De rest is bijzaak

Gerard Reve
moedig voorwaarts: brieven aan bert en netty de groot
L.J. Veen, 556 blz., € 34,90

Eigenlijk bevat de nieuwe brievenbundel van Gerard Reve, Moedig voorwaarts: Brieven aan Bert en Netty de Groot, twee boeken: de brieven van Reve en de voortreffelijke en uitgebreide noten van Nop Maas die de epistels vergezellen. Die noten ontsluiten niet alleen het leven van Reve gedurende een bepaalde periode (1974-1997), maar onthullen tal van nieuwtjes die je zeer nieuwsgierig maken naar de biografie die Nop Maas over Reve aan het schrijven is. Onbegrijpelijk trouwens dat Maas zo weinig credits voor die noten krijgt – de hoeveelheid en kwaliteit ervan lijken me een duurzaam verkoopargument en daarom een vermelding op het omslag waard: deze brieven ‘zonder de noten/ zou een boek zijn zonder kloten’, rijmde Boudewijn Büch eens over een boek van Harry Prick over Lodewijk van Deyssel.

Het nawoord in dit boek is uiteraard van uitgever Bert de Groot. Het is een lief, maar enigszins houterig geschreven overzicht – vooral als je het na al die brieven van Reve leest – van zijn omgang met Reve waarin eigenlijk niets nieuws staat. (Tot twee keer toe zegt Bert dat de omgang met Reve voor hem en Netty een ‘voorrecht’ was.) Er staat echter één zin in die ik er even uitlicht: ‘(…) voor debuterende schrijvers geldt: eerst Reve overwinnen voordat je aan je oeuvre kan werken’. De Groot bedoelt daarmee, zo legt hij uit, dat jonge schrijvers zich moeten ontdoen van de stijl van Reve. Is dat nog zo? Heeft Reve zo’n invloed op de jonge Nederlandse literatuur? Ik geloof het niet. Hij heeft die invloed wel gehad, maar die is allengs verdwenen. Arnon Grunberg heeft af en toe iets reviaans, maar heeft Tommy Wieringa het? Reve inspireert de jonge auteur niet meer. Er zijn andere helden gekomen (Grunberg bijvoorbeeld). Kijk maar in het moderne antiquariaat: het Verzameld werk van Reve ligt daar tegen afbraakprijzen.

Dat is jammer, want ook in dit brievenboek valt weer veel te genieten. Reve is namelijk een brievenschrijver, veel meer dan een romanschrijver. Dat De avonden zo’n succes is geworden, is misschien toeval, denk ik wel eens. In zijn latere romans heeft hij dat niveau nooit meer echt gehaald. Maar in zijn brieven, ja, daarin zit alles wat Reve tot zo’n groot auteur maakt. In zijn brieven verstopt hij zijn romans, toont hij zijn opvattingen, scheldt hij, overdrijft hij, is hij geil en ziek, depressief en romantisch, literair en bot.

Nergens is Reve zo humoristisch als in zijn brieven. Nergens schrijft hij ook zo goed. Alles is stijl, van de kleinste mededeling wil hij nog iets maken: ‘Het was een gezellige en alleszins geslaagde dag, gisteren. Houdt mij zo goed mogelijk op de hoogte van wie er wederom dood zijn. Uw Broer Wederwolf G.R.’ Het is dat ‘zo goed mogelijk’ dat het zinnetje komisch maakt. En ook dat Wederwolf, natuurlijk.

Als Reve denkt dat een brief wat saai is geworden, voegt hij er een P.S. aan toe: ‘Er is nog een vrij jonge kat komen aanlopen, die zich bij ons geïnstalleerd heeft en Zusje heet. Een goed teken, beter bijvoorbeeld dan een raaf die met een klein zwart doodkistje in de bek komt binnenvliegen en midden op de tafel gaat zitten.’

Ik kan me slecht voorstellen dat er mensen zijn die dit lezen en niet even moeten lachen. Wat aan deze terloopse P.S. zo goed is, is dat je eigenlijk niet kunt zeggen waaruit dat goede dan bestaat. Het is absurd, bijna surrealistisch, maar tegelijk ook heel erg passend in alles wat we over Reve weten. Het is Romantic Agony, maar dan altijd met een knipoog. Het is kortom, stijl.

In dit brievenboek zitten honderden van deze zinnen – maar ook zit het vol met opvattingen die Reve heeft over de literatuur, van hem en van zijn tijdgenoten. Belangrijk lijkt me de brief van 1 augustus 1987 waarin Reve over Mulisch schrijft, naar aanleiding van diens zestigste verjaardag: ‘Het kenmerk van het werk van collega M. is tevens de sleutel tot het succes ervan: een weliswaar gelikt en clichématig, maar daarbij zeer doelmatig taalgebruik in die zin, dat die taal precies zo oppervlakkig is als het medegedeelde.’

Dat is – hoe dan ook – mooi geformuleerd. En is het ook niet waar? Reve ziet het werk van Mulisch alleen maar als het nastreven van succes: ‘Het gaat er ter zake het nastreven van succes niet om, diepzinnig werk te maken, maar wel werk dat de indruk maakt van diepzinnig te zijn. Een imbeciel die M. leest, gevoelt zich na lezing een geleerde die over alles kan medepraten. Alle deuren die door M. worden ingetrapt, staan al sinds onheuglijke tijden open.’

Volgt een uiteenzetting over het verschil tussen het katholicisme en het marxisme, want Reve meent natuurlijk dat Mulisch een marxist is. Te lang om hier in zijn geheel te citeren, maar toch dit citaat: ‘Het marxisme kent eigenlijk noch een wereldbeeld noch een mensbeeld, en is daarbij irrationeel en optimistisch. Alles wat bestaat moet veranderd worden, wat in de practijk uitloopt op verwoesting en vernietiging van alles, en van zo mogelijk alle mensen. De mens houdt naar zijn aard meer van slopen dan bouwen, dus vrijwel iedereen is marxist, en slechts weinig mensen zijn katholiek. Er “moet iets gebeuren”. Waarom eigenlijk? Dat vraagt niemand zich af.’

Geouwehoer, zoals sommigen beweren? Reve wist waar hij het over had. Juist hij. Zoon van een vooraanstaand communist en zelf nog tot 1948 een aanhanger van Marx.

Reve is een brievenschrijver pur sang. Waarschijnlijk komt dat doordat hij zich het liefst richt tot één persoon. Misschien was daarom De avonden wel zo goed. Gerard schreef dat in de ‘erlebte Rede’, beweren Kummer en Verhaar (1978) en ze laten zien hoe dicht de derde persoon enkelvoud (hij) bij de eerste persoon enkelvoud (ik) zit; Frits van Egters praat in wezen alleen tegen zichzelf en zodra er een andere persoon is, gaat het mis. In zijn brieven spreekt Gerard ook tegen één andere persoon, en of die nou Bert, Simon, Gerard, Matroos of Hanny heette, deed er niet veel toe.

Al die brieven vormen een egodocument van een leven dat geromantiseerd werd. Reve vertelt de ander over zichzelf – en maakt daarvan een doorlopend verhaal. Bekentenisliteratuur. Hij heeft maar één lezer nodig – de rest is bijzaak. Die ene lezer wordt verleid, in de maling genomen, uitgebuit, geschoffeerd, onderwezen, bekeken, bespuwd en gekust. Bert de Groot is net als al die anderen die een brief kregen klankbord en spiegel, psychiater en commissaris, minnaar en vijand.

Het verhaal dat we voorgeschoteld krijgen is dat van een geprangde man, Gerard Reve geheten, ‘een vat vol tegenstrijdigheids’ die al op jonge leeftijd zijn doos van Pandora had geopend en stuitte op zoveel paradoxen die hij alleen schrijvend de baas kon blijven: hij voelde zich katholiek, maar was marxist, en toen hij katholiek werd, vond hij dat eigenlijk maar poppenkast. Hij trouwde maar was homo, en toen hij praktiserend homo was, haatte hij nichterigheid. En zo is zijn stijl: archaïsch, maar die archaïsche, mooie, ouderwetse, beleefde woorden en zinsdelen gebruikt hij om geil en soms ordinair te zijn, verheven en plat liefst in één zin; sadist zijn en lief, assisteren bij het martelen van een jongen, juist om hem te redden; pijn lijden om verlost te worden van de pijn. Dat zit allemaal in die brieven. Het zijn daarom ook meesterlijke brieven.