Reportage: Hoe Venezuela verandert onder president Hugo Chavez

«De revolutie is mooi»

President Hugo Chavez voert ingrijpende sociale hervormingen door in Venezuela. Is het een proces? Is het een revolutie? Verslag van een reis door barrio’s, langs oliedistributiecentra en Cubaanse artsen.

CARACAS – De barrio Pinto Sainas is

te vinden in het westen van Caracas. Wie hier niet woont, heeft hier niets te zoeken. Je kunt hier hoogstens beroofd worden. Tussen de verwaarloosde superbloques, flats van vijftien verdiepingen hoog, staan kleine, haveloze barriohuisjes, opgetrokken uit goedkope betonblokken.

In één van de straatjes klinken oorverdovende schoten. «Dit is crackland», zegt Candelario Reina, buurtwerker en Chavista. «De jongens die daar aan het eind van de straat staan, hebben metalen pijpen, waar ze buskruit en kleine stenen in stoppen. Daarmee schieten ze. Over een paar jaar ruilt een deel van hen de speelgoedwapens in voor echte wapens. Velen worden niet ouder dan een jaar of twintig. Ze hebben de drugshandel hier per wijk opgedeeld, en bevechten in het weekend elkaars territoria. De politie heeft hier geen invloed. En zolang die niet ingrijpt, bereiken we hier weinig met de misiones, de sociale programma’s van de regering-Chavez.»

Hoewel de knapen niet ouder zijn dan een jaar of veertien durft geen enkele volwassene iets van de schotinslagen in de muren te zeggen. Op straat hangen haveloze figuren in gescheurde kleren rond. Uit een open raam klinkt Venezolaanse rapmuziek. Er rijden hier geen auto’s rond; er staan alleen een paar leeggehaalde autowrakken in de straat. Een enorme berg bouwpuin verspert sowieso de helft van de weg. De favoriete bezigheid deze zondagmiddag voor de Venezolaanse mannen is rondhangen met een flesje polarbier.

Pinto Salinas is een van de vele barrio’s die op de heuvels rondom de hoofdstad Caracas zijn gegroeid. De strijd om de drugsmarkt tussen de verschillende gangs in de hoofdstad eist zijn tol: elk weekend sterven tussen de vijftig en zeventig mensen in Caracas, voor het overgrote deel door schotwonden.

De bewoners van de sloppenwijken kwamen in de jaren zeventig en tachtig naar Caracas, toen de oliemarkt in het Zuid-Amerikaanse land boomde en de overheid een geldregen over de hoofdstad uitstrooide. In de jaren tachtig kende Venezuela het hoogste gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in Zuid-Amerika. Tienduizenden immigranten uit Zuid-Europa kwamen op de strooppot af.

Behalve de Zuid-Europeanen kwamen ook miljoenen mensen van het platteland en uit de armere buurlanden Colombia, Ecuador en Peru naar Caracas. Velen van hen haalden het centrum van de stad nooit: ze vestigden zich in gammele hutjes op de heuvels rondom Caracas, en dat was het dan. De bovenklasse leefde haar leven in de schitterende wijken in het oosten van Caracas; de barriobewoners kwamen hoogstens langs om in de tuin of als dienstmeisje te werken. Verder liet de regering van Carlos Andres Perez, inmiddels in ballingschap in Miami, in de jaren tachtig de sloppenwijkbewoners aan hun lot over. Dat ging goed, totdat eind jaren tachtig het economische model in Venezuela begon te kraken. De olieprijzen daalden, en de corruptie bij de PDVSA, de nationale oliemaatschappij, nam onbeschrijflijke vormen aan. Toen Andres Perez in 1989 een bezuinigingspakket van het IMF accepteerde, sloeg op 27 februari 1989 de vlam in de pan. Nadat de prijzen voor openbaar vervoer drastisch waren gestegen, gebeurde dat waarvoor de bovenklasse al lang panisch was: de armen daalden vanuit hun barrio’s de heuvels af en plunderden het stadscentrum. Andres Perez zette het leger in; duizenden barriobewoners werden doodgeschoten.

Sindsdien is het politieke landschap in Venezuela niet meer wat het geweest is. De traditionele regeringspartijen raakten volledig in diskrediet, en een jonge militair pleegde in 1992 een staatsgreep: Hugo Chavez. De coup mislukte, maar zes jaar later keerde Chavez legaal terug: in 1998 behaalde hij een klinkende verkiezingsoverwinning. En wat nog veel verrassender is: Chavez blijft winnen, verkiezing na verkiezing, inmiddels negen op rij. Zijn meest recente zege was tijdens de regionale verkiezingen van 31 oktober, waarbij hem gezinde partijen in 22 van de 24 staten de verkiezingen wonnen.

Chavez is inmiddels een politieke veteraan. Zo wist hij een coup tegen hem van 11 tot en met 14 april 2002 te overleven: het volk ging de straat op, het leger bleef hem trouw, en Chavez kwam terug. Ook de tweede poging van de oppositie om Chavez op de knieën te dwingen mislukte jammerlijk: de nationale staking van december 2002 en januari 2003 bloedde dood, hoewel in de vijfde olie-exporteur ter wereld twee maanden lang nauwelijks benzine verkrijgbaar was.

Uiteindelijk heeft de staking de positie van Chavez versterkt: hij ontsloeg achttienduizend medewerkers van de PDVSA die tot de oppositie behoorden. Sindsdien is ook de olie-industrie vast in handen van de regering. Uiteindelijk mislukte ook de derde poging om Chavez af te zetten: op 15 augustus dit jaar stemde bijna zestig procent van de kiesgerechtigden in een referendum voor het aanblijven van Chavez. Chavez zelf had de mogelijkheid van zo’n referendum in de nieuwe grondwet van 2000 opgenomen.

De invoering van een referendum is slechts één van de vele opmerkelijke stappen die de regering van Hugo Chavez sinds 2000 ondernam. Chavez heeft echter vooral aan populariteit gewonnen sinds hij verschillende misiones, programma’s voor de armen, in 2003 heeft opgezet. Zo zijn via de mision Robinson binnen anderhalf jaar ruim een miljoen mensen gealfabetiseerd. Met de mision Vivienda schuwt Chavez ook heikele thema’s niet: grootgrondbezitters worden gedwongen al hun grond boven drieduizend hectare aan de staat af te dragen; de grond wordt onder landlozen verdeeld. Verder heeft Chavez de mision Guacaipuro opgezet ter ondersteuning van de indigena’s, de oerbewoners van Venezuela. In de nieuwe grondwet van 2000 werden voor het eerst expliciet de rechten van de indigena’s vastgelegd. Ook zette Chavez een netwerk van Mercal-winkels op, supermarkten in de bar rio’s die maximaal drie procent winst maken, zodat ook barriobewoners voor enigszins normale prijzen voedsel kunnen kopen. De regering liet via de mision Sucre binnen een jaar drie nieuwe universiteiten bouwen. Chavez trekt ten strijde tegen de privé-media en de «neoliberalisten en imperialisten» uit Noord-Amerika. Ondertussen blijft Venezuela wel gewoon een van de trouwste olieleveranciers van de Verenigde Staten.

Chavez, een man van eenvoudige afkomst met een militaire carrière, wordt vaak populisme verweten, niet in het minst vanwege zijn wekelijkse televisie-uitzending Alo Presidente, die op zondagochtend begint en gevuld wordt met politieke mededelingen, beschuldigingen richting oppositie, besprekingen van de tekeningen van zijn kinderen en het voordragen van gedichten. Door Chavez zelf, dat spreekt voor zich. Doorgaans eindigen de uitzendingen na een uur of vijf, wanneer Chavez moe begint te worden van zijn monologen en de zon in de Caribische zee verdwijnt. Maar populist of niet, Chavez handelt, en zijn aanhangers weten dat te waarderen. Sterker nog, ze gaan al jaren voor hem door het vuur. Voor hen is hij hun commandante, hun leider, hun hoop. Voordat Chavez aan de macht kwam, werden de barriobewoners twintig jaar lang aan hun lot overgelaten.

Die tijden zijn voorbij, ook in Caricuao, een eindeloze barrio in het zuidwesten van Caracas. Caricuao is een van de sloppenwijken die profiteren van de verschillende misiones van de regering, zoals de mision Barrio Adentro, vrij vertaald: «De sloppenwijk in». Dat geldt in dit geval voor dertienduizend Cubaanse artsen. De oppositie haat ze, de barrio bewoners zijn laaiend enthousiast: in een overeenkomst met Cuba legden Hugo Chavez en Fidel Castro de levering van goedkope olie aan Cuba vast, in ruil voor artsen uit het communistische eiland.

«Ik ben sinds vijf maanden hier, en het bevalt me prima», zegt Maria Antonia Rudio, een arts uit Camaquay in het oosten van Cuba. «Waarom ik hier ben? Uit solidariteit natuurlijk; we helpen onze broedervolken in Zuid-Amerika. Ik wist dat de Venezolanen ons konden gebruiken, maar dat de gezondheidssituatie zo slecht was, had ik niet gedacht.» Rudio woont in de barrio, in een straatje waar de huisjes elkaar boven de straat bijna raken. Ze woont in een kamer die een buurtbewoner haar ter beschikking heeft gesteld. Haar praktijk heeft ze in de woonkamer van haar buurman. Het is typerend voor de «bolivariaanse revolutie»: er wordt niet gewacht tot de bureaucratie voorwaarden heeft geschapen; er wordt gehandeld. «Twintig jaar lang waren we hier aan ons lot overgelaten, nu hebben we eindelijk weer medische verzorging», zegt een enthousiaste buurtbewoner.

Op straat, voor de kleine artsenpraktijk, ontstaat een oploopje. «En wie voeren het werk uit? De vrouwen. Een groot deel van de bolivariaanse revolutie wordt door de vrouwen gedragen! Lang leven de vrouwen, lang leve companero Chavez, en lang leve commandante Castro!» Vuisten gaan omhoog, en buurtbewoners beginnen spontaan het «Uh!Ah! Chavez no se va! (Chavez gaat niet!)»-strijdlied te zingen. «De revolutie is mooi», zegt een vrouw, met een brede glimlach.

«Alle medische verzorging hier is gratis», zegt Enna Aramis Rojas, de Venezolaanse directeur van het «volksziekenhuis» in Caricuao. Ook dit ziekenhuis is nieuw: het werd in een jaar tijd uit de grond gestampt. Inmiddels worden er dagelijks vijfhonderd patiënten geholpen. Rojas kent de negatieve verhalen over de Cubanen. Volgens de oppositie zijn de artsen gekomen «om de barriobewoners met communisme te besmetten». Rojas: «Ik weet dat de oppositie zegt dat de Cubanen geen goede opleiding hebben gehad, maar daar heb ik tot nu toe niets van gemerkt. En ze nemen ook niet de werkgelegenheid van de Venezolanen in; er is genoeg werk hier.» Inmiddels hebben zich ongeveer duizend Venezolaanse artsen voor het programma gemeld. Dat is al heel wat, omdat de artsen in het land traditioneel behoren tot de bovenklasse, en dus de oppositie, die haar neus ophaalt voor werk in de barrio’s.

Vanuit Caracas is het ongeveer drie uur rijden naar Moron, een plaatsje aan de Caribische kust. Hier bevindt zich Venepal, tot voor kort de grootste papierfabriek van Latijns-Amerika. Voor de ingang van de fabriek hangt een dozijn werknemers rond. Ze hebben het fabrieksterrein bezet. In de schaduw van een mangoboom koken ze op een houtvuur soep in een reuzenpan. Ze hebben nauwelijks nog geld om van te leven, sinds de fabriek op 7 september officieel werd gesloten.

«We hebben al sinds augustus geen loon meer gekregen», zegt Edgar Pena, leider van de vakbond van papierwerkers (SUTIP). «We leven van de solidariteit van anderen. Maar we vechten door tot de heropening van de fabriek. We hebben een plan voor een doorstart bij de regering ingeleverd. We laten ons niet door de kapitalisten kisten.»

Venepal maakte de afgelopen jaren een turbulente ontwikkeling door. Het bedrijf, met een grondstuk van vijfduizend hectare, heeft een eigen bioscoop, een hotel, tennisvelden en zelfs een eigen landingsbaan. Een paar jaar geleden telde het bedrijf nog achttienhonderd werknemers. Volgens de eigenaars was sluiting echter onafwendbaar vanwege een te geringe winstmarge. Pena gelooft er niets van: «Een deel van de aandeelhouders speelde een prominente rol tijdens de mislukte coup van 2002 en de nationale staking aan het eind van dat jaar. Ze kozen bewust voor een faillissement van het bedrijf. Inmiddels hebben ze een deel van de machines hier verkocht aan de Amerikaanse concurrent Smurfit, die papier in Colombia produceert. Dat kunnen ze daar alleen goedkoper, omdat de regering daar het vermoorden van vakbondsleden toestaat.»

Om te laten zien dat Venepal een toekomst heeft, bezetten de werknemers het bedrijf halverwege 2003 voor tachtig dagen. Pena: «We wisten dat het bedrijf inefficiënt produceerde. Nadat we het bedrijf hadden overgenomen, liep de productie veel beter. We hebben bewezen dat het bedrijf in handen van de werknemers kan functioneren. Daarom eisen we nu de nationalisatie van de papierfabriek. Wij, de werknemers, willen de fabriek overnemen. Het is onze fabriek. En we gaan door met ons gevecht tot het bittere einde.» Verscheidene Venezolaanse politici van de regeringspartijen hebben inmiddels hun steun voor de eisen van de werknemers uitgesproken. De nationalisatie en overdracht van een fabriek van deze grootte is nog niet eerder vertoond in Venezuela.

Nadat de nationale staking van eind 2002/begin 2003 de economie van Venezuela compleet had lamgelegd, is de economische opleving op dit moment des te groter. Vene zuela heeft de grootste economische groei van heel Zuid-Amerika: experts verwachten minstens 13,3 procent dit jaar. De groei maakt miljardenuitgaven door de regering mogelijk, om zo de economie nog verder aan te zwengelen. De regering-Chavez heeft bovendien geluk met de enorm gestegen olieprijzen. Nadat Chavez na de nationale staking achttien duizend werknemers van de PDVSA had ontslagen, had het bedrijf grote moeite zijn productie weer op gang te brengen. Volgens de leiding van het bedrijf produceert het inmiddels weer zijn maximumcapaciteit van 3,1 miljoen barrels per dag, maar volgens de OPEC zijn het maximaal 2,6 miljoen barrels.

Een deel van de in Venezuela geproduceerde olie wordt opgeslagen in het distributiecentrum Yagua, op ongeveer tweehonderd kilometer ten westen van Caracas. Ongeveer een halve kilometer voor de ingang van het distributiecentrum bevindt zich een soort tentenkamp op een grasveldje langs de snelweg. Het lijkt wel een legerkamp, maar de mensen die er wonen zijn onderdeel van een «cooperativa», een groep werknemers die het oliedistributiecentrum beschermt. De bewoners zijn bewapend met stokken en gekleed in militiekleding, en wonen al in hun tentenkamp sinds de nationale staking van december 2002.

In die dagen gebeurde in Yagua hetzelfde als overal in het land: de werknemers van de PDVSA in Yagua, die voor het grootste deel tot de oppositie behoorden, verlieten het bedrijf en lieten het onbeheerd achter. De volgende dagen kwamen bewoners uit de buurt spontaan naar het distributiecentrum om het te beschermen, nadat verschillende oppositie politici openlijk hadden opgeroepen tot sabotage van de olie-industrie. De beschermers zijn nooit meer vertrokken. Inmiddels werken ze in de groenvoorziening bij de PDVSA, en hebben ze nog steeds een symbolische rol als bewakers.

Het oliedistributiecentrum Yagua bestaat uit twaalf enorme olieopslagtanks. De tanks staan onder de tropenzon te zweten, tegen een achtergrond van zwarte bergen, omheind door metershoog hekwerk. Voor de ingang van het distributiecentrum staan militairen in gevechtskleding, met mitrailleurs in de aanslag. Op de andere rijstrook rijden oranje tankwagens naar buiten met het opschrift «La nueva PDVSA es del pueblo»: de nieuwe PDVSA is van het volk.

Yagua is eigendom van de PDVSA, de nationale oliemaatschappij van Venezuela die in 1976 genationaliseerd werd. Lange tijd had de PDVSA de naam de meest inefficiënte oliemaatschappij ter wereld te zijn. Normaal gesproken geeft een oliebedrijf twintig procent van zijn begroting aan lopende kosten uit, om tachtig procent winst te maken; bij de PDVSA waren deze cijfers lange tijd precies omgekeerd. De PDVSA was een staat in de staat. De mensen die er op de topposities zaten, konden zich zo veel verrijken als ze maar wilden.

De twaalf tanks van Yagua kunnen in totaal zo’n vijfhonderdduizend barrels olie op slaan. Daarvan worden er per dag zo’n vijftigduizend in driehonderd tankwagenladingen het land ingereden. Bij een staking of blokkade ligt de olievoorziening in de regio dus na een week op twee op z’n gat.

«Dat was het geval in december 2002, toen de nationale staking uitbrak», vertelt Pedro Hernandez, ingenieur en leider van het distributiecentrum. «In die tijd behoorden bijna alle werknemers tot de oppositie. Van het leidinggevende personeel vertrokken in december 2002 op één persoon na alle werknemers. De mensen uit de buurt, die de regering van Chavez ondersteunden, hebben toen het distributiecentrum bezet en tegen sabotage beschermd. We hebben met behulp van handboeken de machines hier weer aan de praat gekregen. Alle werknemers die toen zijn gaan staken, zijn ontslagen. Van het leidinggevende personeel werkt hier praktisch niemand langer dan twee jaar.»

Hernandez vertelt over de cooperativas, waarmee de PDVSA sinds de couppoging samenwerkt: «We hebben er hier in Yagua nu zeven; in onze database hebben we nog een stuk of dertig andere waarmee we kunnen samenwerken. In totaal werken ongeveer honderdzeventig mensen in de coöperaties, die zo’n dertienhonderd mensen verzorgen. De meeste van deze mensen komen uit armere wijken hier in de buurt. De samenwerking bevalt prima. De coöperaties werken erg zelfstandig. Ze voeren verschillende taken uit, zoals de catering in de kantine, het onderhoud van de groenvoorziening, en zelfs de distributie van de olie over de regio. De coöperaties beheren ook de honderdtwintig tankwagens die we hebben; die heeft de staat onteigend van de verschillende leveringsbedrijven, nadat ze ook aan de staking in december 2002 hadden meegedaan. Dat kon, omdat de staat een contract met deze bedrijven had afgesloten, en dat contract kwamen ze niet na.

Tot het begin van de staking had de overheid hier nauwelijks invloed op de PDVSA, maar nu zijn de tijden voorgoed veranderd. We werken tegenwoordig met dertig procent minder leidinggevend personeel; we hebben gewoon niet zo veel mensen nodig. Dat zorgt voor een enorme kostenbesparing. Zoiets als de nationale staking van eind 2002 mag nooit meer gebeuren. We werken nu samen met mensen die het proces van president Chavez ondersteunen, die de veranderingen in het land willen versterken. Maar het transformatieproces duurt nog lang. Er zijn nog steeds elementen te vinden in ons bedrijf die tegenwerken. Het duurt nog jaren voordat we onze doelen hebben bereikt.»

Jeroen Kuiper is journalist,

gevestigd in Venezuela

_______________________

«We zullen Hugo Chavez niet verdrijven», zei de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld vorige week. Eerder kenschetste de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice Chavez als een «negatieve kracht» en een «destabiliserende invloed» in Latijns- Amerika, waar i n de meeste landen inmiddels linkse politici de dienst uitmaken.

Volgens Michiel Baud is de linkse opgang in Latijns-Amerika niet zo eenduidig als vaak wordt voorgesteld. Baud is hoogleraar Latijns-Amerikaanse studies aan de Universiteit van Amsterdam, directeur van het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns-Amerika (CEDLA) en schrijver van het rapport over de betrokkenheid van de vader van Máxima Zorreguieta bij de junta van Argentinië.

Michiel Baud: «Chavez past in een groep populistische leiders met een linkse retoriek, net als mensen als Gutierrez, de onlangs afgezette president van Ecuador, en Fujimori, de ex-president van Peru. Hun linkse retoriek is sterk nationalistisch. Een andere linkse groep wordt gevormd door sociaal-democratische regeringen in Chili, Brazilië en Argentinië. Leiders met sociaal-democratische ideeën die zich conformeren aan het neoliberale model en niet de internationale gemeenschap tegen zich in het harnas willen jagen. In Argentinië heeft na de grote crisis de democratie zich onder Kirchner herpakt. Chili is momenteel een toonbeeld van rust. Lula heeft zich in Brazilië stevig gevestigd langs democratische lijnen, met een goed functionerende oppositie. Het is overigens opmerkelijk dat dat nu juist niet de landen zijn waar de steun voor de democratie het grootst is in Latijns-Amerika. Volgens een vorig jaar gehouden onderzoek was die het grootst in Venezuela. Op dit moment is de Andes het grootste probleemgebied. In Ecuador en Bolivia hebben straatprotesten tot het aftreden van de president geleid; in Peru houdt alleen de angst voor een terugkeer van Fujimori Toledo in het zadel. Het linkse gevoel is in die landen een antistaatsgevoel. Er zijn daar sterke volksbewegingen die in straatprotesten hun eisen kenbaar maken. Het is echter sterk de vraag of ze een land zouden kunnen besturen.

Alle Latijns-Amerikaanse leiders maken politiek gebruik van anti-Amerikanisme, want dat doet het goed bij de bevolking. Vooral Chavez gaat erg ver in zijn geflirt met Fidel Castro. De VS kunnen zich echter momenteel geen interventionisme in Latijns-Amerika permitteren. Ze hebben het veel te druk elders in de wereld. Ze proberen Chavez in zijn hok te houden in de hoop dat zijn bewind voorbijgaat. Twee jaar geleden maakte Washington de fout om de coupplegers tegen Chavez, die uiteindelijk niet in hun opzet slaagden, te aanvaarden als wettige regering. Ze waren de enigen in de westerse wereld.

Venezuela en de VS zijn verstrengeld in een gordiaanse knoop. De VS proberen minder afhankelijk te worden van de Venezolaanse olie. Volgens een Venezolaanse bron daalde gedurende de laatste zes jaar de olie-export naar de VS met 47 procent. Intussen exporteert Chavez steeds meer goedkope olie naar Cuba. Dat is slecht voor de schatkist, maar brengt Cubaanse medici en docenten het land binnen. En het past goed in het revolutionaire project van Chavez. En toch, als morgen de VS zouden zeggen: wij willen geen Venezolaanse olie meer, dan heeft Chavez een enorm financieel probleem. Maar Washington is nog steeds te afhankelijk van die olie. Dat is een tweede reden waarom de VS omzichtig omspringen met hun tegenstand tegen Chavez.

Op de lange termijn zou een ander probleem voor de VS kunnen ontstaan, los van Chavez. Brazilië heeft het voortouw genomen in het oprichten van een Latijns-Amerikaans handelsblok dat gericht is, al zeggen ze dat niet hardop, tegen de VS en Nafta. Chavez probeert daarin een rol te spelen, maar vooralsnog probeert men hem een beetje buiten de deur te houden. Lula beseft maar al te goed dat te expliciete linkse retoriek zijn nieuwe handelspolitiek in gevaar kan brengen.»