Cor Vaandrager

De Reus van Rotterdam

Cor Vaandrager

De Reus van Rotterdam en De Hef

Uitg. De Bezige Bij, 498 blz., € 22,50

De echte Reus van Rotterdam was de tragische broodjesverkoper annex gaslantarendover Rigardus Rijnhout (1922-1959). Met twee meter en 32,5 centimeter was hij de langste Nederlander aller tijden. Rijnhout woog 230 kilo en had schoenmaat 62. Hij werd als gezonde baby geboren, maar na zijn derde levensjaar begon hij opeens heel hard te groeien. De dokters ontdekten een afwijking aan zijn hersenklier en dat was dan ook de oorzaak van zijn enorme lengte.

Financieel gezien was het voor zijn familie geen vetpot omdat hij vijfmaal zoveel at als een normaal mens. Ambtenaren van de dienst Maatschappelijk Hulpbetoon controleerden of hij werkelijk zoveel voedsel at als werd beweerd. Door zichzelf te verhuren als wandelend reclamebord voor bedrijven werd hij al snel een bezienswaardigheid in de stad. Nadat hij door een val van zijn fiets in een invalidenwagen terecht was gekomen, verkocht Rigardus ansichtkaarten van zichzelf bij de Spido en Maastunnel. Voor zijn opname in het Academisch Ziekenhuis in Leiden moest een hijskraan worden ingezet die hem via het raam vanaf de tweede etage naar beneden takelde. Zes maanden daarna overleed de Reus van Rotterdam op 36-jarige leeftijd.

Dat de Rotterdamse schrijver Cornelis Bas tiaan Vaandrager (1935-1992) zich identificeerde met de tragische Rijnhout was een poëtische wetmatigheid. Ook Vaandrager was op zijn manier een reus, zij het dan vooral de reus van artistiek Rotterdam. In zijn grote epos De Reus van Rotterdam uit 1971 verbindt Vaandrager op de hem kenmerkende onnadrukkelijke wijze het tragische leven van Rijnhout met dat van hemzelf. Ook Vaandrager was op zijn manier te groot voor zijn stad. Hij zat in de Rotterdamse bohème opgesloten. Ook hij was eenzaam — niet door zijn lengte, maar door zijn noodlot dichter te zijn in een stad die vooral alleen maar wilde werken en waar dichters op z’n hoogst worden geduld.

Zoals het de ware reus betaamt, was Vaandrager ook niet bepaald een vriendelijk mens, zo blijkt uit de herinneringen die zijn vrienden en collega-literatoren over hem ophalen in het speciale Vaan drager-nummer van het tijdschrift Passionate. Hij had een hekel aan iedereen die meer succes had dan hij, en dat waren bijna al zijn vrienden: Bob den Uyl, Armando, Hans Verhagen, Simon Vinkenoog, Hans Sleutelaar, Jan Cremer, Cees Buddingh’. Met name aan collega-dichter en medeburgemeester van de nacht Jules Deelder («een aars maai», «een laffe, karakterloze en leugenachtige meespeler», aldus Vaandrager in zijn boek De Hef uit 1975) had Vaandrager een legendarische hekel. Ooit duwde Vaan drager Deelder van de hoge steile trap van het vermaarde etablissement Jazzhouse, en sindsdien kwam het nooit meer goed tussen de twee.

Ondertussen ging het met Vaandrager van kwaad tot erger. Zijn jarenlange consumptie van speed en andere harddrugs deed zijn communicatieve gaven weinig goed. Hij belandde als psychiatrisch patiënt in de beruchte Delta-kliniek en eindigde als een bezienswaardigheid in het Rotterdamse nachtleven, als een man die louter nog in onbegrepen poëtische oneliners sprak en de rest de wereld met een diep wantrouwen bekeek.

Als gevolg van een enorme verzamelwoede — Vaandrager laadde zijn woning vol met spullen die hij bij het vuilnis vond — ging de Gemeentelijke Reinigingsdienst uiteindelijk over tot ontruiming, zodat hij aan het eind van zijn leven een stadsnomade werd, om uiteindelijk aan een verwaarloosde longontsteking te bezwijken.

In de jaren zestig en zeventig was Vaandrager niettemin een soort prins der dichters, een levende legende, door uitgevers beschouwd als een potentiële bestsellerschrijver. Samen met zijn vriend Hans Sleutelaar introduceerde hij de Nieuwe Zakelijkheid, ook wel De Nieuwe Stijl, in de Nederlandse letteren. Vaandrager en Sleutelaar namen zich in de culturele woestenij van het naoorlogse Rotterdam voor de nieuwe Ter Braak en Du Perron te worden. Hun stijl was gericht op de exploitatie van het alledaagse. Niet voor niets luidt het beroemdste gedicht van Vaandrager: «De kroketten in het restaurant/ zijn weer aan de kleine kant». Doordat ze beiden als copywriter werkten bij het reclamebureau Lintas — werkend voor Unilever — ontwikkelden ze een gemeenschappelijke, economische stijl, die zo concreet mogelijk moest zijn, zo weinig mogelijk «literair». Het ideaal was de coolheid van de jazz à la Charlie Parker en Chet Baker, waarmee Vaandrager en Sleutelaar als geen andere Nederlandstalige literatoren in de buurt kwamen van het literaire evangelie van de Beat-generatie van Kerouac en Allen Ginsberg. Met even groot gemak absorbeerde Vaandrager eind jaren zestig de invloed van de popmuziek, zodat zijn boeken vol staan met verwijzingen naar het oeuvre van Dylan, The Velvet Underground, Jimi Hendrix, Neil Young en zelfs Alice Cooper. Zijn bekendste prozaboeken — De Reus van Rotterdam en De Hef, die nu door De Bezige Bij zijn heruitgegeven in één kloek deel — vormen zonder meer de meest consequent doorgevoerde vertolking van deze Nieuwe Stijl.

Vaandrager maakte als geen ander gebruik van literaire readymades: brieven van ambtelijke instanties, reclameteksten, formulieren, krantenberichten, alle flarden van het grootstedelijke leven verwerkte hij in deze twee meesterproeven, geschreven in een taal die regelrecht van de Rotterdamse straat kwam, en dan nog in de turboversie van de onvervalste speedfreak.

«Deze boeken zijn in de Nederlandse literatuur onovertroffen, als hoogte- en als dieptepunten», zo schrijft Martin Bril in zijn voorwoord. «Geen schrijver heeft zijn strijd met het schrijven zo blootgelegd als Cor Vaandrager. Zijn eigen falen was het onderwerp dat hij door alles heen overal zag. Zijn schaamte, angst en eenzaamheid verheerlijkt hij niet, en verdoezelt hij niet. Die zijn overal voelbaar. Zijn werk is zo eerlijk dat het soms pijn doet om het te lezen.»

Wat bij herlezing van De Reus van Rotterdam en De Hef (naar de legendarische spoorbrug boven de Maas) vooral blijft hangen, is het tragische gevoel dat Vaandrager een stuk beter af was geweest als hij zijn antiburgerlijke hang naar het experiment op het beslissende moment had kunnen laten varen. Juist wanneer hij op zijn droge, o zo ingehouden en daardoor ontroerende wijze herinneringen ophaalt aan zijn dagen als «onopvallend en onopgemerkt jongetje in het naoorlogse Rotterdam», wordt de lezer zo’n dertig jaar na dato nog altijd getroffen door de oer-Maasstedelijke melancholie waardoor Vaandrager werd gedreven. Juist door de toentertijd ongetwijfeld als uiterst hip en eigentijds ervaren fragmentatietechnieken maken De Reus van Rotterdam en De Hef nu toch een gedateerde indruk. Vaandragers literaire werk was waarschijnlijk een veel langere houdbaarheidsdatum beschoren als hij gebruik had gemaakt van de traditionele literaire middelen, die hij getuige zijn klassieke autobiografische debuutnovelle Leve Joop Massaker uit 1960 trouwens ook tot in de perfectie beheerste.

Niettemin moet de heruitgave van Vaan dragers klassieke Rotterdamse vertellingen op zijn waarde worden geschat. In ieder geval krijgen jongere generaties eindelijk de kans zich te laten onderdompelen in de kolkende nachten van het Rotterdam van de jaren zestig en zeventig, in de Exit, deDizzy en de Heavy, waar men zich geen betere gids dan C.B. Vaandrager kan wensen. Met het rijzende tij van Wilhelmus Fortuyn, de nieuwe Reus van Rotterdam, zijn de herinneringen aan die good old days alleen maar smartelijker geworden.