwassen mag echter nooit leiden tot de vorming van een soort nieuwe staatsgodsdienst, een algemene godsdienstige moraal die in deze tijd vooral «verlicht» en «seculier» van karakter zou moeten zijn. De roep daarom is volstrekt in strijd met onze pluriforme religieuze traditie. In orthodox-christelijke kringen maakt men zich zelfs al bezorgd over het ontstaan van een «seculiere theocratie». Of, zoals een redacteur van een orthodox dagblad tegen me zei: «Vandaag lokt de minister van Integratie een handdruk-incident uit met een orthodoxe moslim, over een jaar kakelt ze erdoorheen als ik even voor mijn boterhammetje wil bidden.» Het gaat hier, kortom, niet meer om een botsing tussen de waarden van het Westen en de islam, maar tussen seculariteit en religie in haar algemeenheid. Deze zelfde Manji sprak in dit verband over het ontstaan van een nieuwe «post-Verlichtingsmoderniteit» in West-Europa. Ze begreep heel goed dat seculiere Europeanen zich zorgen maakten over het voortbestaan van de grondwaarden van het seculiere humanisme, die sinds de Verlichting in Europa de toon hadden gezet. Maar aan de andere kant, schreef ze, was het wel zo logisch en terecht dat de seculieren zich, in deze nieuwe situatie, nog altijd lieten leiden door hun oude trauma’s met het Vaticaan en de protestantse staatskerken? In haar woorden: «Ook het secularisme kan dweperig zijn, missionair – durf ik het te zeggen, religieus?»

Ondertussen zijn de gevolgen van deze heilloze polarisatie voor iedereen merkbaar. Er wordt gepraat over «Nederlanders» en «moslims» terwijl het maar al te vaak gaat om mensen die hier geboren zijn, de Nederlandse nationaliteit hebben, met een Zwols of een Leids accent spreken, mannen en vrouwen die hier al hun leven lang werken, leven, gezinnen stichten, wijn en pils drinken, en soms zelfs literaire prijzen binnenslepen. Op scholen vormen zich weer groepjes, jongeren uit immigrantengezinnen klitten opeens samen, kinderen uit volstrekt seculiere, antifundamentalistische gezinnen praten plotseling vol sympathie over Mohammed: «Mo is cool.» «Nooit heb ik enige sympathie gevoeld voor de islam», zegt een vriend uit Iran. «Ik ben uit mijn land gevlucht voor de ayatollahs, ik heb alle fundamentalistische ellende aan den lijve meegemaakt. Maar ik ben opgegroeid in een warm huis, vol goede, waardige en fatsoenlijke mensen. Moslims. Mijn ouders, mijn ooms en tantes. Als mensen hier praten over ‹achterlijk› en ‹infantiel› gaat het wel degelijk ook over hen. Ik zie hen voor me. En ik, totale seculier, voel me toch diep gekwetst.» Hij voelt vlijmscherp aan waar het uiteindelijk om gaat: niet om de godsdienst, maar om de uitstoting van de niet voldoende aangepaste nieuwkomer, om het eeuwige brandmerk «vreemdeling».

In de schaduw van het nieuws promoveerde, diezelfde winter, de klimatoloog Henk van den Brink op het verschijnsel superstorm. Hij doelde daarmee op de zeldzame combinatie van twee stormdepressies, een verschijnsel dat in toenemende mate kan optreden als het klimaat verder verandert en waartegen zelfs onze perfecte zeeweringen mogelijkerwijs niet zijn opgewassen. Vooral als ook nog eens de zeespiegel stijgt, onze bodem daalt en de rivieren ook niet al het regenwater aankunnen. Immigranten, moslim of niet, zullen vermoedelijk sneller met de Nederlandse polderproblemen te maken krijgen dan hun en ons lief is. Samen op de dijken, het meest klassieke Nederlandse inburgeringsmodel, het kan zo weer uit de kast.

Dat neemt niet weg dat we de afgelopen winter ook met een soort superstorm te maken hadden, een samengaan van twee stormdepressies, eentje binnen de media en eentje binnen de politiek.

Waar ging het om? Allereerst en bovenal: migratie schept in principe een win-win-situatie. Voor immigranten ontstaan nieuwe mogelijkheden tot ontplooiing, het ontvangende land krijgt nieuwe impulsen. Rond de jaren zeventig was echter in Nederland, net als elders in West-Europa, op dit terrein een grote beleidsfout gemaakt. Zonder een deugdelijke selectie, zonder een goede begeleiding, zonder programma’s om alle nieuwkomers in de Nederlandse gemeenschap te verwelkomen, was een enorme migratiestroom op gang gekomen en vanuit het Turkse en Marokkaanse achterland naar de Nederlandse grote steden gestroomd. De situatie was nog eens verergerd doordat de Nederlandse politici en bestuurders jarenlang weigerden te erkennen dat het hier ging om een permanente toestand. Ook de meeste immigranten bleven hun verblijf hardnekkig beschouwen als een jaar na jaar uitgesteld vertrek. Dat vroeg om problemen, en die kwamen dan ook.

De opofferingen en inspanningen van de meeste immigranten wierpen hun vruchten af. Volgens het rapport van de parlementaire-enquêtecommissie onder leiding van de VVD’er Blok, kon uiteindelijk bij vier van de vijf nieuwkomers gesproken worden van een redelijk succesvol integratieproces. Bij een op de vijf verliepen de zaken minder voorspoedig. Dat is twintig procent. En dat is veel, als je bedenkt dat het om grote groepen gaat die vooral in stedelijke concentraties leven.

De mate van inburgering was daarbij nog niet eens het grootste probleem, en de religie al helemaal niet. Als een immigrantenfamilie hard werkte, zichzelf bedroop en geen overlast veroorzaakte, was haar aanwezigheid voor niemand een punt. Nogal wat Chinese winkeliers bij mij om de hoek woonden al decennia in Nederland, spraken nauwelijks de taal, leefden volkomen afgesloten in de eigen gemeenschap, maar klachten hoorde je zelden.

Twee factoren vormden echter een zeldzaam ongelukkige combinatie, en dat gold vooral voor Marokkaanse Nederlanders: de anti-statelijke dorpscultuur waaruit veel voormalige Berberfamilies afkomstig waren, en, aan de andere kant, de tolerante traditie van het postmoderne Nederland. Het resultaat was – en is – niet zelden een samengepakte koek van familieproblemen die in de loop der jaren alleen maar groter werd: volstrekt onbenaderbare gezinnen die geen enkele band voelden met Nederland, kostwinners die al decennia in het uitkeringscircuit rondhingen, kinderen die dezelfde weg op gingen, mannen die zich volkomen mislukt en miskend voelden, vaders en zoons die het als hun levenstaak zagen om hun dochters en zusters te bewaken, enzovoort.

In iedere eerstewereldstad bevindt zich zo langzamerhand een derdewereldstad waarvan de bewoners, in de woorden van de Britse diplomaat Paul Schulte, «emotioneel heel ver teruggetrokken leven van de nationale publieke ruimte die hen omringt», en waar gevaarlijke extremistische sekten in ontwortelde jongens en meisjes een gemakkelijke prooi kunnen vinden.

Nederland kreeg ook zijn deel van dit mondiale vraagstuk. In die context slachtte een Nederlands-Marokkaanse moslim-extremist op klaarlichte dag, midden in een drukke Amsterdamse straat, op beestachtige wijze een zeer bekende publieke figuur af.

Hoe reageerden de Nederlandse media en politici op deze schokkende gebeurtenis?

Om het geheugen wat op te frissen ben ik nog eens nagelopen wat er zoal uit de krantenkiosken puilde, die eerste weken van november. Natuurlijk waren er De Telegraaf («Afgeslacht!»; «Duizenden moslims juichen terreur toe»), HP/De Tijd («Tijd om te emigreren?»; «Blije Marokkanen in de Linnaeusstraat») en nog zo wat uitschieters. Maar voornamelijk werd die eerste dagen feitelijk nieuws gebracht. In de meeste kranten en nieuwsrubrieken was, net als onder grote delen van het publiek, direct een tendens tot matiging en pacificatie zichtbaar. Meteen al werd erop gewezen dat het hier niet ging om een simpel geval van mislukte integratie. Integendeel, Mohammed B. was tot voor kort een ingeburgerde jongere geweest. De stijl van zijn brieven was die, in de woorden van koran-expert Fred Leemhuis, van «een Hollandse polderjongen», die zijn fundamentalistische teksten schreef «zoals wij Sinterklaasrijmpjes maken». Leemhuis: «En dan realiseer je je dat het niet iemand is die tot de ‹zij› behoort. Het is iemand die onderdeel uitmaakt van onze gemeenschap, die door en door Nederlands is.»

Toch ging, in alle verwarring, de meeste aandacht al snel naar een kleine groep opiniemakers, degenen met de scherpst gekruide opvattingen. Dat gold met name ten aanzien van de moslim-minderheden in Nederland. Ons land kent niet zo’n sterke oriëntalistische traditie als bijvoorbeeld Frankrijk en Groot-Brittannië, en dat werd al snel merkbaar. Met name de radio- en tv-makers hadden grote moeite om goed gebekte en tegelijk goed geïnformeerde islam-kenners te vinden. Voortdurend traden dezelfde figuren op, merendeels uit de eerder genoemde school van Bernard Lewis, zodat een buitengewoon eenzijdig beeld van de islam werd geschapen.

In de normale rolverdeling tussen pers en politiek is het meestal de pers – nieuws! adrenaline! – die een kwestie aanjaagt, en zijn het de politici die de zaken nuanceren en sussen. De VVD’ers Berghuis en Van Middelaar suggereerden in hun Volkskrant-essay dat dit klassieke samenspel tussen media, publiek en politiek zich ook de afgelopen winter voltrok: «Burgers zijn niet angstig. De samenleving als geheel reageert gematigd, constateerde de voorzitter van de grootste liberale fractie op 11 november in de Kamer. Burgers zijn wel bezorgd over een aantal fundamentele bedreigingen van hun samenleving, en terecht. Gelukkig zijn er politici die daarnaar luisteren en zich de vraag stellen: hoe veel verder moet het nog komen, voordat onze liberale democratie haar weerbaarheid toont?» Mijn pamflet vonden ze, in dat licht, «karaktermoord op politici die de Nederlandse samenleving in het juiste spoor willen krijgen». En moest ik er nu echt «de bruine jaren» bijhalen?

Het probleem was echter, en daarmee ontstond dit jaar rond de Nederlandse moslims een publicitaire superstorm, dat de klassieke balans tussen adrenaline en pacificatie juist vanuit de politiek voortdurend weer werd verstoord. Binnen de VVD bestaat een geestelijke kloof die zo lang zamerhand moeilijk is te overbruggen. Wellicht heeft de felle toon van mijn beide liberale opponenten daarmee te maken. De VVD is immers de partij van minister Verdonk, maar ook van de enquête voorzitter Blok. Het is de partij van de bedachtzame stijl van het Liberaal Manifest, maar ook van voorlieden die een volstrekt andere toon aan sloegen.

Een paar voorbeelden. Het begon met minister Gerrit Zalm, die na de ministerraad van vrijdag 5 november voor RTL Nieuws en Het oog op morgen zich de term «oorlog» liet ontvallen. In de media was op dat moment de ergste storm al weer aan het luwen, maar uiteraard werd de «oorlogsverklaring» van de vice-premier gretig opgepakt. De openingskop van het Algemeen Dagblad, die zaterdagochtend: «Zalm: we zijn in oorlog». In het programma Buitenhof, die zondag, refereerde VVD-voorman Frits Bolkestein lustig aan diezelfde «bruine jaren». Hij vond de term «heilige oorlog» wel op zijn plaats. Als «iemand die de Duitse bezetting heeft meegemaakt» zag hij het als een onheilspellende ontwikkeling dat «de moslims» in de vier grote steden binnenkort de grootste bevolkingsgroep zouden gaan vormen. Met, aldus Bolkestein, «alle gevoelens van intimidatie en onvrijheid van dien».

Er werden datzelfde weekend door het hele land branden gesticht in moskeeën en islamitische scholen, later ook in kerken. Die maandag probeerde een boze premier Balkenende de schade zo veel mogelijk te beperken, maar de toon was gezet.

Op woensdag 10 november belegerden, na een mislukte arrestatie, speciale eenheden van leger en politie veertien uur lang een pand in het Haagse Laakkwartier waarin zich een militant groepje moslimradicalen had verschanst. Een aanzienlijk deel van de wijk werd ontruimd. De actie werd live uitgezonden door de landelijke omroep. De lokale politici, van links tot rechts, deden alles om een verdere escalatie tegen te gaan, wellicht omdat ze dicht op de werkelijke problemen zaten. Tegelijkertijd leken sommige landelijke politici het gevoel voor hun rol en positie te hebben verloren. De eerste dagen na de moord op Van Gogh trad VVD-minister Verdonk bijvoorbeeld nog rustig op. Met de haar eigen robuustheid waarschuwde ze dat de vreedzame meerderheid van de moslim bevolking niet de dupe mocht worden van de daden van deze terroristen: «We zullen niet toestaan dat de moslimgemeenschap wordt beschuldigd en buitengesloten.» Maar na twee weken ging het weer volop los. De Telegraaf bracht op maandag 15 november, over de hele voorpagina, de boodschap: «Moslims moeten niet zeuren. Minister Verdonk is slachtofferrol minderheden beu».

Die dubbele stormdepressie was ook in de daarop volgende weken en maanden merkbaar. Toen een radicale Tilburgse moslim – na daartoe uitgelokt te zijn door de televisiepresentator Andries Knevel – verklaarde dat hij het kamerlid Geert Wilders wel graag dood had gezien, besloten een paar nieuwsredacties – onder meer van Het oog op morgen – de kwestie niet verder aan te blazen. Er was al turbulentie genoeg in het land. Het waren de politici die van het incident onontkoombaar nieuws maakten, door de volgende ochtend, mede onder aanvoering van de VVD, met een unieke solidariteitsverklaring jegens Wilders te komen. Iets soortgelijks vond plaats rond een fatale confrontatie waarbij een Amsterdams/Marokkaanse tasjesdief het leven liet. Onmiddellijk mengde minister Verdonk zich op krachtige wijze in de meningsvorming: dit was volgens haar geen moord. Tegelijkertijd plaatste ze het hele incident in de context integratie/niet-integratie, Nederland/Marokko, onschuld/schuld. De vrienden van het slachtoffer deden dat ook, maar voor een verantwoordelijke bewindsvrouw was het in de gespannen situatie van dat moment hoogst onverstandig. En wat moet ik denken van de goedbedoelde maar onhandige opmerking van diezelfde minister in Venray, waarbij ze onder meer zei dat ze ook eens ging kijken of ze Lonsdale-kleding leuk vond? Voor jongeren, die ongelooflijk gevoelig zijn voor kledingsymbolen, heeft zo’n opmerking enorme betekenis. Of van VVD-minister Hoogervorst, die tijdens een debat over orgaantransplantaties verklaarde: «Met name moslims weigeren op religieuze gronden hun organen af te staan, maar willen die wel ontvangen als ze ziek zijn. Dat wringt.» Als hij hetzelfde over orthodoxe joden had gezegd, was de rel niet te overzien geweest. Of van zinsneden als van Berghuis en Van Middelaar zelf: «Hoeveel anti semitisme, hoeveel homohaat, hoeveel jihadrekruteringen, hoeveel afgebrande kerken en moskeeën kunnen wij verdragen?»

Woorden hebben een enorme kracht, maar hoe stond het met de daden? Vorige maand publiceerde de Club van Madrid, een organisatie van prominente oud-staatshoofden, een lange lijst met aanbevelingen voor de strijd tegen godsdienstig radicalisme en terrorisme. De staatslieden waarschuwden de westerse regeringen om de waarden die ze geacht worden te verdedigen – met name op het gebied van de mensenrechten – niet te verraden: «Het is essentieel om de morele normen hoog te houden en de terroristen de legitimiteit te onthouden waarnaar ze zo verlangen.» Open samenlevingen maken het terroristen aan de ene kant gemakkelijker om te opereren, maar aan de andere kant bereiken ze in zulke samenlevingen zelden of nooit hun doel. Een democratie moet echter wel echt en levend zijn om als sociaal immuunsysteem te fungeren, en in dat opzicht, zo schreven deze staatslieden, is er zelfs voor gerespecteerde democratieën werk aan de winkel. «Denk maar aan de groeiende gemeenschappen van immigranten en diaspora, wier ervaring met de westerse liberale democratie vaak gekenmerkt wordt door verdachtmakingen en uitsluiting.»

De meeste locale politici hebben dit allemaal allang begrepen. In Den Haag duurt de verkramping echter onverminderd voort. Opvallend is hoe deze regering – de VVD-ministers voorop – met twee tongen spreekt. Aan de ene kant harde taal over eerwraak, uithuwelijking, vrouwenmishandeling en andere excessen die in verband worden gebracht met de islam. Aan de andere kant steunt het huidige beleid nauwelijks de (vrouwen)groepen die daarbij in de frontlinie staan en beknot hun werk soms zelfs, door hun subsidies af te bouwen in het kader van de zoveelste reorganisatie. Wat moet ik denken van stichtingen als Oemnia (die Marokkaanse vrouwen uit hun isolement proberen te halen) en Het Spiegelbeeld (steun aan Marokkaanse meisjes), broodnodige organisaties die van vrijwilligers aan elkaar hangen, maar nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden? Of van de Vereniging Atalanta (bestrijding van handel in vrouwen, georganiseerd door de slachtoffers zelf) waarvan deelnemers vaak in buitengewoon moeilijke omstandigheden leven en die vrijwel zonder een cent moet werken? Of van de stichting Kezban (tegen huiselijk geweld in moslimkringen) waar de gangmaakster ontslagen is vanwege een of andere bezuinigingsronde in het welzijnswerk? En van al die soortgelijke gevallen?

Laten we wel wezen: hier wordt nauwelijks een beleid ontwikkeld, uitgaande van en gericht op de praktijk. Hier wordt bovenal een vijandbeeld geschapen. En een vijand schept angst. En angst schept macht.

We zijn er daarmee niet. Deze houding valt namelijk niet zo op, omdat er ook iets met onze samenleving aan de hand is. Kijk eens terug naar het verleden. Ook in de jaren zeventig werd Nederland geconfronteerd met een paar zeer ernstige terreuracties. Hele treinen en schoolklassen werden langdurig gegijzeld, overheidsgebouwen werden bestormd, het gebeurde herhaalde malen en er vielen meerdere doden. De schok was groot, maar van paniek was vrijwel nergens sprake, en toen alles voorbij was ging men al snel weer over tot de orde van de dag. De afgelopen winter bleef, na de gruwelijke moord op Theo van Gogh, de beroering maar doorgaan. De redactie van het Algemeen Dagblad smeekte, op de voorpagina, zelfs de koningin om het volk toe te spreken. «Haat verspreidt zich als een veenbrand over het land. Moskeeën, kerken en scholen zijn doelwit van aanslagen. Nederland dreigt af te glijden naar een land van wij en zij, een land waar de angst regeert.» Zoiets zou in de jaren zeventig ondenkbaar zijn geweest. De context waarbinnen deze terreurdaden plaatsvonden, toen en nu, was duidelijk veranderd.

Een ander voorbeeld. Een maand terug, op de twaalfde april, was het exact zestig jaar geleden dat president Franklin Delano Roosevelt overleed. Dat die datum zo ongemerkt passeerde had, naar mijn gevoel, niet alleen van doen met de slijtage van de tijd. Het had ook te maken met een groeiende afstand in mentaliteit. Roosevelts denken is uit, voorbije tijden, beschimmelde idealen uit de vorige eeuw.

Toch is het de moeite waard zijn State of the Union van 11 januari 1944 nog eens na te lezen. Zijn gezondheid was toen al slecht, hij zat in een rolstoel, hij was de opperbevelhebber in een oorlog die op dat moment op tientallen fronten over de hele wereld werd uitgevochten, en hij sprak over de vrede, over de wereld die er moest komen als alles voorbij was. Hij schetste daarbij een «Second Bill of Rights», die voor iedereen zou gelden, iedere Amerikaan, maar liefst ook iedere wereldburger. Hij schetste rechten: het recht van iedere familie op een behoorlijk huis; het recht om genoeg te verdienen voor voldoende voedsel, kleding en ontspanning; het recht op bescherming tegen de financiële zorgen van de oude dag, ziekte, ongelukken en werkloosheid. En ook: «Het recht van iedere zakenman, groot en klein, om handel te drijven in een sfeer van vrijheid, zonder de oneerlijke concurrentie en dominantie van monopolies, thuis of elders.»

De Amerikaanse columnist Bob Herbert, aan wie ik het voorgaande ontleen, liet de tekst aan een jeugdige kennis lezen, opgegroeid in de wereld van Microsoft, Halliburton, Enron en George W. Bush. Ze was totaal verbluft: «Wow, ongelooflijk dat een Amerikaanse president zoiets ooit zou kunnen zeggen!»

Franklin Delano Roosevelt sprak vanuit de geest van zijn tijd, eenzelfde geest die een handvol idealisten ertoe bracht om onder leiding van Jean Monnet het meest drieste vredes- en moderniseringsproject van na de oorlog aan te vatten: de vorming van een Europese Unie. «Er zijn», meende Monnet, «altijd twee soorten dynamiek. De dynamiek van de hoop, en de dynamiek van de angst. Die laatste dynamiek leidt uiteindelijk altijd tot onderdrukking, geweld en zelfs oorlog. We hebben dus geen keuze.»

De laatste jaren bekruipt me soms het gevoel dat we druk bezig zijn om die draad van hoop kwijt te raken, sterker nog, dat die dynamiek van optimisme ergens onderweg is omgeslagen in een cultuur van angst. En dat we daar langzamerhand al zo aan zijn gewend dat we het niet eens meer merken. Neem de rede die minister Donner vorige maand hield voor een CDA-bijeenkomst over een nieuwe grondwet, en waarin hij waarschuwde voor een balkanisering van Europa als we niet voor de constitutie zouden stemmen.

Ik begrijp wat onze minister van Justitie bedoelt, de Europese Unie is inderdaad een vredesproject, het gaat me vooral om zijn toon: «Wie de toekomst op het spel wil zetten moet vooral tegenstemmen.» Monnets dynamiek van hoop is hier nergens meer te bekennen. Het is een toon van angst. «Het is oorlog». «De integratie is mislukt». «Een miljoen (in werkelijkheid is het een kwart miljoen – gm) moslims». «De toegenomen onveiligheid». «Bezuinigingen». «Controleren». «Afrekenen». «Terroristen». «Nederland is een failed state». «Tijd om te emigreren?»

In werkelijkheid is er alle reden tot hoop, vooral als je achteraf bedenkt wat er in het afgelopen najaar allemaal níet is gebeurd. Er heeft zich een reeks racistische en antimoslimincidenten voorgedaan, maar níet in de grote steden, waar de problemen het grootst zijn. Het land is níet in oorlog geraakt. Ultra-rechts is níet doorgebroken – in de huidige peilingen scoren de Groep Wilders en navenante groepen opvallend laag, zeker gezien de omstandigheden. De integratie is níet mislukt. Integendeel, het drama van het afgelopen najaar bracht nieuwe visies, mogelijkheden en kwaliteiten naar boven. Nederland is níet een «failed state», het is, ondanks alles, een welvarende, oerdegelijke burgersamenleving waarvan de leden, zo bleek de afgelopen winter weer, zich niet snel gek laten maken.

Toch is, als je erop gaat letten, onze taal, ook mijn eigen taal, ook die van de overheid, volgeslopen met vrees, zorg en soms ronduit paniek. Ons eigen, positieve verhaal lijken we te verliezen. In plaats daarvan duikt een negatieve variant op, die van de machtige tegenstander, van de meedogenloze vijand tegenover wie we ons moeten aaneenscharen, tot elke prijs.

Het voornaamste product van iedere terreurdaad – het woord terreur zegt het al – is, behalve schade, bloed en dood, angst en nog eens angst. Iedere terrorist wil het liefst dat vanaf de plek van zijn daad golven van angst de stad in spoelen, en daarna het land, en dan het liefst de wereld. De grootste uitdaging, voor politie- en veiligheidsdiensten, maar ook voor burgers en politiek, is om die angstgolven zo veel mogelijk te beperken. Mohammed B. mag niet tevreden in zijn cel zitten. Het probleem is echter dat terreurdaden een almaar grotere, negatieve weerklank vinden, omdat ze als het ware resoneren in een al bestaande angstcultuur. Dat is niet een specifiek Nederlands vraagstuk, en het is ook niet iets van de laatste tijd. Een Britse socioloog, de Kentse hoog leraar Frank Furedi, turfde het gebruik van de term «at risk» in de nationale Britse pers tussen 1994 en 2000. In 1994 trof hij 2018 vermeldingen. In het jaar 2000 werd de term bijna negen maal zo vaak gebruikt: 18.003 vermeldingen. De eerste versie van Furedi’s studie, Culture of Fear, werd al gepubliceerd in 1997. In Nederland kwam de filosoof René Boomkens een jaar eerder al met een soortgelijke analyse: De Angstmachine uit 1996. De schokkende gebeurtenissen van de laatste jaren, zoals de elfde september, Fortuyn, Madrid en Van Gogh, veroorzaakten de gevoelens van angst dus niet, maar vielen in een al bestaand patroon, en versterkten dat vervolgens op allerlei manieren.

Angst heeft, kortom, in de moderne westerse samenlevingen vreemde, ongrijpbare proporties aangenomen. De angsten van vorige generaties waren dikwijls heel concreet, gebaseerd op persoonlijke ervaringen met ziekte, dood, crisis, oorlog. Veel van onze angsten in de huidige tijd staan echter los van welke persoonlijke ervaring ook. Furedi spreekt over een almaar groeiende obsessie met veiligheid, een angst voor het nemen van risico’s, waaruit een intellectuele, ideologische en maatschappelijke verstarring ontstaat. Die nadruk op de gevaarlijke kant van het leven, schrijft hij, «dwingt de samenleving en de individuele burgers daarbinnen voortdurend om aspiraties te beteugelen en actief handelen te beperken». Dat permanente terugschroeven van verwachtingen heeft, uiteraard, grote gevolgen voor de levenshouding van jongeren, en voor onze toekomst in zijn algemeenheid. Er ontstaat zo een samenleving waarin slachtofferschap belangrijker wordt gevonden dan initiatief, moed en heroïek.

Wat heeft ons zo ver doen komen? Allereerst is daar de invloed van de allesomvattende globalisering, de techniek, internet, televisie. We beleven de ontknoping van een gijzelingsactie in Rusland alsof het om de hoek gebeurt, maar met de emoties die dat oproept kunnen we geen kant op. Wat blijft is een ondefinieerbaar gevoel van onveiligheid. Er is het verschijnsel verandering dat de samenleving is gaan domineren. Het gevolg is een wegvloeien van vertrouwen en voorspelbaarheid. Er bestaat al te vaak geen duidelijkheid meer over het gedrag dat van de ander verwacht kan worden, of dat een buurtgenoot is of de overheid.

Vaak richt dit onbehagen zich allereerst op nieuwkomers en vreemdelingen, maar ook jegens het politieke circuit is het vertrouwen tot een historisch dieptepunt gedaald. Terwijl de meeste Nederlanders redelijk tevreden zijn over hun bestaan vindt meer dan tweederde van de bevolking dat politici niet over de juiste kwaliteiten beschikken om Nederland te besturen. (Zie onder meer De grootste peiling ooit, het gigantische McKinsey-onderzoek dat op 23 april in NRC Handelsblad werd gepubliceerd.) Ook de onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) stuiten de laatste tijd – zie De sociale staat van Nederland 2003 – op een onderhuids vertrouwensvraagstuk dat gevaarlijk grote proporties heeft aangenomen. Nooit signaleerde het SCP zo’n grote verandering in zo korte tijd als op dit terrein: tussen 1999 en 2002 daalde het percentage burgers dat vindt dat de overheid goed functioneert van 65 naar 35.

En ten slotte zijn er de werkelijke bedreigingen, variërend van economische onzekerheid tot en met criminaliteit, geweld, bedreigingen en mogelijk zelfs terrorisme. We zijn inderdaad kwetsbaar – ook letterlijk, fysiek. En we weten op dit moment ook zelf niet goed wie we nog zijn, in dat almaar vager wordende Europa.

Ik kreeg een brief van Adriaan van der Staay, voormalig directeur van het SCP.

«Stel je voor», schreef hij, «dat een Amerikaanse president na de verwoesting van het World Trade Center had gezegd: deze misdaad is verschrikkelijk. Wij zullen de daders vinden en bestraffen, we zullen de meest betrokken landen Duitsland en Saoedi-Arabië alle steun geven bij het opsporen van de complotteurs. Wij zullen onze veiligheidsdiensten meer alert maken. Dit mag nooit meer gebeuren, voorzover wij bij machte zijn hieraan iets te doen. Stel dat de Nederlandse overheid het afgelopen najaar had gezegd: er zijn politieke moorden gepleegd, maar wij hebben de daders te pakken, wij belonen de dappere politieagenten die hen gearresteerd hebben, wij geven steun aan alle organen van onze staat, naar binnen en naar buiten, die onze open en kwetsbare samen leving verdedigen. De veiligheid van onze burgers en hun vertegenwoordigers wordt alleen gegarandeerd als wij deze troebele geesten isoleren en ongevaarlijk maken, niet als wij onze samenleving of andere samenlevingen de schuld geven van onnoembaar onheil.

De boodschap zou zijn dat onze samenleving een goede samenleving is, dat ook andere samenlevingen in principe goede samenlevingen zijn, en dat de overheid er is om over de veiligheid van de burgers te waken en dat ook doet. Een dergelijke boodschap geeft weinig voer aan handelaars in angst en intellectuele projectontwikkelaars, en schept minder paniek.

Zo is het niet gegaan, en het is wijsheid achteraf, al had ik die wijsheid ook vooraf.»

Is de angstjagerij nu voorbij? En is de schade van het afgelopen halfjaar te herstellen? Absoluut, maar dan moeten we wel vandaag beginnen. Nederland is, inderdaad, nog altijd een goede samenleving. Publicisten als Ayaan Hirsi Ali en Afshin Ellian confronteren ons met risico’s en problemen die zij uit hun verleden maar al te goed kennen, maar die voor de doorsnee Nederlanders nieuw zijn. Ze zijn verbaasd, verontwaardigd zelfs, over het gemak waarmee sommige Nederlanders capituleren in de strijd om de vrijheid, over de losheid waarmee een signeersessie van Geert Wilders wordt afgeblazen, over de achteloosheid waarmee Ayaan Hirsi Ali wordt geweerd van een boomplantdag in Zuid-Limburg. Terecht stellen ze de vraag: «Waar zijn jullie principes?» Die hartstochtelijke waarschuwingen kunnen we niet naast ons neerleggen.

Deze auteurs lijken zich echter niet te realiseren dat alles wat ze bekritiseren in «het land van Ooit» – het polderen, compromissen sluiten, tolereren, pappen en nathouden, de kwetsbaarheid – exact de keerzijde vormt van alles wat ze zo waarderen in hun nieuwe vaderland. Immers: zonder tolerantie geen vrije geest, zonder polderen geen welvaart, zonder compromissen geen democratie, zonder beschaving en zelfdiscipline geen persvrijheid, zonder pappen en nathouden geen bussen die als een klokje rijden, zonder kwetsbaarheid geen lucht en openheid.

Wij, Nederlanders, zijn dol op planning. Het temmen van de wilde realiteit met een strakke ordening is een klassieke reactie in dit polderland. Ook het integratiebeleid van minister Verdonk is een oer-Hollandse traditie. We trekken lijnen, we tellen en meten, we maken nieuwe burgers.

Op dit moment moeten we onder ogen zien dat in sommige steden omvangrijke moslimpopulaties zijn gegroeid – met alles wat daar verder aan vastzit. Een repressief paniekbeleid jegens zo’n groot deel van de stedelijke bevolking leidt tot mislukking en/of tot een in alle opzichten ongewenste polarisatie. Iedere succesvolle integratiecampagne is altijd uitgegaan van rechten, van het openen van nieuwe mogelijkheden, het scheppen van een andere toekomst. Dat is niet soft, dat is geen geknuffel, dat is niet naïef, dat is de praktijk van vallen en opstaan.

In een land als Canada zijn bijna alle immigranten al in de tweede generatie echte Canadezen geworden. Dat heeft veel te maken met een beproefd beleid, waarin niet alleen een slechte integratie wordt «afgestraft», maar bovenal een goede integratie op allerlei manieren wordt «beloond». De immigratie wordt omringd met opvallend veel zorg, er worden al in het thuisland verscheidene gesprekken gevoerd, er wordt geselecteerd naar opleiding en mogelijkheden tot succes. In plaats van een aantal computervragen-op-afstand heeft, bijvoorbeeld, de Canadese ambassade in Berlijn voor de paar duizend jaarlijkse immigratieverzoeken maar liefst vijfentwintig personeelsleden in dienst. Na aankomst komt de immigrant in een langdurig «welkomst»-programma terecht, waarbij alle lokale gemeenschappen worden ingeschakeld. Rituelen spelen daarbij een belangrijke rol.

Canada zendt zo aan de nieuwkomers twee boodschappen. Eén: wij vinden immigratie en immigranten heel belangrijk, niet iedereen kan het, weet wat je doet. Twee: maar als je het kunt en durft, dan gaan we ervoor, en dan zullen we ook alles doen om je immigratie tot een succes te maken.

Zo hoort het, ook in Nederland, en iedere ochtend vraag ik me af waarom het nog niet zo ver is. Onze situatie is veel problematischer dan die van de Canadezen, maar toch. Waarom zijn hier, na al die jaren, nog steeds eindeloze wachtlijsten voor doodgewone taalcursussen? Waarom kom ik werkloze leraren Nederlands tegen, gespecialiseerd in onderwijs aan allochtonen maar aan de dijk gezet vanwege de zoveelste reorganisatie? Hoe komt het dat die het niet razend druk hebben? Waarom kost het zo ongelooflijk veel tijd om het onderwijs aan te passen aan de specifieke eisen van deze jongeren? Waarom komt er zo weinig terecht van al die voor de hand liggende ideeën, variërend van de introductie van rituelen – het is nogal wat om de Nederlandse nationaliteit te krijgen – tot de dagelijkse lessen Nederlands op de publieke televisie en het op grote schaal stimuleren van naai- annex taallessen voor allochtone vrouwen? Bestaat er, op Haags niveau, eigenlijk wel enig gevoel voor de wérkelijke urgentie?

Solidariteit heeft altijd iets wederkerigs: je kunt niet van een minderheidsgroep solidariteit met een hele samenleving verwachten als zo’n samenleving geen verbondenheid toont met die minderheidsgroep. Dwang heeft in dergelijke omstandigheden slechts beperkt succes, eigenlijk vooral bij het opruimen van bepaalde obstakels. Als motor voor een emancipatieproces heeft het idee van maakbaarheid van burgers en samenleving uiteindelijk altijd gefaald – denk maar aan het fiasco van het sovjet-experiment.

Als die houding ook nog eens uitmondt in een bedekt conflict met «de» islam zijn we nog veel verder van huis. Zo’n onderhuidse godsdienststrijd sluit immers ieder compromis en iedere verzoening uit: moslims mogen hier zijn – ze zijn te onmisbaar en te talrijk geworden om ze nog massaal uit te zetten – maar ze moeten als moslims zo veel mogelijk onzichtbaar blijven. De tolerantie-zonder-interesse van de jaren tachtig en negentig lijkt zo in één klap te zijn omgeslagen in repressie-zonder-interesse. Het politieke klimaat is 180 graden gedraaid, maar het gebrek aan kennis en belangstelling is nagenoeg hetzelfde gebleven. «Gastarbeider», «illegaal», «medelander», «moslim» – we blijven wegrennen voor de nuchtere realiteit van het woord «immigrant».

In dit opzicht verschillen de huidige liberalen en sociaal-democraten niet zo veel van elkaar. «Succesvolle integratie vereist een restrictieve migratiepolitiek», betoogde ook PvdA-leider Wouter Bos in het januari nummer van het Britse magazine Prospect. «Onze capaciteit om te integreren en te emanciperen is niet onbeperkt.» In zijn beschouwing stelde Bos het behoud van de «eigen» verzorgingsstaat centraal, en dat eist nu eenmaal een zekere mate van geslotenheid. Simpel gezegd: te veel nieuwkomers maken de spoeling te dun. Daar is veel voor te zeggen. Het probleem is alleen dat de Nederlandse samenleving vanouds juist een open samenleving is, dat de economie waarop onze verzor gingsstaat drijft het ook van die openheid moet hebben, en dat alle daarbij horende eigenschappen een onderdeel vormen van de cultuur die verdedigd moet worden. Bovendien zijn we klein, we zijn zo weinig land en zo veel stad. Daardoor zijn we sneller kwetsbaar voor de gevolgen van globalisering en immigratie dan de meeste andere West-Europese landen. We zitten, met andere woorden, klem in onze eigen paradox.

Nederland is bezig door een rouwproces heen te gaan, en we moeten er allemaal aan geloven. De bloedige moord op Theo van Gogh bracht die pijn scherper boven water dan ooit: het geborgen Nederland van een kwart eeuw geleden is op veel plekken verleden tijd, de herkenning is weg, de voorspelbaarheid verdwenen. We vormden, in de woorden van Hans van Mierlo, «een gemeenschap die, vanwege zijn zuilenstructuur, veel toleranter functioneerde dan de burgers in werkelijkheid wáren». Ook die illusie is doorgeprikt.

Rouwen verloopt altijd in fasen: ontkenning, verwarring, woede, treurnis, acceptatie, en dan begint het leven weer. De ontkenning hebben we achter de rug. Jarenlang wilden de meeste Nederlanders niet onder ogen zien dat globalisering, modernisering, individualisering en immigratie hun knusse land grondig zouden doen veranderen. Paul Scheffers essay Het multiculturele drama was daarin een mijlpaal: opeens drong zelfs bij de linkse intelligentsia door dat het menens was, dat de immigranten níet de zoveelste zuil zouden vormen, en dat dit land níet meer kon overgaan tot de orde van de dag. Toen kwam de verwarring, en een andersoortige ontkenning: een tendens tot afsluiting en isolement van het traditioneel open Nederland. Met Van Gogh kwam de woede.

Langzamerhand wordt het tijd om de realiteit onder ogen te zien en de verkramping los te laten. Om pal te staan voor onze vrijheden en grondrechten. Om onze burgermoed weer uit de kast te halen. Maar ook om, heel nuchter en concreet, aan het te staan voor onze vrijheden en grondrechten. Om onze burgermoed weer uit de kast te halen. Maar ook om, heel nuchter en concreet, aan het werk te gaan. Om échte tolerantie aan te leren – en de botsingen die daarbij horen. Om te bedenken wat we van onze nationale erfenis kunnen achterlaten. Welke kwaliteiten koste wat het kost behouden moeten blijven. En welk nationaal verhaal we voor de komende generaties verder zullen dragen.

Er is maar één mogelijkheid: de dynamiek van de hoop. We hebben geen alternatief.