Generatie Overbodig protesteert met humor

De revanche van de jeugd

In 2011 knapte het fabeltje dat jongeren materialistisch en onbetrokken zijn. Er klopte altijd al weinig van. En nu ze onevenredig hard worden geraakt door de crisis hebben ze ook echt iets om boos over te zijn.

2011 WAS BOVEN alles het jaar waarin het massaprotest terugkeerde van weggeweest, van Sydney tot Seattle en Santiago tot Sanaa. De indignados bezetten de pleinen van Spanje en honderdduizenden demonstranten trokken over de straten van andere Europese landen. In de Arabische wereld eisten mensenmassa’s nieuwe regeringen, in Latijns-Amerika een einde aan de standenmaatschappij, in Israël een rechtvaardiger samenleving. Onder de vlag van de Occupy-beweging sloegen wildkampeerders hun tenten op bij financiële en politieke centra in negenhonderd steden in ruim tachtig landen. En overal waren de demonstranten jong.
Dat was al nieuws op zich. Jonge generaties kregen al een tijdje - in ieder geval in westerse landen - neerbuigende titels opgeplakt als Generatie I©K, Peter Pan Generation en andere labels die uitdrukten hoe narcistisch, onvolwassen en materialistisch ‘de jongeren van tegenwoordig’ zijn en hoe ongeïnteresseerd in maatschappij, politiek en alles voorbij het nieuwste mobieltje. Als ze zich al ergens voor willen inzetten, dan komt het niet verder dan 'clicktivisme’: met de muis aanklikken dat je een of andere campagne 'leuk vindt’ of 'aanraadt’ aan je vrienden, en dan weer snel doorklikken naar het volgende YouTube-filmpje van struikelende pinguïns of andere licht verteerbare kost. Dat was het beeld in ieder geval tot heel kort geleden en dat is na 2011 verleden tijd: jongeren revancheerden zich als voortrekkers van publiek protest.
De 'revanche’ wijst terug naar 1968. Ook toen (en in omliggende jaren) waren jongeren de dragers van publiek protest, in even verschillende situaties en met even uiteenlopende grieven en wensen als nu. Sindsdien is de verwachting van protest blijven hangen rond 'de jonge generatie’, de achttien- tot dertigjarigen - vooral bij veel babyboomers die straatdemonstraties als een soort jeugdplicht zien. Maar die massale protesten waren de afgelopen decennia spaarzaam en een nieuw jaar met wereldwijde straatprotesten en alle bijhorende romantiek bleef uit. En dat niet alleen: jongere generaties vertoonden (niet voor het eerst in de geschiedenis) gedrag dat de ouderen deed fronsen. Steeds minder jongeren namen de moeite om te stemmen, steeds minder werden lid van een politieke partij. Het consumentisme onder jongeren groeide en werd steeds zichtbaarder dankzij commerciële televisie. Het oordeel diende zichzelf aan: jongeren zijn onbetrokken, materialistisch en apolitiek. Maar anno 2011 bleek dat een grote misvatting.
Dat kwam niet voor iedereen als een verrassing, in ieder geval niet voor wie goed had opgelet. 'Babyboomers en andere oudere generaties noemen jongeren apolitiek en ongeïnteresseerd omdat ze de dingen niet doen die voor de ouderen politiek activisme symboliseren. Ze zijn blind voor alle andere vormen van politiek gedrag’, zegt Russel Dalton, hoogleraar politicologie aan de universiteit van Californië. 'Voor oudere generaties behelst politiek zaken als stemmen, partijfolders uitdelen of een verkiezingsposter in je tuin zetten. Dat soort “oude” politieke activiteit neemt inderdaad al sinds de jaren zeventig bij jongeren in alle westerse landen af. Wat grappig is, is dat in al die landen in unieke, nationale redenen wordt geloofd waarom uitgerekend Duitse of Amerikaanse jongeren hun interesse in politiek verloren. Maar het is een patroon: het gebeurde overal de westerse wereld. Er is dan ook een fundamentelere reden voor. In al die landen zien jongeren in toenemende mate oude vormen van politiek als inefficiënt, achterhaald of zelfs corrupt, en ze doen er dan ook niet meer aan. Dat mensen jongeren apolitiek noemen, zegt dan ook minder over jongeren dan over hen die het oordeel vellen. Jongeren worden in politiek opzicht namelijk sinds de jaren zeventig steeds actiever.’
Dalton, auteur van een reeks boeken over politiek in Europa, Amerika en Azië, muntte eind jaren tachtig de term 'nieuwe politiek’ voor politiek activisme dat losstaat van partijen en ideologie. Die vormen van politiek activisme nemen onder westerse jongeren almaar toe. Dalton: 'We hebben het dan over bedrijven boycotten of juist bepaalde producten kopen om politieke redenen. Over het verspreiden van ideeën en het opzetten van netwerken via internet en sociale media. Over het schrijven van politieke bijdragen, discussiëren op web- en chatsites, het bezoeken van debatavonden. Over vrijwilligerswerk voor goede doelen of in arme landen. Het doneren of collecteren voor politiek gekleurde campagnes. Over het zoeken van een carrière bij een ngo om politieke redenen. Maar ook demonstreren en het tekenen van petities - in tegenstelling tot wat mensen denken, neemt dat gestaag toe sinds de jaren zeventig.’
De voorkeur voor 'nieuwe politiek’ hangt niet alleen samen met het idee dat het efficiënter is, maar ook met afkeer van oude vormen van politiek. 'Jongeren associëren oude vormen van politiek activisme steeds meer met een politiek bestel waar zij weerzin tegen hebben’, aldus Dalton. 'Oude politiek wordt door jongeren steeds meer geassocieerd met ideologische verblinding en starheid, met gevestigde belangen, met verlammende partijvetes en incompetentie. Het vermogen van de politiek om problemen op te lossen wordt door jongeren heel laag ingeschat, in tal van landen. En geef ze eens ongelijk. Bij ons wordt Amerika onbestuurbaar gemaakt door partijvetes, in Europa hebben jullie België dat twee jaar zonder regering zat en al die regeringen die hulpeloos lijken in de crisis. Veel jongeren zijn ervan overtuigd dat de oude politiek hen met problemen opzadelt in plaats van problemen voor hen oplost. En dat is ook meer dan een vaag gevoel. Zowel in Amerika als in Europa stroomt nu de best opgeleide generatie ooit de samenleving in. Zij heeft ook meer toegang tot informatie dan elke generatie voor haar. Deze nieuwe generatie gaat de Amerikaanse en Europese politiek veranderen.’

DAT JONGEREN de voornaamste stuwkracht van politieke verandering zijn, is een oud idee. Toen in 1968 jongeren massaal protesteerden in verschillende hoeken van de wereld, draaiden wetenschappers studies uit over de jeugd als eeuwige katalysator van politiek en sociaal protest. Dergelijke studies begonnen vaak met Luther als jonge onruststoker. Daarna pakten zij vaak door naar de Franse Revolutie: die zou veroorzaakt zijn door de dalende jeugdsterfte in de achttiende eeuw en het resulterende overschot aan jongemannen in het Parijs van 1789. Hierna volgden de vele 'jonge’ nationalisten van de negentiende eeuw. Het begon al in 1831 met Jong Italië (met zijn strikte leeftijdsgrens van veertig) en rolde door naar de Jonge Turken, de Jonge Chinezen en de Jonge Bosniërs. Die laatsten verrijkten de geschiedenis met Gavrilo Princip, de jonge extremist die Europa in 1914 de Eerste Wereldoorlog in schoot. Duitsland werd in de jaren dertig getroffen door een economische crisis, net toen de grootste jonge populatie ooit de samenleving in stroomde - een slechte combinatie. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging van de jaren zestig dreef op een enorm overschot aan jonge, zwarte mannen in de steden van de VS, de Hongaarse Opstand begon met studentenprotesten. Daarna volgden '1968’ en de vaak jeugdige bevrijdingsbewegingen van de jaren zeventig.
Maar daarna kwam er enigszins de klad in. Massaal protest van jongeren werd spaarzamer en minder succesvol. Verzet tegen het communisme in Oost-Europa werd vaak gedragen door meer bedaagde leden van de maatschappij, zoals dissidenten en de Poolse dokwerkers van Solidariteit. Het Plein van de Hemelse Vrede in Peking werd weliswaar bezet door studenten, maar zonder succes. Ook de antiglobaliseringsbeweging van de jaren negentig kon geen groot wapenfeit claimen. Maar in het voormalige Oostblok namen jongeren het initiatief terug.
'In voormalig communistische landen realiseerden jongeren zich dat de oude manieren van verzet plegen, zoals illegale boeken verspreiden of als individu de autoriteiten uitdagen, niet in staat waren om mensen echt te inspireren en verzet te ontsteken. Er waren nieuwe technieken nodig om massale aanhang op de been te brengen’, zegt de Britse journalist Matthew Collin, schrijver van The Time of the Rebels: Youth Resistance Movements and 21st Century Revolutions. 'Hoe het moest, toonde de Servische beweging Otpor in 2000: het gebruik van marketingtechnieken uit de reclame-industrie, design en logo’s, gebruik van nieuwe media. En bovenal het organiseren van dramatische, met humor gebrachte interventies die tegelijkertijd de autoriteiten ridiculiseerden en die het geloof ondermijnden dat het regime almachtig was. Het was regime change made fun. Er zijn andere applicaties gekomen en andere situaties. Maar die methode, en dat ideaal, die zijn blijven leven.’
Dat ideaal werd allereerst geëxporteerd naar voormalige landen van de Sovjet-Unie. 'Jonge mensen in die landen zagen andere Oostblok-landen lid worden van de Europese Unie, terwijl hun landen naar corruptie en georganiseerde misdaad afgleden’, zegt Collin. Geïnspireerd door het Servische voorbeeld zetten jongeren vervolgens succesvolle revoluties in gang in Oekraïne (2003) en Georgië (2004), en in mindere mate Kirgizië (2005). En de methode bleef inderdaad leven. Otpor-leider Srdjan Popovic (geïnterviewd in De Groene Amsterdammer van 7 december) stelde een handboek op met vuistregels voor effectief geweldloos protest in een totalitaire staat. Het boek werd duizenden keren gedownload in Iran tijdens de massale straatprotesten van studenten en andere jongeren in 2009. Leiders van de Egyptische protesten van dit jaar gebruikten het boek ook en vlogen naar Servië om advies te krijgen van voormalige Otpor-activisten. En de Occupy-beweging reflecteert hetzelfde idee van een humorvolle, met marketingtechnieken ondersteunde interventie. Overigens moet het belang van dat soort technieken ook niet worden overschat. 'Er is geen “revolutieformule” die alleen maar tot uitvoer hoeft te worden gebracht’, aldus Collin. 'Er moet in een land al een sterke onderstroom aanwezig zijn om massaal protest te ontsteken.’
Het is duidelijk waar die onderstroom in de Arabische wereld op dreef: op frustratie met de onvrijheid in de Arabische staten, op de economische achterstand en hoge (jeugd)werkloosheid, op een gevoel van vernedering door het achterblijven van Arabische landen in een integrerende wereld. In het buitenland werd het monumentale karakter van die protesten onmiddellijk gesignaleerd en de sympathie voor de demonstrerende Arabische jongeren was dan ook enorm.
De onderstroom waar de protesten op dreven in westerse landen was anders van aard en anders van urgentie. Dit wordt geïllustreerd door het verschil in lijfliederen die bij de Arabische lente en bij de Zuid-Europese straatprotesten gingen horen. In Rais Lebled van de Tunesische rapper El Général: 'Mr. President, uw burgers sterven/ Mensen eten afval/ Onze rechten zijn alleen decoratie/ Ik spreek zonder angst, al weet ik dat ik enkel problemen zal vinden.’ In Parva que sou van Deolinda: 'Ik ben van de generatie “onbetaald werk”/ Welke wereld is zo idioot/ Dat je moet studeren om een slaaf te kunnen zijn.’ Het verschil zette sommige commentatoren tot de conclusie dat de demonstranten op Puerta del Sol en Wall Street niets hebben om over te klagen. Maar dat is jammer genoeg niet waar.
'De leden van de millenniumgeneratie (nu achttien tot dertig jaar) zijn vaker werkloos en vallen vaker buiten de arbeidsmarkt dan andere generaties sinds bijna veertig jaar’, concludeerde het internationale onderzoeksbureau Pew. In plaats van materialistische, egoïstische twintigers is in 2011 dan ook de Génération Précaire gesignaleerd: een lichting jonge Fransen die het zwarte gat van werkloosheid, een oneerlijke maatschappij en een mislukte toekomst onder zich voelt trekken. Groot-Brittannië kent sinds dit jaar zijn Generation IPOD, een afkorting die in het engels staat voor 'onzeker, gestrest, overbelast en met schulden beladen’. In De Groene Amsterdammer (21 september) dook de Generatie Overbodig op: jonge mensen in westerse landen die in toenemende mate moeten vechten voor toegang tot de maatschappij en dat steeds vaker zien mislukken.

DIE TEGENSPOED wekt zorgen tot in de meest onwaarschijnlijke uithoeken. Een van de interessantere documenten van 2011 - en volledig ondergesneeuwd onder revolutie- en rampennieuws - was een artikel dat in april in de Verenigde Staten werd geschreven onder het pseudoniem 'Y’. Het artikel mikte er duidelijk op om monumentaal en historisch te zijn: zo refereert de auteursnaam aan een artikel van 'X’ uit 1946, dat een van de invloedrijkste artikelen is uit de recente geschiedenis. Het artikel van Y heette 'Een nationaal strategisch narratief’ en betoogde dat de VS hun prioriteiten fundamenteel verkeerd invullen. De duurste misrekening is volgens Y hoeveel geld er in oorlogen en beveiliging tegen islamitisch gevaar wordt gepompt en hoe weinig er wordt geïnvesteerd in jongeren: in de mogelijkheden, opleiding en gezondheid voor de generaties die de toekomst moeten gaan dragen. Het verbluffende aan deze conclusie is niet de boodschap zelf, maar wie de boodschappers zijn. Achter het pseudoniem Y gingen namelijk twee leden schuil van de Joint Chiefs of Staff, het opperbevel van de Amerikaanse strijdkrachten. Voor wie de implicaties niet meteen vat: de partij die het meest van deze verkeerde prioriteiten profiteert - het Amerikaanse leger - heeft mensen in de top die eigenlijk vinden dat het laten bungelen van jongeren grote gevaren voor de toekomst in zich draagt.
Wat voor nationale gevolgen er op lange termijn ook van komen, de prijs wordt allereerst betaald door jongeren die nu de samenleving in stromen van de westerse landen. Niet kansloos, wel met een flink gevecht voor de boeg om een plek te veroveren. In de VS is er voor jongeren geen veilige grond meer, geen studie waarmee zij vrijwel zeker een baan krijgen. Een onderzoek van Georgetown University naar werkloosheid onder jongeren wees uit dat niet alleen de kunstacademie vaak leidt tot thuiszitten: ook traditioneel 'veilige’ keuzes zoals rechten, international business en werktuigbouwkunde leiden erg vaak tot werkloosheid. Een afgestudeerd computerbouwkundige of geneticus is in de VS nog vaker werkloos dan een botanicus of zoöloog. En veel van deze werklozen stoppen na verloop van tijd met solliciteren. Nog vorige week pronkte de Amerikaanse regering met een daling van het werkloosheidscijfer met bijna een half procent - de Dow Jones-index veerde meteen omhoog. In de kleine letters van het persbericht van het ministerie voor Werkgelegenheid was te lezen dat de daling hoofdzakelijk toe te schrijven was aan de tienduizenden Amerikanen - vaak jongeren - die hun zoektocht naar een baan opgeven, en dus ook niet meer als deel van de arbeidspopulatie hoeven te worden gerekend.
Het is een mondiaal probleem. Werkloosheid is de snelst toenemende zorg ter wereld, wees een mondiaal onderzoek van de BBC deze week uit: zesmaal zo veel mensen zeggen zich daarover zorgen te maken als in 2009. En ook een mondiaal patroon, volgens het VN-bureau voor arbeid (ILO): jongeren zijn het grootste slachtoffer van de stijgende werkloosheid. Europa is geen uitzondering. De jeugdwerkloosheid is hoger dan het in decennia is geweest - met het trieste dieptepunt van 54 procent in Spanje - en verbetering lijkt niet in aantocht. 'Het algemene beeld is dat Europeanen zich nog niet massaal terugtrekken uit de arbeidsmarkt nu de crisis voortduurt. Alleen bij jongeren is dat anders’, zegt Stefano Scarpetta, hoofd van de werkgelegenheidsdivisie van de OESO, de organisatie van ontwikkelde landen, tijdens een telefonisch gesprek. 'Europese jongeren die geen werk kunnen vinden, keren ofwel terug naar een opleiding - in het goede geval - of ze stoppen met zoeken naar werk, en dat is natuurlijk slecht. In vrijwel alle ontwikkelde landen zien we dat de aantallen stijgen van jongeren die geen opleiding volgen en geen werk meer zoeken. Helaas ervaren veel jongeren in een groot aantal ontwikkelde landen de arbeidsmarkt als een plek waar ze kansloos zijn.’
'Het was altijd al zo dat jongeren harder worden geraakt tijdens een crisis, omdat bedrijven huiverig worden om nieuwe, onervaren mensen aan te nemen’, vervolgt Scarpetta. 'Maar wat nieuw is, is dat de arbeidsmarkt in Europa zich in de afgelopen vijftien jaar heeft gesplitst in twee categorieën. We hebben de traditionele vaste banen, met alle bescherming en uitkeringen die daarbij horen. Daar is een tweede categorie naast gegroeid: tijdelijke contracten, parttime contracten, projectcontracten, freelance contracten. Alle werkgevers, ook overheden zelf, hebben op deze crisis gereageerd door de contracten in de tweede categorie niet te verlengen. In Spanje vallen negen van de tien banen die verloren zijn gegaan in de tweede categorie. In Italië valt zelfs praktisch alle baanverlies daarin. Helaas is dit de categorie van arbeid waar de meeste jongeren in zitten. Zij worden nu dus harder geraakt dan jongeren in eerdere economische crises. In alle ontwikkelde landen stijgt de jeugdwerkloosheid veel sneller dan de algemene werkloosheid. Jammer genoeg verwachten we ook niet snel een verbetering, want de meeste ontwikkelde economieën staan in 2012 stil. Er gaan komend jaar dan ook maar heel weinig van die tweede soort banen gecreëerd worden.’
Dat jongeren zo onevenredig hard geraakt worden, is niet een onvermijdelijk product van onze tijd. Scarpetta: 'Europese arbeidsmarkten zijn relatief onflexibel en overheden wilden daar wat aan doen. Maar in plaats van de hele arbeidsmarkt te hervormen, hebben Europese regeringen baancreatie en flexibiliteit aangemoedigd in de tweede categorie en hebben ze de eerste categorie banen onaangeroerd gelaten: flexibiliteit aan de marges, niet in het midden. Dat heeft het dualisme en de segmentatie onder Europese werknemers versterkt. Of je een insider of een outsider bent in een Europese samenleving, wordt in hoge mate bepaald door het type werkcontract dat iemand heeft.’ Vanwege het verschil in werkcontracten waaronder verschillende generaties werken, wordt dat insider-outsider-onderscheid dus in toenemende mate een generatieverschil. En omdat in Europa een baan toegang geeft tot volwaardig burgerschap, wordt ook dat er deel van.
Voeg daarbij het inmiddels bekende rijtje somberheden - de stijgende studiekosten, de vastzittende woningmarkt, het ineenschrompelende sociale vangnet - en het is geen wonder dat de actiebereidheid onder jongeren anno 2011 groeit. Een geruststelling mag misschien zijn dat de millenniumgeneratie niet direct het gewelddadig-revolutionaire profiel lijkt te hebben. Een van de innovaties ten opzichte van de voorganger, Generatie X, lijkt volgens de verschillende boeken over de 'Millennials’ te zijn dat de leden ervan niet zozeer vijandig tegenover instanties staan als dat zij ze zien als irrelevant; regels schijnen ze niet te willen verwerpen maar te willen veranderen. En ze zijn zeer gericht op de gemeenschap. Maar bovenal, om uit een recent essay uit The New York Times te citeren: de Millennials zouden 'post-emotioneel’ zijn: de woede en verdeeldheid voorbij. Geen boosheid, geen scherp randje. Daar mogen de regeringen in Spanje, Italië, Griekenland en al die andere landen die geen kansen voor hun jonge inwoners weten te scheppen dan gerustheid uit putten. Voorlopig.