moderne mythen

De revolverheld in de woestijn

Karen Armstrong

Mythen: Een beknopte geschiedenis

Uit het Engels (A Short History of Myth) vertaald door Liesbeth Texeira de Mattos

De Bezige Bij, 128 blz., € 14,90

Margaret Atwood

Penelope: De mythe van de vrouw van Odysseus

Uit het Engels (The Penelopiad: The Myth of Penelope and Odysseus) vertaald door Tjadine Stheeman

De Bezige Bij, 160 blz., € 14,90

Jeanette Winterson

Zwaarte: De mythe van Atlas en Herakles

Uit het Engels vertaald (Weight: The Myth of Atlas and Heracles) door Maarten Polman

De Bezige Bij, 160 blz., € 14,90

Een van de absolute hoogtepunten uit de Amerikaanse cinematografie is de ontknopingsscène in The Good, the Bad and the Ugly van Sergio Leone uit 1966. In een desolaat landschap ligt een oorlogskerkhof. De gra ven zijn aangelegd in concentrische cirkels en in het midden bevindt zich een soort arena, of – om het in klassieke toneel ter men uit te drukken – een orchestra. Aan de rand daarvan staan op gelijke afstanden de drie protagonisten, die op zoek zijn naar een geldschat die verborgen is in een van de graven. Het is een duel met drie deel nemers, en ieder van hen weet dat degene die het eerst zal proberen een van zijn rivalen uit te schakelen zelf neergeschoten zal worden door de derde. Minutenlang staan de mannen in uiterste concentratie te wachten, tot een van hen – niet toevallig de meest meedogenloze schurk (gespeeld door Lee Van Cleef) – de spanning niet meer aankan, zijn revolver trekt en wordt neergeknald door de naamloze held (Clint Eastwood), die vervolgens de derde man aan het werk zet om de schat op te graven.

We zouden lang kunnen discussiëren over de betekenis van deze bloedstollende scène, maar in alle gevallen is het duidelijk dat ze mythische allure heeft. Ze maakt deel uit van een exclusief Amerikaanse mythologie, waarin de eenzame revolverheld door woestijnen rijdt en afrekent met vijanden, waarin intelligentie, behendigheid en lichaamskracht zwaarder wegen dan burgerdeugden, maar waarin niemand gelukkig is: geluk is domweg geen relevant begrip en mensenlevens tellen niet, al helemaal niet in de ogen van de hoofdpersonen zelf. Sleutelscènes spelen zich af tegen het decor van uitgebrande dorpjes en verlaten stationnetjes in the middle of nowhere. Met de werkelijkheid hebben High Noon, Once upon a Time in the West en Deliverance niets te maken. Het zijn archetypische verhalen die zich juist daardoor goed lenen tot spot en parodie, zoals blijkt uit de cartoons van Glen Baxter, uit het oerflauwe Blazing Saddles (1974) van Mel Brooks en uit de muzikale Odyssee O Brother Where Art Thou?

Hoewel de iconografie van de western puur Amerikaans is, zijn de situaties kennelijk universeel genoeg om ook in andere werelddelen herkenning op te roepen. De rollen die Clint Eastwood en Charles Bronson spelen, kunnen geassocieerd worden met dierbare personages uit de wereldliteratuur, van Achilleus en Odysseus tot Reinaert, van Kaïn en David tot kapitein Ahab uit Moby Dick. Het aardige is dat morele verontwaardiging op dergelijke helden geen vat heeft. Een Odysseus die thuisblijft of een Ahab die zijn conflict met de Witte Walvis bijlegt is niet interessant. Interessant is de vraag waarom Achilleus blijft doorvechten in een oorlog die hem niets meer te bieden heeft, waarom Kaïn door God wordt beschermd en waarom The Good geen fatsoenlijke betrekking zoekt, nog interessanter is dat de antwoorden op dit soort vragen in de loop der tijden veranderen. Kennelijk heeft een goede mythe het vermogen steeds nieuwe interpretaties te genereren.

Als het waar is dat mythen universele betekenis hebben, dan kan het niet anders of er liggen eenvoudige patronen aan ten grondslag, niet eenvoudig in de zin dat ze laten zien hoe het leven werkt, maar dat ze fundamentele vragen oproepen die elke generatie wil en moet, maar niet kan oplossen. Het aantal problemen van die aard is beperkt. Misschien zijn het er maar drie. Ten eerste: hoe aanvaard ik de dood? Ten tweede: met wie mag ik neuken? En ten derde: wie help ik in geval van nood het eerst? Een mythe is niets anders dan een scenario waarin de consequenties van bepaalde keuzen op deze drie terreinen worden onderzocht.

Dat impliceert meteen dat we de oude Griekse mythologie niet nodig hebben om dergelijke problemen te onderzoeken. De Ilias moet niet gelezen worden omdat ze vragen aan de orde stelt die we niet net zo goed zelf zouden kunnen bedenken, maar omdat het een goed gedicht is. O Brother Where Art Thou? had de toespelingen op de Odysseia niet nodig om een geslaagde film over de clichés van de Amerikaanse my t hen te worden. James Joyce heeft bij het schrijven van Ulysses misschien steun ge had aan het homerisch stramien, voor de lezer van de roman is het niet nodig het antieke model te kennen. Een goede roman heeft altijd mythische potentie, niet omdat hij de oude mythen hervormt, maar omdat hij zich met dezelfde thema’s verstaat.

Nu is er op zichzelf weinig tegen wanneer een romancier of toneelschrijver be sluit een oude mythe af te stoffen. Als je de naam Antigone of Agamemnon ge bruikt, hoef je een heleboel niet uit te leggen, omdat de traditie vanzelf mee resoneert. Maar dat is tegelijk een groot nadeel. Je kunt weliswaar een nieuwe Penelope scheppen, bijvoorbeeld een Penelope die Odysseus niet trouw blijft, zoals Molly Bloom in Ulysses, maar het personage dreigt dan toch een sjabloon, een arche type te worden, in plaats van een mens van vlees en bloed. Een berucht voorbeeld van een verhaal dat echt verknoeid wordt door de interferenties van de traditie is de tegenwoordig onder postmodernistisch ge schoolde classici uiterst populaire Argonautica van Valerius Flaccus (eerste eeuw na Christus), waarin voor de zoveelste keer het verhaal van Jason en het Gulden Vlies wordt verteld. Met subtiele hints verwijst Flaccus naar het gelijknamige epos van Apollonios van Rhodos, naar Homeros, Vergilius en Ovidius, met als gevolg dat de lezer in gedachten voortdurend verzwegen informatie zit aan te vullen, waarbij vol komen onduidelijk is hoe ver je mag gaan. Als de Juno van Flaccus zich net zo gedraagt als die van Vergilius in de Aeneis, impliceert dat dan dat Jason eigenlijk een Aeneas is – een personage dat op zijn beurt gemodelleerd is naar de Jason van Apollonios en de Achilleus en Odysseus van Homeros? Met andere woorden, de referenties aan de traditie maken Flaccus’ gedicht tot een meta-epos, en wie wil er nu een verhaal lezen dat vooral gaat over het vertellen van verhalen?

Daarbij zijn er drie andere valkuilen voor wie de antieke mythen wil herschrijven. De eerste is die van de volledigheid. De oude mythografen hebben de neiging steeds zijpaden in te slaan en personages te laten opdraven die ook in andere verhalen figureren. Een moderne schrijver die bij de herdichting van de Orestie alle details over het geslacht van Tantalos meeneemt, ontkomt niet aan pretentieus vertoon van (meestal quasi-)geleerdheid, die minder onderlegde lezers ten onrechte imponeert. De tweede valkuil is die van de banalisering. Herakles wordt dan al gauw de oppervlakkige macho die bang is voor intimiteit, terwijl Klytaimnestra als radicaal feministe voor zichzelf kiest. De laatste valkuil is die van de antropologische interpretatie. Sinds Freud kunnen we het niet meer over Oidipous hebben zonder aan seksuele frustraties te denken, Sir James Frazer heeft ons met The Golden Bough geleerd dat alle mythen uiteindelijk over vegetatie gaan, en Robert Graves beweert in The White Goddess dat iedere onbereikbare vrouw een manifestatie is van de matriarchale maangodin. Dat is allemaal onbewijsbaar en leidt ertoe dat alle verhalen uiteindelijk hetzelfde betekenen. Dat lijkt me een verarming.

Een indrukwekkend gezelschap van internationaal bekende schrijvers heeft zich nu laten verleiden tot het herschrijven van oude mythen. De reeks verschijnt wereldwijd bij 25 uitgeverijen, bij ons bij De Bezige Bij, en zal vele delen gaan omvatten, waarvan er nu drie gereed zijn. Bij wijze van inleiding tot de reeks heeft Karen Armstrong een geschiedenis van de mythologie geschreven die van speculaties, goedkope psychologisering en theologische misverstanden aan elkaar hangt. Zo ziet ze er geen been in zich in de voorstellingswereld van de palaeolithische jager te verplaatsen, meent ze dat aan het poly theïsme een periode van monotheïsme voorafgegaan is en veronderstelt ze dat aan rituelen mythen ten grondslag liggen, terwijl het omgekeerde veel meer voor de hand ligt. Bovendien gelooft Armstrong dat de werkelijkheid een kern heeft en dat wij tegenwoordig het contact met het numineuze verloren hebben. Armstrong is een gelovige die ons wil redden.

Dat is gelukkig niet het geval in de korte romans van Jeanette Winterson en Margaret Atwood, die niettemin goeddeels mislukt zijn. Winterson heeft gekozen voor de mythe van Atlas, die in haar versie de wereld torst waartoe hij zelf behoort, zoals de schrijfster een wereld schept waarvan ze zelf een onderdeel is. Het verhaal gaat over eenzaamheid, het gewicht van het leven en de aanvaarding van je lot. Wat dat betreft is Atlas een geslaagd personage, in tegenstelling tot de Herakles die bij hem op bezoek komt om hem de gouden appels van de Hesperiden te ontfutselen. Zodra Herakles ten tonele verschijnt en de lollige woorden spreekt: «Drink wat, Atlas, ouwe globe van me!», ben ik geneigd af te haken. Dat is niet grappig. Dit ook niet: «Het was een typische dag in het leven van een held. Hij bracht Deïnaneira thee op bed, bracht zijn leger op de been en ging weg om korte metten te maken met Eurytos.» Winterson trapt in alle valkuilen tegelijk, schermt met begrippen uit de quantummechanica en is nog moralistisch ook. Het verhaal wordt pas geloofwaardig wanneer het autobiografisch wordt. Daarvoor was de omweg via Atlas en Herakles niet nodig geweest.

Atwood heeft het verhaal van Penelope opgezet als een tragedie, compleet met koorzangen van de twaalf dienstmeiden die aan het eind van de Odysseia uit de weg worden geruimd omdat ze met de Vrijers zouden hebben geheuld. Penelope zelf, die haar verhaal vanuit de onderwereld vertelt, is als personage geloofwaardig genoeg. Helaas is de Helena met wie ze gecontrasteerd wordt een voorspelbare karikatuur, lijdt ook deze roman aan een overdaad aan irrelevante mythische zijpaden en veroorlooft Atwood zich een zogenaamd ironische uitweiding over de antropologische betekenis van het getal twaalf, die niet alleen onzinnig, maar vooral heel overbodig is. En ook dit boek druipt van moralisme.

Ik vrees dat de hele reeks op een misverstand berust. Wat we in deze tijd nodig hebben zijn geen meta-verhalen uit de oude doos, maar nieuwe vertellingen over mensen van vlees en bloed die het proberen te rooien. Als die mythische potentie hebben, blijkt dat op den duur vanzelf. Daarvoor hebben we Oidipous, Odysseus en de maangodin niet nodig. Ik ga liever te rade bij Sergio Leone.