21 december 1972

De Restauratie van de Nederlandse Literatuur in het begin van de Jaren Zeventig

Er is iets aan de gang over de hele linie van het officiële kunstleven. Jarenlang is er gejeremieerd over de onmogelijkheid van een Nederlandse film, alles wat er was en bleef was Bert Haanstra, tot er plotseling een doorbraak is gekomen, niet met een vaderlandse nouvelle vague of politieke film, maar met rolprenten waarin dankbaar gebruik gemaakt wordt van boulevardsentimenten die met de walletjes, de Bijlmermeer of het Vlaamse achterland verbonden zijn. De hoofdzaak is bereikt: de kassa’s rinkelen.

In het theaterbedrijf, waar de malaise groter was dan waar ook, wordt gepoogd de zalen weer vol te krijgen door diverse vormen van ‘volkstoneel’ nieuw leven in te blazen, het meest recent door Lodewijk de Boer die het, lonkend naar de boeiende kracht van de televisie, de moordenaar van de schouwburg, in zijn hoofd gezet heeft Peyton Place vertaald als Family op de planken te zetten.

Het lijkt een tendens die zich over het hele front van de kunsten begint af te tekenen en die met de volgende, vooral negatieve kenmerken te karakteriseren is: afkeer van elk experiment en teruggrijpen naar beproefde vormen en stijlen; in plaats van experimenten en geplande konstruktie komt het spontane gevoel, met allerlei elementen van anti-intellektualisme; een poging een greep te krijgen op een breder publiek door in te spelen op populistische sentimenten, een poging dus tevens om de kunstmarkt weer nieuw leven in te blazen waarvoor een groter publiek moet worden aangetrokken onverschillig van welke aard dit is en welke behoeften het heeft. Inhoudelijk wordt kunst in het algemeen weer gepresenteerd als een veilige wijkplaats voor de problemen van alledag (hoezeer de produkten ook worden aangeprezen als spiegel van het volle leven en antwoord op de vraag van het publiek). Grof gezegd kan men de tendens samenvatten als een vlucht voor de realiteit, ofwel een echte vlucht in de fantasie, het verleden, het exotische (zoals ook geldt voor een deel van de zgn. subkultuur) ofwel een ‘innerlijke emigratie’: subjektieve gevoelens en belevingen, nieuwe zakelijkheid, neo-romantiek.

In de literatuur overweegt het laatste, zij het in verschillende variaties: in de poëzie de stroom van praatgedichten geënt op Barbarber, Buddingh’ en Campert of de neoromantiek van Armando, Verhagen, Gerrit Komrij, Habakuk II de Balker, Jacob der Meistersänger enz. In het proza: Van het Reve, Hugo Claus met zijn Het jaar van de Kreeft, Heere Heeresma, Hans Plomp, Biesheuvel, en daarnaast het meer knusse werk van Luijters, Vervoort, Van Keulen, Van Doorn, Karsen Kuik en vele andere namen die o.a. zijn aan te treffen in Soma.

FATALISME EN VERZOENING

Men dreigt al gauw in spekulaties verzeild te raken wanneer men voor het hier aangeduide fenomeen een verklaring zoekt. Het is belangrijk de verschillen in het oog te houden. Maar men raakt in cirkelredeneringen verstrikt als men deze nieuwe tendens in de kunsten uitsluitend als een nieuwe artistieke stroming beschrijft, louter een reaktie op voorafgaande stromingen. Binnen dat kader verricht bijvoorbeeld de ontwikkeling naar een meer realistische, dwz. meer op de werkelijkheid gerichte vormgeving in de schilderkunst opruimingswerk ten aanzien van de veresthetiseerde vorm- en techniek kultus. Realisme in de kunst is uiteindelijk geen stilistische kwestie maar iets dat afgemeten dient te worden aan de realiteit die in het spel is. Daarom geloof ik dat deze reaktie meer inhoudt en slechts in beperkte mate een progressief karakter heeft.

Om dat te beoordelen is het nodig één oog van de kunst af te wenden en tegelijk te kijken naar de maatschappelijke ontwikkeling waarvan zij deel uitmaakt en waarop zij reageert (of waarvan zij zich distantieert). Hoe nodig ook voor een exakte bepaling van de aard en interne verschillen van deze stroming, het uitpluizen van afzonderlijke werken biedt in dit stadium te weinig houvast voor een meeromvattende en objektieve plaatsbepaling.

Dit is trouwens een praktisch probleem waar een kritikus, die wil vaststellen waar een werk, een auteur of een stroming maatschappelijk gezien voor staat, wat zij representeren, telkens mee te maken heeft. Dit probleem speelde ook bij een bespreking van Biesheuvels In de bovenkooi, waarin ik aan de hand van enkele kenmerken (de ironische distantie, het pleidooi voor solo-denken, het ongekontroleerde doorvertellen, de anachronistische taal en verteltrant) het boek reaktionair noemde. Als kenmerken op zich, en dat is door C. ’t Hart terecht in een ingezonden brief van vorige week opgemerkt, is een dergelijk oordeel voor hetzelfde geld omkeerbaar. Niet echter wanneer iemand als Biesheuvel als vertegenwoordiger van een stroming gezien wordt, een literaire stroming in dit geval die duidelijk een sociale implikatie heeft. Dat is alleen al op te maken uit de kritieken, blij wordt de facelifting van de goede oude tijd van alle kanten begroet.

Op dit moment teruggrijpen naar het ego-verhaal, naar de zelfstandigheid van het individu is een vorm van reaktie. Die kan progressief zijn wanneer het een protest is tegen de gelijkschakelende massifikatie van mensen door het kapitalisme in de industriële produktie, de staatsbureaukratie, het onderwijs en het amusement. Het wordt iets anders wanneer men de massa zelf als bedreiging ziet, oorzaak en gevolg verwart en het subjektieve zonder enige reserve, het solisme als laatste toevluchtsoord ziet voor een alomtegenwoordige bedreiging, waaraan alleen te ontkomen valt door afzijdigheid en aanpassing; en men door zich in het ego op te sluiten ontkent dat er mogelijkheden tot veranderingen zijn omdat de maatschappij een natuurlijk woekerende jungle zou zijn waar men zo soepel mogelijk zijn plaats in moet zien te vinden. Fatalisme en verzoening dekken elkaar hier. Bij Mensje van Keulen is dit ‘geobjektiveerd’ in de kleinburger Bleeker, bij anderen in dezelfde beoordeling in een subjektivistisch relaas verwerkt.

De psychologische roman was eertijds een wanhopige poging van het als kleine warenproducent werkende individu om het opdringen van nieuwe technische eisen te stuiten. Het onmogelijke werd geprobeerd, tegen alle feitelijke ontwikkelingen in aan de idylle vast te houden van de vrije persoonlijkheid, het innerlijk als mansgat waarin het individu kon schuilen voor de overmatige monopoliekapitalistische maatschappij.

Was daarin – zij het min of meer onbewust – nog een verzet aanwezig, het ‘zakelijke realisme’ van de nieuwe stroming is een akkoord dat gesloten wordt met de wereld zoals ze is.

EXPERIMENTEN

Misschien is wel de vorm waarin het verschijnsel zich voordoet voor een deel toevallig, niet het feit dat het zich nú voordoet. Experimenten in de kunst, zoals ook op alle andere gebieden, kunnen op stapel gezet worden louter om de esthetische aspekten van kunst een ander aanzien te geven of om de noodzakelijke doorstroming op de kunstmarkt te bevorderen. Een zinniger motief is echter: de kunst inhoudelijk te veranderen met het oog op de veranderde sociale omstandigheden en andere funktie van kunst en esthetische technieken daarin.

Zo beschouwd zijn experimenten met het medium kunst op één lijn te stellen met alle andere pogingen tot verandering van de produktieverhoudingen en funktieverandering van de produktiekrachten. Men kan bijvoorbeeld bij Brecht nalezen wat van deze experimenten verwacht moet worden, in elk geval één ding: dat ze niet het werk van geïsoleerde individuen kunnen zijn. Door de plaatsing van deze experimenten in het kader van de revolutionaire arbeidersbeweging is ook het denken over kunst veranderd, zoals in de universiteiten het denken over wetenschap. Het is daarom belangrijk te zien hoe kunst en wetenschap feitelijk functioneren, waarvoor restauratie van vroegere vormen en gedachten dient, om meer in positieve zin over een andere funktie van kunst en literatuur te kunnen praten. De experimenten die gedaan werden hebben de situatie op kunstgebied evenwel niet gemakkelijker en overzichtelijker gemaakt.

De al langer bestaande impasse van de kunsten werd erdoor verhevigd, een impasse die o.m. veroorzaakt is door de steeds grotere kloof tussen kunst als amusement die op industriële wijze gefabriceerd en gedistribueerd wordt en de ‘avantgarde-kunst’, met daartussen de zgn. hogere kunstvormen die lonkend naar de massale afzet van de amusementsprodukten deze probeerden na te bootsen – met een kwaad geweten weliswaar, verpakt in kwasi-demokratische slogans. Maar ook dat kwaad geweten is goeddeels verdwenen.

Nu de ergste storm voorbij lijkt, degenen voor wie aktie en revolte slechts een mode was weer tot de oude orde van de dag zijn teruggekeerd, met andere woorden: de reaktie zich op alle fronten weer opmaakt om alle gevierde teugels weer stevig aan te trekken, maakt ook de kunstindustrie zich op, de opgelopen schade weer in te lopen. Daar zijn geen opdrachten voor nodig, het regelt zich blijkbaar zelf.

Van experimenten, of ze nu van politieke of van meer technische aard zijn, kan moeilijk verwacht worden dat ze snel een groot publiek zullen krijgen. De officiële tusseninstanties, de kritiek, de boekhandel enz. zijn weinig stimulerend. En bij het literatuuronderwijs is, getuige de zich al tientallen jaren herhalende literatuurlijsten geen enkele aansluiting. De uitgevers wachten zich er voor, op enkele uitzonderlijke gelegenheden na, het publiek tegen de haren in te strijken, zodat het niet verwonderlijk is dat zij alle belang hebben bij een literatuur die wat gemakkelijker in de markt ligt en niet minder literair verantwoord is. Onverplichte lectuur, nochtans fijnzinnig van toon, een genoegen verschaffend waarover slechts in kulinaire termen te spreken valt, kortom: een restauratie van de literatuur gelijk opgaand met de restauratie van politieke rust en orde.

JONGEREN

De namen die ik noemde geven wel aan dat het niet alleen een jonge generatie betreft, opvallend is niettemin dát het voornamelijk jongeren zijn. En het lijkt me niet ver gezocht hier een van de resultaten te zien van de politisering van de subkultuur, die zich manifesteert in een volledige onthouding van elke politieke aktiviteit, beter nog: in een anti-politieke houding. Kultivering van het kleinburgerlijke ego, alsof we reeds leven in een universele middenstandsmaatschappij, waaruit alle scherpe tegenstellingen tussen klassen verdwenen zijn. Even relativerend als men staat ten aanzien van realiteiten als klassenstrijd, uitbuiting, organisatie, staan de schrijvers tegen de wetten van het kapitalisme zoals die ook gelden voor de kultuurindustrie. Men lijkt vooral beducht op aangenaam overleven d.w.z. men wil met rust gelaten worden.

De schrijver mag dus weer ongelimiteerd over zichzelf praten en zijn mening ten beste geven. Hij telt weer mee als persoon. Stemmingen zijn belangrijker dan doordringen tot de dingen zelf, d.w.z. de strikt persoonlijke verhouding tot de dingen staat voorop. Dat karakteriseert de stroom van jeugdherinneringen en het jeugdsentiment in zijn geheel: de ‘dingen’ die typerend voor die jaren waren worden met een waas van nostalgie omgeven en het private herinneringsbeeld wordt met veel omhaal van woorden gekultiveerd. Hieraan dient het lezen te beantwoorden, even vluchtig en oppervlakkig als de weergave op papier.

Het accent op de subjectieve houding in plaats van op de feiten en de situatie zelf heeft een principieel passieve houding tegenover het sociale leven tot gevolg, een genoegen nemen met de rol van toeschouwer, een door en door esthetische houding dus die op papier zijn weerslag vindt in een ‘aristokratische stijl’: elegant, fijngeestig, nerveus en gevoelig, sensibel en exotisch. ‘En niets is meer routinewerk dan de ironie, die het geroerde deeg van de persoonlijke mening als een bakmiddel doet rijzen’ (Benjamin).

De vrijblijvendheid van de ervaringen betekent meestal dat ze uitwisselbaar zijn, ook dat bewijst hoe weinig subjektief de subjektivistische impressie in feite is. Het realistische toontje heeft daarom weinig met realisme te maken, is eerder impressionisme, een nieuwe vorm van romantiek. De realiteit verschijnt als louter oppervlakte waaruit alles is weggeretoucheerd wat te maken heeft met de produktie en waarvan de betekenis afhankelijk is van de stemming van de waarnemer. De schrijver kleurt met zijn persoonlijke toets de werkelijkheid naar eigen wens. Achter alle relativisme staat hevig geworteld het geloof in de autonomie van de individuele schrijver. Het is de waarneming van de pure konsument.

De uitgevers halen opgelucht adem, de critici betuigen hun dankbaarheid, de tekortgedane lezers komen weer aan hun trekken en de vvd heeft fors gewonnen. •