Toen ik op de eerste ochtend van mijn stage de redactievloer opliep, was ik ergens toch verbaasd dat er amper mannen in pak zaten te roken, met hun voeten op tafel, terwijl ze in hun andere hand een telefoon met zo’n draaischijf vasthielden en de hoorn tegen hun schouder hadden geklemd. Dat het allemaal niet in grofkorrelig zwart-wit was en dat je in de buurt van station Rotterdam Alexander nergens – althans: niet zonder dat het behoorlijk gênant was – tijdens de lunch dronken kon worden.

Ik had alle films gekeken (‘Geef me een tweede bron, McWaarheid!’) en alle memoires van New Yorker-redacteuren uit de jaren veertig, vijftig én zestig gelezen. Ik had het einde gehaald van Gay Talese’s The Kingdom and The Power en zelfs een korte opleiding tot dagbladjournalist gevolgd, al was ik daar niet aangenomen omdat men enig vertrouwen in mij had als toekomstig verslaggever maar omdat ik een jaar eerder op de een of andere manier iets in De Groene had weten te publiceren.

Ik was geen goede stagiair. Ik deed mijn best om mezelf nuttig te maken en om in ieder stukje dat ik wel in de krant kreeg minstens twee literaire verwijzingen te verstoppen. Maar wat ik ook probeerde, de duidende trendverhalen waar de jonge, hippe krant om bekendstond kon ik met geen mogelijkheid bedenken.

Er was een moment waarop ik dacht dat ik beethad. Dat er iets niet deugde aan de financiering van een leerstoel, geloof ik. Niet dat er was gesjoemeld met geld of zo, maar gewoon dat er wat belangen door elkaar waren gaan lopen. Maar de topeconoom van de universiteit in kwestie belde zodra ik een mailtje had gestuurd op. Vanuit het vliegtuig zelfs, meen ik. En zonder dat ik wist wat ik ertegenin moest brengen maakte hij dat waarvan ik dacht dat het toch een vervelend klein bommetje was, onschadelijk. Ik geloof dat de redacteuren om me heen, voor zover ze doorhadden dat ik bestond, het allemaal een beetje meelijwekkend vonden.

Een belachelijk lange aanloop om te zeggen: ik had een nogal romantisch maar toch vooral ook een beetje een infantiel beeld van de journalistiek. Ik wilde van alles en ik kon niks. Maar goed, fake it till you make it.

Ik dacht eraan terug toen ik vorige week in de Volkskrant die advertorial zag. Twee respectabele journalisten hadden zich, in een klein moment van verstandsverbijstering, laten verkleden als, jawel, journalist. De kleine lettertjes langs de rand van de bladzijde vertelden dat het een productie van ‘DPG Media Studio’ was, in opdracht van The Walt Disney Company. Het was reclame voor The French Dispatch, een film van Wes Anderson die losjes is gebaseerd op het roemruchte verleden van The New Yorker.

Hier was de ironie toch op z’n minst gevierendeeld en aan de varkens gevoerd

In een kader stond een citaat: ‘Journalism is printing what someone else doesn’t want printed. Everything else is just public relations.’ Die woorden werden, onterecht, toegeschreven aan George Orwell. Wat een slagveld was het. Hier was de ironie toch op z’n minst gevierendeeld en aan de varkens gevoerd.

Het waren sowieso roerige weken, als we het over journalistieke ethiek hebben, want kort daarna was er ook nog die deepfake-video van Mark Rutte op De Correspondent. De reacties waren voorspelbaar. Maar het ‘gevaarlijk!’ en ‘hellend vlak!’ leken me wat overtrokken, al zou ikzelf toch ook zeggen dat ‘beeld manipuleren principieel niet doen’ in de journalistiek wel een goede richtlijn is. En je hoeft niet heel cynisch te zijn om te zien dat Op1 Rob Wijnberg had gestrikt als gast en te denken: voilà, missie geslaagd. Misschien alleen nog even met een uitgestreken smoel zeggen dat het jammer is dat iedereen het over de vorm heeft en niet over de inhoud.

Instinctief wantrouw ik dat hele idee van constructieve journalistiek nogal, maar ergens begrijp ik best dat jezelf de opdracht geven ook toekomstperspectief te schetsen een meerwaarde kan hebben voor de manier waarop je naar het heden kijkt. En hoewel het lastig is om door je eigen bubbel heen te kijken, waar de meeste journalisten het allemaal maar cringy eigenpijperij en geldverspilling vonden, vond het gewone lezerspubliek het over het algemeen volgens mij wel een leuk initiatief.

Wat zat me nou zo dwars? Dat er allemaal volwassen mensen daadwerkelijk hoop uit leken te putten, denk ik. Dat ze het verademend noemden en toch een beetje in katzwijm vielen bij Mark Rutte die klonk als Joop den Uyl. Die reacties deden soms vermoeden dat hier vooral een psychologische nood werd gelenigd. Eindelijk een politicus die zegt wat wij willen horen. Laat dat iemand hem heeft verzonnen de pret niet drukken.

Prima natuurlijk om mensen zo nu en dan voor te houden hoe de wereld zou kunnen zijn, en inhoudelijk viel er niet veel op de speech aan te merken, maar de beste journalistiek is uiteindelijk journalistiek die mensen recht in de afgrond laat staren, daar ben ik van overtuigd. Journalistiek die maakt dat ze iets inzien wat ze liever niet zouden willen inzien.

Het hele probleem van de klimaatcrisis is niet dat het onze leiders niet lukt om tot oplossingen te komen. Het is dat het verreweg de meesten van ons niet lukt de ernst van de situatie echt te bevatten.

De revolutie waar de klimaatcrisis om vraagt komt niet dichterbij met wat warme gevoelens die worden opgeroepen door gedroomd leiderschap. Misschien is een betere wereld mogelijk, ik denk het op goede momenten ook weleens, maar een vrij evidente waarheid is dat hij dat niet is met behoud van Mark Rutte.