Na Trump: Angst en geopolitiek

De revanche der passies

Angst was een belangrijke drijfveer om op Trump te stemmen. Wereldleiders als Poetin begrijpen hoe angst als wapen kan worden ingezet. Bange landen kunnen de internationale orde instabiel maken.

Medium nn11490583

Heeft u al gecheckt waar de dichtstbijzijnde atoomschuilkelder is? De inwoners van Moskou wél, vorige maand, als zij tenminste de raadgevingen van het regeringsgetrouwe tv-station ntv hebben opgevolgd. In heel Rusland deden miljoenen mensen mee aan oefeningen ter bescherming van de bevolking. Het standpunt van de regering-Obama dat het om humanitaire redenen wenselijk was om boven Aleppo een no fly-zone in te stellen, en dat het Kremlin dat niet wilde, was in de gelijkgeschakelde media van Rusland voldoende aanleiding om het vooruitzicht van een Derde Wereldoorlog op te roepen.

Obama’s Amerika wordt door het Kremlin in de media ad nauseam aangeroepen als de belichaming van alles wat fout, agressief en mensonterend is in de wereld. Je mag dus aannemen dat, net als in de sovjettijd, Russen enige ironische weerstand hebben tegen propagandabombardementen. Al blijkt uit opiniepeilingen wel dat de meeste Russen Amerika als een bedreiging zien. De beschuldiging dat de VS vorige maand een nucleaire aanval in de zin hadden, was overigens vooral voor binnenlands gebruik. Dat was in 2014, na de Maidan-opstand in Kiev en de inname van de Krim ook al zo, toen op de Russische televisie af en toe pakkende computeranimaties te zien waren van Russische kernwapens die Washington of Berlijn in de as legden, de veronderstelde instigatoren van de ‘neonazi-coup in Kiev’.

Toen ik zo’n video eens aan mede-Nederlanders liet zien, reageerden ze met ongeloof: was het een grap? De op het Westen gerichte Kremlin-propaganda – op tv-station RT of de websites van Sputnik – doet nauwelijks aan dit soort bangmakerij. Die is meer gericht op versterking van in het Westen levende onlustgevoelens, zoals de veronderstelde radeloosheid van West-Europese politici bij de horden die de Middellandse Zee oversteken, en de heldhaftige opkomst van partijen en bewegingen die zich teweerstellen tegen het verkwanselen van hun nationaal bestaan aan Amerikaanse hegemonie of de uitbuiting door de Europese Unie.

De afgelopen maanden was de verkiezingsstrijd in de Verenigde Staten een belangrijk onderwerp: Donald Trump had volkomen gelijk; het politieke systeem van de VS was volkomen corrupt en zou hem van zijn verdiende overwinning afhouden. Trumps zege bracht in alle Russische media een radicale omslag: de democratie had gewonnen! De onder president Poetin tot schijnparlement verworden Staatsdoema barstte uit in een ovatie voor Trump. Een extreem-nationalistische groep Kozakken bood hem het erelidmaatschap aan. Even geen zorgen, de Derde Wereldoorlog staat op pauze.

Angst, weet het Kremlin, is een wapen dat met zorg dient gehanteerd. Dan kan het heel effectief zijn, zoals de Joegoslavische oorlogen in de jaren negentig goed lieten zien. In een maandenlang propaganda-offensief, vooral op de televisie, overtuigden nationalistische media brede lagen van de bevolking ervan dat de ‘anderen’, Serviërs, Kroaten, moslims, Kosovo-Albanezen et cetera, een genocide in de zin hadden. Er zat niets anders op dan ze voor te zijn. Meer liberale, op verdraagzaamheid gerichte media gingen in dit propagandageweld ten onder of werden, zoals de federale televisie, de nek omgedraaid. De opzet slaagde: moorddadig optreden van de eigen oorlogspartij ten opzichte van een andere kon bij een ruime meerderheid van de bevolking op enthousiaste steun rekenen.

Rusland was de afgelopen maand niet het enige land waar de bangmakerij regeerde. De verkiezingsstrijd in de Verenigde Staten kenmerkte zich door een krachtig beroep op de angst dat de kandidaat van de tegenpartij president zou worden. Meer inhoudelijke campagne-onderwerpen speelden nog maar nauwelijks een rol. Donald Trumps visie op klimaatverandering als mythe en zijn voornemen het cop-verdrag op te zeggen, kwamen bijvoorbeeld helemaal niet voor in de drie tv-debatten tussen Trump en Clinton – om maar eens een onderwerp te noemen dat ook veel Europeanen tot grote bezorgdheid stemt.

Breed uitgemeten werd daarentegen de vrees dat een overwinning van de ander het einde van alles zou betekenen. Trump had het over een ‘laatste kans’ om te voorkomen dat honderden miljoenen vreemdelingen, waaronder talloze terroristen, de VS zouden overstromen en een volkomen corrupte Democratische elite de laatste resten werkgelegenheid aan het buitenland zou verkwanselen. Clinton stelde daar het vergezicht tegenover van een volkomen ontspoorde gek, die een eind zou maken aan alle beschaving.

Ook in deze rivaliteit speelde de angst voor een atoomoorlog een rol. Naar aanleiding van een krantenbericht dat de staf van Trump hem in het laatste weekend voor de verkiezingen zijn Twitter-account had afgenomen, om te verhinderen dat de kandidaat-president zich te elfder ure aan onproductieve haattirades tegen zijn persoonlijke vijanden te buiten zou gaan, stelde president Obama dat je iemand die je niet het tweeten kunt toevertrouwen ook niet de codes in handen moet geven waarmee hij een atoomoorlog kan ontketenen.

De westerse media, aldus Osama bin Laden, ‘planten angst en hulpeloosheid in de psyche van de volkeren van Europa en de VS’

Die alomtegenwoordigheid van angst past in een bredere ontwikkeling – de terugkeer in het internationale leven van heftige sentimenten als leidraad voor het handelen. ‘De revanche der passies’ noemde de Franse politicoloog Pierre Hassner dat vorig jaar in een boek over de ‘metamorfosen van geweld en politieke crises’. Onder die crisisverschijnselen rekent hij ook de opkomst van populistische partijen die zonder een duidelijk alternatief programma de strijd aanbinden met een verondersteld almachtige elite, de democratische instituties of meer in het algemeen de status-quo – zie de Brexit.

Nog maar zo kort geleden eigenlijk leek het gevoel te overheersen dat in wat de ‘internationale gemeenschap’ werd genoemd de toekomst was aan vrijheid en goed overleg tussen conflictpartijen, internationale justitie, integratie tussen voormalige vijanden, wereldhandel die bijdroeg aan een betere onderlinge verstandhouding en een meer rechtvaardige internationale welvaartsverdeling. Of die stabiele situatie – een min of meer voorspelbare ‘internationale orde’ – ooit echt heeft bestaan is natuurlijk de vraag, maar het staat als een paal boven water dat we er nu vér van af zijn geraakt: nationale ambities, godsdiensttegenstellingen, militaire veroveringsplannen, oorlogen en allerlei veelal uit het verleden opgediepte groeps- of nationale identiteiten en ressentiment bepalen het debat.

Angst speelt op de nieuwe emotionele wereldkaart een grote rol, meent Hassners leerling Dominique Moïse in zijn vorig jaar verschenen Geopolitiek van de emotie. Hij ziet de weerslag in de populaire cultuur: wereldwijd razend populaire tv-series als Game of Thrones en House of Cards tonen een wereld waarin naakte macht de dienst uitmaakt en een goede afloop eerder uitzondering dan regel is. Ze geven uiting aan bestaande gevoelens en versterken deze tegelijkertijd, meent Moïse. Osama bin Laden bleek, in een vraaggesprek in 2001, trouwens dezelfde mening toegedaan. De westerse media, aldus de terreurbaas, ‘planten angst en hulpeloosheid in de psyche van de volkeren van Europa en de VS’.

Het réveil der passies neemt niet overal in de wereld dezelfde vorm aan. In China, of India, of misschien zelfs Rusland overheerst eerder het heroïsche gevoel van een nieuwe, glorieuze toekomst, waarvoor concurrenten moeten wijken. Ook de inzet waarmee in sommige delen van de wereld volgelingen van de islam, het hindoeïsme en andere godsdiensten expansief te werk gaan, maakt allerminst een defaitistische indruk. Maar in de democratische landen van het Westen lijkt angst een steeds belangrijker verschijnsel – natuurlijk tot vreugde van hun vijanden, die daarin een aanwijzing denken te zien voor de decadentie van het Westen op het geostrategisch wereldschaakbord.

Vaak wordt de aanslag in 2001 op het wtc in New York als startpunt genoemd van de stemmingsomslag in het Westen, gevolgd door een niet-aflatende stroom andere terreuraanslagen. Maar de enige verklaring van de westerse angst kan dat niet zijn. De Britse essayist Tony Judt schreef kort voor zijn dood in 2010 dat in het Westen, voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog, weer ‘angst voor een onbekende toekomst’ heerste: wie zijn leven lang hard heeft gewerkt, kan niet meer zeker zijn van een levensavond met pensioen, en of de regering het terrorisme onder controle kan krijgen is onzeker.

Voor de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman is de vorm die de angst in het Westen aanneemt bepaald door het overheersende postmodernistisch cultuurpatroon, waarin begrippen van klasse, natie of ras hun geldigheid hebben verloren. Dat is aan de ene kant natuurlijk mooi: de in klassen, naties en rassen gekanaliseerde angsten hebben aan de wieg gestaan van menige oorlog of genocidaire campagne. Maar er is ook een schaduwzijde: de angst is geprivatiseerd. De mens ziet zich met zijn angst alleen gelaten. Die privatisering, meent de Hongaars-Britse socioloog Frank Furedi, werkt in de hand dat angst niet meer wordt gerelateerd aan bepaalde maatschappelijke problemen of concrete dreigingen die je te lijf kunt gaan, of aan een meer filosofisch uitgangspunt als de ‘vreze Gods’. Als probleem op zich wordt angst een soort ziekte van het individu, die met therapie kan worden bestreden.

Het verloop van de jongste Amerikaanse verkiezingen suggereert dat dit beeld van ‘postmoderne’ angst aan herziening toe is. Donald Trump benoemde in de campagne ongegeneerd groepen waarvoor je bang moest zijn, zoals Mexicanen. Zijn aanhang in de rust belt maakte er geen geheim van Trump te zien als de verlosser uit de ellende van de de-industrialisatie. Maar dat was nog niets vergeleken bij de golf van angst en afgrijzen die over de helft van de VS spoelde die niet op Trump gestemd had. Nog op de avond van de uitslagen raakte de website van de Canadese immigratiedienst overbelast en er was daags daarna nauwelijks een commentaar te zien in de mainstream media waarin niet woorden als fear, fright of anxiety voorkwamen.

De tabloidkrant New York Daily News had op de voorpagina een foto van het Witte Huis met de tekst ‘House of Horrors’. Columnist Thomas Friedman schreef in The New York Times zo bang te zijn dat ‘ik mij voor het eerst in mijn leven thuisloos voel in Amerika’. Angst werd ook veelvuldig als beweegreden genoemd door de deelnemers aan de anti-Trump-demonstraties die na de verkiezing in verschillende Amerikaanse steden plaatsvonden.

In 1914, net als nu, sloten na jaren van mondiale welvaartsgroei landen hun grenzen en was benepen nationalisme in opkomst

Als dit openlijk belijden van angst doorzet, is het een culturele omwenteling. Want in de VS is angst niet iets waar je makkelijk voor uitkomt, evenmin als in Europa trouwens. Net als hartgrondig pessimisme is het een gevoel waarmee je de verdenking op je laadt toch een beetje een loser te zijn. Niemand zal het bij een sollicitatieprocedure in zijn hoofd halen om rondweg te laten weten dat hij bang is, of zelfs maar pessimistisch over de toekomst van de wereld. Als iemand in politieke discussies van angst wordt beschuldigd, is het om hem in diskrediet te brengen. ‘Islamofoob’ en ‘russofoob’ zijn scheldwoorden waarmee degene die zich bezorgd toont over een dreiging van de islam of Rusland wordt neergezet als een manische, meelijwekkende figuur wiens argumenten je niet serieus hoeft te nemen. Wie angst toont, loopt het risico buitenspel te worden gezet.

Misschien zorgt dit taboe er mede voor dat een week na de Amerikaanse verkiezingen veel commentatoren al weer op zoek lijken naar lichtpuntjes: misschien worden de verkiezingsbeloften van Trump in de praktijk niet zo zout gegeten? Ook ten aanzien van Rusland bestaat behoefte aan geruststelling. In het boekje Should We Fear Russia? probeert Dmitri Trenin, directeur van de Moskouse vestiging van het Carnegie Instituut, aannemelijk te maken dat president Vladimir Poetin niet zozeer agressief bezig is, maar met eerbare bedoelingen poogt Rusland weer op de wereldkaart te zetten als grootmacht. Logisch dat hij daarbij af en toe flink op zijn poot speelt, anders zouden de Amerikanen doorgaan Rusland als quantité négligeable te behandelen.

Trenin is geen propagandist, maar een fatsoenlijke geleerde, die het wel uit zijn hoofd laat om de vraag uit zijn boektitel met een ondubbelzinnig ja of nee te beantwoorden. Hij lijkt Poetins streven naar internationaal aanzien grotendeels als legitiem te beschouwen, maar verheelt niet dat Rusland ook een reus op lemen voeten is. Een economische hervorming die de economie minder afhankelijk van energie-export zou maken, is niet in zicht omdat decentralisatie en bevordering van economisch initiatief voor de machthebbers machtsverlies met zich meebrengen.

Ook een autoritair systeem kan echter niet zonder politieke legitimatie binnenslands – als het geen welvaart is, dan iets anders. De Petersburgse politicoloog Vladimir Gel’man kenschetst Poetins systeem als ‘politiek van de angst’. De autoritaire regimes van nu hebben geleerd van de fouten van Stalin of Pol Pot of Hitler. Het is niet noodzakelijk om, ter behoud van je machtsmonopolie, met veel moeite miljoenen mensen in kampen op te sluiten of over de kling te jagen. Incidentele arrestaties en politieke veroordelingen, inzet van provocateurs, administratieve belemmeringen en af en toe een onopgeloste moord op een opposant zijn voldoende intimidatie om burgers ervan af te houden hun stem te verheffen. De angst dat je voor een bekentenis tot de oppositie een hoge prijs zult moeten betalen, is als instrument van repressie veel efficiënter dan de zekerheid dat je dat zult moeten. Wie denkt dat een staat met zulke manieren zich in het internationaal verkeer constructief en met respect voor andermans belangen en waarden zal opstellen, mag het zeggen. Zie Ruslands opstelling met betrekking tot Oekraïne, Syrië of in relatie met Nederland tot de zaak-MH17.

Voor Europeanen is het geen geruststellende gedachte in de nabijheid van een agressief optredend Rusland te verkeren, terwijl de Amerikaanse garanties voor de Europese veiligheid sinds de verkiezing van Donald Trump plotseling op losse schroeven lijken te staan. De historica Anne Applebaum schreef in maart van dit jaar dat het einde van ‘het Westen’ ophanden was. We zijn er drie catastrofale stembusuitslagen van verwijderd, was haar stelling toen: Brexit, Trump als president en een overwinning bij de presidentsverkiezingen voor Marine Le Pen, die wil dat Frankrijk zowel de EU als de Navo verlaat. Inmiddels zijn we op twee derde, en bovendien heeft Trump bijzonderheden verschaft over zijn benadering van Europa: Poetin vindt hij een goeie vent en de Navo een achterhaalde organisatie die Amerika te veel geld kost. De Amerikaanse nucleaire garantie voor Europa’s veiligheid komt volgens die redenering eigenlijk te vervallen. Poetin, geen vriend van al die irritant rijke democratische landjes aan de rand van het machtige Eurazië, heeft dat vast met vreugde gehoord.

‘Het Westen’ – onder die vage term verstaan we een trans-Atlantische belangengemeenschap van de machtige Verenigde Staten en het door twee zelf ontketende wereldoorlogen geteisterde Europa, gekenmerkt door onderlinge bijstand, democratische verhoudingen en markteconomieën. Zoals het democraten betaamt, heeft het Westen in eigen huis altijd veel kritiek ondervonden, maar nu, bij het mogelijk scheiden van de markt, is het tijd te constateren dat het Westen ook een groot succes is geweest, met name voor ons Europeanen. Amerikaanse hulp verhinderde dat Stalin na de Tweede Wereldoorlog ons hele subcontinent in zijn greep kreeg, en de naoorlogse Amerikaanse Marshallhulp gaf het duwtje dat de West-Europese economieën weer op gang bracht. Er volgde een periode van historisch gezien ongekende stabiliteit, welvaart en vrijheid. Zozeer dat toen na 1989 de greep van de Sovjet-Unie op de andere helft van Europa verslapte de landen daar de normen van het Westen overnamen, of dat althans probeerden.

De rot komt van binnenuit: steeds meer landen, ook die lid zijn van de EU of de Navo, worden geregeerd door mannen zonder waardering voor democratische normen, vrije pers en andere democratische instituties – Orbán, Kaczynski, Erdogan, Trump – die bovendien voetstoots bereid blijken de onderlinge solidariteit op te offeren aan het eigen partij- of nationaal belang. In andere landen staan zulke politici in de startblokken. De zelfverklaarde vijand in het Kremlin ziet het ongetwijfeld met genoegen aan. Denk niet dat het hem alleen om Oekraïne of Letland gaat. De nieuwe Iskander-kernraketten die hij bij Kaliningrad heeft neergezet, staan niet gericht op Kiev of Riga, maar op Warschau en Berlijn. Als de VS Europa alleen laten, en dreigen met kernwapens niet langer zinloos is omdat vergelding is verzekerd, zal Poetin ook de angst voor die wapens efficiënt weten in te zetten voor de uitbreiding van zijn invloed. Dat is de nachtmerrie voor Europeanen in wording.

Angst voor oorlog – wanneer hebben West-Europeanen die voor het laatst echt gehad? Die angst is al decennialang hoogstens latent aanwezig. Een paar jaar geleden schreef de Australische historicus Christopher Clark The S_leepwalkers,_ over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Het boek trok sterk de aandacht omdat hij het ontstaan van die oorlog, waarvoor meestal Duitsland en Oostenrijk als hoofdschuldigen worden aangewezen, voorstelde als een bijna onwillekeurig proces, waarin vele landen keuzes maakten die tot een door allen ongewild, fataal resultaat leidden. In veel recensies werd de vraag opgeworpen of de auteur misschien dacht dat zoiets nu ook gaande is, dat we slaapwandelend op weg zijn naar een onvermoede catastrofe. Dat had hij niet bedoeld, zei Clark in interviews. Maar de gedachte zat kennelijk al bij velen in het achterhoofd.

Volgens Ruchir Sharma, chef van de zakenbank Morgan Stanley, doet de huidige situatie inderdaad sterk denken aan die in 1914. Toen, net als nu, sloten na jaren van opgetogen wereldhandel en mondiale welvaartsgroei landen hun grenzen en was benepen nationalisme in opkomst. We weten hoe dat verder is gegaan, in de eerste helft van de twintigste eeuw. De paradox dat benarde kiezers en politici op zoek naar geborgenheid en economische protectie feitelijk hun veiligheid en welvaart ondermijnen, geldt nog steeds. Angst mag, maar het blijft een slechte raadgever.


Beeld: Los Angeles 9 november ( Max Pinckers / Magnum / HH)