H.J.A. Hofland

De retoriek van de rechte ruggen

Er zullen Nederlandse soldaten sneuvelen in Uruzgan. Dat zegt kolonel Otto van Wiggen, die ervaring heeft in Afghanistan. Hij is commandant geweest van de Nederlandse commando’s die in Kandahar waren gelegerd. Ik geloof de kolonel. De Taliban hebben zich gereorganiseerd, de gevechten worden talrijker en heviger, er zijn de afgelopen maand al honderd of meer strijders gesneuveld en ook een aantal Britten en Canadezen. Als straks een paar landgenoten in een lijkenzak (body bag is ons eufemisme) terugkeren, mag ons dat niet verrassen.

Ik ben het met de kolonel eens. Maar niet met wat hij erop laat volgen. «Dan ben ik benieuwd hoe sterk de ruggengraat van onze samenleving is. Maar ik hoop wel dat Nederland zich trots toont als de militairen onder moeilijke omstandigheden hun werk doen.» Door onze ruggengraat ter sprake te brengen, geachte heer Van Wiggen, geeft u de discussie een verkeerde wending. Natuurlijk is een land er trots op als het dappere soldaten heeft. Maar het gaat niet alleen om de betoonde moed. Als je ruggengraat toont hoort dat ook zin te hebben, ben je ervan overtuigd dat je er een waardevol doel mee bereikt. Onafhankelijk van de moed van de soldaten is dat doel politiek bepaald.

In Afghanistan, zoals in een groot deel van het Midden-Oosten, is het einddoel de vestiging van een soort democratie die enigszins op de westerse lijkt, met vrijheid en gelijkheid. Daarmee zou ook de oorlog tegen het internationaal terrorisme de overwinning naderen. Dat zijn mooie doelstellingen, daarover zijn we het althans in het Westen eens. In de afgelopen vijf jaar is vooral door de Amerikanen veel ruggengraat getoond, maar de verwachte resultaten zijn uitgebleven. Daardoor vragen steeds meer mensen zich af of onze methoden wel deugen.

De overwinning in Afghanistan, in 2001, leek een goed begin. Daarna begon de oorlog in Irak die ertoe leidde dat dit land in een bloedige chaos is veranderd. Iran, waarvan we niet zeker zijn of het wel of niet een kernwapen wil maken, is een onoplosbaar probleem. De routekaart naar de vrede tussen Israël en Palestina is een onbruikbaar document geworden. Kijken we voor de volledigheid nog even naar de collateral damage die daarbij is veroorzaakt: Abu Ghraib, Guantánamo, geringere mishandelingen waaraan Amerikanen zich in Irak hebben schuldig gemaakt. Een Amerikaanse buitenlandse politiek waardoor het machtigste bondgenootschap ter wereld gedegenereerd is tot een gezelschap waarin onderling wantrouwen de toon zet. En nu moet de navo het werk doen dat de Amerikanen toen hebben laten liggen omdat het Midden-Oosten moest worden bevrijd.

Wie verder kijkt dan de rechte ruggen van de soldaten en van de politici door wie ze zijn gestuurd, moet wel tot de conclusie komen dat bijna vijf jaar na 9/11 het Westen er in strategisch opzicht niet op vooruit is gegaan, om het zacht te zeggen. In plaats van dat «we» ons volgens de regels van de krijgskunst erop hebben toegelegd op één front de overwinning te behalen, om ons daarna op het volgende te concentreren, hebben «we» steeds meer fronten geopend waar de overwinning ver weg is. «We», Amerika en Europa samen, want zo is het nu eenmaal. Afghanen, Irakezen, ze zien alleen mensen met een helm en een geweer.

Fundamenteel blijft natuurlijk Israël-Palestina, in het bijzonder nu de strook van Gaza, waar de Palestijnen collectief worden gestraft na de verkiezing van de Hamas-regering en de ontvoering van een Israëlische soldaat. Afgezien van het persoonlijke drama: zou er iemand zijn die serieus denkt dat de Palestijnen op vreedzamer gedachten worden gebracht als hun elektriciteitscentrales worden verwoest, waterleidingen afgesneden, ziekenhuizen ontoegankelijk gemaakt, terwijl ’s nachts boven hun hoofd straaljagers de geluidsbarrière doorbreken? Opnieuw escaleert het conflict, kennelijk met instemming van de grote wereldleider in Washington die niets van zich laat horen. Dat merken ook de Arabieren, die door hun eigen tv-zenders zorgvuldig op de hoogte worden gehouden.

Wij in het Westen lezen en zien op de televisie wel wat er aan de fronten gebeurt. We zijn min of meer op de hoogte. Maar daarna is weer het wereldkampioenschap voetbal aan de orde, de Tour de France, de vermoorde meisjes, het warme weer, Hirsi Ali. Al het nieuws samen is onze dagelijkse variété. We kunnen niet begrijpen dat het nieuws van de oorlogen in de Arabische wereld en Afghanistan daar een cumulatief effect heeft, nu al bijna vijf jaar als we Palestina niet meerekenen. De enorme strategische vergissing van onze oorlogsleiders is dat ze daarmee al die tijd geen rekening hebben gehouden. Juist daardoor komen ze telkens voor nieuwe verrassingen te staan, zoals nu misschien in Uruzgan. Een half jaar geleden was het daar volgens onze eigen Haagse leiders nog betrekkelijk veilig. Deze week hebben we van een veteraan, kolonel Van Wiggen, weer een nadere opheldering gekregen. Die zal de laatste niet zijn.

Ik heb al eerder geschreven dat Nederland deze missie niet zou moeten ondernemen zolang de in Washington bedachte macrostrategie niet verandert. Nu is het ruimschoots te laat om op dat besluit terug te komen. Rechte ruggen! Dat is de boodschap. Nu we die uitdrukking toch gebruiken: het was beter geweest als onze ministers Balkenende, Bot en Kamp een rechte rug hadden getoond toen Nederland de oproep voor Afghanistan kreeg.