Architectuur Rem Koolhaas in Venetië

De rijkdom van de elementen

Als curator van de Architectuurbiënnale heeft Rem Koolhaas veel starchitects voor het hoofd gestoten. Hij toont in Venetië hoe de architectuur het verloor van de techniek. Maar juist daar ligt de uitdaging, zo blijkt uit zijn tentoonstelling Elements.

Medium ceiling zucchiatti

Waarmee wordt architectuur gemaakt? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen. Architectuur spreekt via gebouwen, gebouwen zijn samengesteld uit elementen als muren, ramen, plafonds, vloeren en deuren, dus zijn het ook die elementen waarmee architectuur tot spreken wordt gebracht, zoals woorden in een zinnig verband een verhaal vormen.

Om aan de orde te stellen dat die onwrikbare logica alle vanzelfsprekendheid verloren heeft, had Rem Koolhaas geen betekenisvoller plek kunnen kiezen dan Venetië. Wie door de steegjes en over de bruggetjes naar Giardini loopt, het terrein van de Architectuurbiënnale, begrijpt dat het op z’n minst een statement van de curator is om juist in deze stad een tentoonstelling te wijden aan de teloorgang van het architectonische element. Venetië is zoveel als een exces van het architectonische element. Geen stad ter wereld waar je zo veel verschillende ramen, deuren, balkons, gevels en gevelversieringen bij elkaar kunt zien, en mocht je de palazzo’s en kerken binnendringen, dan gaat dat feest alleen maar door en zijn er verbazingwekkende gangen, koepels en trappen, dat alles aaneengeregen tot een labyrint dat de architectonische ervaring welhaast tot een extatisch hoogtepunt brengt.

Venetië blijft een sprookje, eindeloos bezocht, eindeloos beschreven. Miljoenen mensen van over de hele wereld gaan er jaarlijks heen, om iets mee te maken wat ze in hun eigen omgeving niet mee kunnen maken: een architectuur die in elk detail tot hen spreekt. Er is het gelijkgeschakelde leven in suburbs en buitenwijken, het gladgestreken leven in industrieel vervaardigde huizen en appartementen, het weerstandsloze leven op snelwegen en parkeerterreinen, het steriele leven onder systeemplafonds, en er is een stad waar alles ooit met de hand uitgetekend en gemaakt is, als de ultieme architectonische droom. Venetië is behalve een culturele ervaring vooral ook een fysieke ervaring, de stad daagt je lichamelijk uit. Alles is er ooit aangeraakt en vraagt erom weer aangeraakt te worden; je kunt er op alle mogelijke manieren verdwijnen en verschijnen; je kunt er kijken en bekeken worden in al evenveel variaties; je kunt er façades opwerpen en je achter maskers verschuilen en elke rol aannemen die je je maar wenst; en als je er behoefte aan hebt, kun je er ook dwalen tot je vergeet wie je bent.

Koolhaas in Venetië, dat lijkt een ongerijmdheid. Je associeert Koolhaas niet meteen met de architectuur van weleer. Je zou hem een denker of onderzoeker van de moderniteit kunnen noemen. Zijn interesse geldt de mens die voor zichzelf een volledig kunstmatige wereld schept, de metropool, en de dynamiek die die wereld vanzelf krijgt, geheel los van wil of intentie. De moderniteit gaat haar eigen gang, voor de mens zit er weinig anders op dan zich te voegen naar wat hij zelf in gang heeft gezet – en dat doet hij ook, de ene keer opstandig, de andere keer met overgave, maar meestal zonder erbij na te denken, als in een droom.

Het is die rücksichtslose dynamiek die Koolhaas onder de titel Fundamentals tot thema van de Architectuurbiënnale in Venetië heeft gemaakt: de moderniteit die steden en platteland radicaal heeft veranderd, de gestaag voortschrijdende techniek die constructie en verschijningsvorm van gebouwen is gaan bepalen, en de architectuur die heeft geprobeerd de techniek naar haar hand te zetten of zich heeft teweergesteld en alternatieven heeft aangedragen, maar die steeds meer het nakijken had.

Helemaal naar Venetië gekomen om de onmacht van de architectuur ingepeperd te krijgen, dat moet wel zuur zijn

Als je bedwelmd door de zwoele jasmijngeur van paviljoen naar paviljoen loopt, zie je hoe de moderniteit over elk land is heen gewalst en lokale stijlen en bouwwijzen zo goed als uitgewist heeft, en hoe architectuur uiteindelijk maar weinig invloed heeft gehad op wat er van onze steden is geworden – ongetwijfeld een bittere boodschap voor architecten, maar constructietechnieken, de industriële productie van bouwelementen en installatietechniek hebben de architectuur min of meer gemarginaliseerd.

Desondanks worden op architecten torenhoge verwachtingen geprojecteerd. Er moet iemand aansprakelijk worden gesteld, er moet iemand zijn die onze steden kan redden en in staat is een omgeving te scheppen die ons wel zou kunnen passen. Vaak voeden architecten die aanspraak zelfs, alsof ze zozeer in het gedrang zijn gekomen dat alle aandacht meegenomen is, ook als die met zich meebrengt dat ze beurtelings als verlosser en zondebok worden afgeschilderd. Ze willen opdrachten, ze willen gebouwen ontwerpen, dus hebben ze er belang bij dat spel van overspannen verwachtingen mee te spelen en de illusie overeind te houden dat hun werk het verschil zou kunnen uitmaken. Die ambitie mag overtrokken lijken, een alternatief laat zich nauwelijks indenken, want wat zou een architect anders kunnen aandragen dan die pretentie dat een fantastisch ontwerp ertoe doet, al is het maar om aan het licht te brengen wat er ontbreekt aan het overgrote deel van de gebouwde stedelijke omgeving.

Totale gelijkschakeling vond niet plaats: elk land absorbeerde de modernisering op eigen wijze, er ontstonden varianten, uitzonderingen en tegenbewegingen. Soms leidde dat tot een eigen, nationale of door ideologie of klimaat gegenereerde vorm; soms was er een hyperenergieke visionair of een ontwerper die ontwerptalent paarde aan de gave om even geslepen te communiceren als een politicus; soms waren er architecten die hun verbeelding op megaprojecten loslieten, omdat die alleen al door hun grootte suggereerden dat er iets met een ontwerp ‘opgelost’ zou kunnen worden.

Van al die varianten zijn er aanstekelijke voorbeelden in de paviljoens te zien. Zo toont Engeland utopisch aandoende ontwerpen die het stedelijke en het landelijke weer bij elkaar trachten te brengen, laat Japan zien hoe architecten na de eerste moderniseringsgolf in de jaren zeventig de hele wereld rondgingen met een camera en notitieblokje om de bestaansvoorwaarden van authenticiteit en lokale gemeenschappen te onderzoeken, heeft Korea het aangedurfd de ontwikkelingen in beide delen van het verscheurde schiereiland tegenover elkaar te stellen (de planmatige wederopbouw van het volledig verwoeste Pyongyang en de veel chaotischer bouwontwikkeling in Zuid-Korea, elk met een eigen heroïsche architect), en is in het Nederlandse paviljoen de naoorlogse architect Bakema het onderwerp – als om te bewijzen dat tegen zo veel moderniseringsovermacht alleen volstrekte argeloosheid nog gepast was, bestond hij het om een groepje flatgebouwen als een gezin op te vatten, met vader, moeder en twee kinderen, als om het toch nog gezellig te laten lijken.

Het is enerverend om te zien hoe de moderniteit in elk land tegemoet is getreden en haar rigoureuze uitwerking heeft gehad. Het is te veel om in je op te nemen, maar juist daardoor overdonderend: door die aaneenschakeling van landenpresentaties beleef je als in een achtbaan hoe de wereld is meegesleept in een ongelooflijk project, waar geen plan voor is geschreven, geen ontwerp voor is gemaakt, als om alles van zich af te schudden waar zij ooit door gehinderd werd, niet in de laatste plaats de mens zelf. Dat is zowel opwindend als melancholisch. Zo veel is vernietigd, zo veel culturele rijkdom verloren gegaan, zo veel mogelijkheden zijn eens en voor altijd afgesloten, het overkwam ons en ging tegelijkertijd langs ons heen, en ik moet denken aan wat de Franse schrijver Michel Houellebecq in zijn roman De wereld als markt en strijd al beweerde: ‘Onder onze ogen wordt de wereld steeds eenvormiger; de telecommunicatiemiddelen zijn steeds geavanceerder; de woningen worden van binnen van allerlei snufjes voorzien. Menselijke relaties worden steeds onmogelijker, met als gevolg een evenredige afname van het aantal anekdoten waaruit een leven bestaat. En beetje bij beetje doemt het gezicht van de dood op, in volle luister. Dat belooft veel goeds voor het derde millennium.’

Venetië is allang geen echte stad meer, maar een machine die een schitterende illusie voortbrengt

De voortschrijdende modernisering zou niet alleen leiden tot de oplossing van de architectuur, maar evengoed tot oplossing van onze relaties – en daarmee uiteindelijk dus ook tot die van de roman, zoals Houllebecq iets verder in zijn boek concludeert: ‘We zijn op zijn zachtst gezegd mijlenver verwijderd van Wuthering Heights. De roman is niet bedoeld om onverschilligheid of absolute leegte te beschrijven; daarvoor zou een vlakkere, beknoptere en fletsere uitdrukkingsvorm moeten worden gevonden.’ Dat heeft hem er niet van weerhouden romans te blijven schrijven, uitgebreide romans. Het kan zijn dat het leven veel abstracter en onverschilliger is geworden, het kan zijn dat onze onderlinge verhoudingen zijn opgelost in gestroomlijnde communicatie, maar dat betekent ook bij hem nog niet het einde van de roman. Als reactie op de vervlakking van menselijke relaties kiest de literatuur voor de vlucht naar voren. Steeds meer levert zij een onwaarschijnlijk spektakel of cirkelt zij juist benauwde rondjes om wat zich altijd aan de egaliserende tendentie van de moderniteit zal blijven onttrekken: ziekte en dood van onze geliefden, ziekte en ongeluk van onszelf.

Er wordt gefluisterd dat veel starchitects niet zijn komen opdagen, they are not amused. Ook sommige architecten die ik in Giardini spreek, struikelen over Koolhaas’ Architectuurbiënnale. Helemaal naar Venetië gekomen om de onmacht van de architectuur ingepeperd te krijgen, de dominantie van de techniek, dat moet wel zuur zijn. Een Nederlandse architectuurhistoricus posteert zich voor me en zegt grimmig: ‘Dit is niet het einde van de architectuur, dit is het einde van Koolhaas.’ Ten overstaan van Koolhaas splijt de wereld vanzelf in twee helften – omdat ik zijn open, cultuurbeschouwelijke benadering uitdagend en to the point vind, ook nu weer, zal ik wel tot het kamp-Koolhaas worden gerekend, niets aan te doen, het spelletje van identiteit speel je nooit zelf maar is er voor anderen om zich mee te vermaken.

Meer nog dan wat er in de landenpaviljoens en in het Arsenaal (met de tentoonstelling Monditalia, waarin gastland Italië wordt doorgelicht in een ‘casestudy’ van modernisering) wordt getoond, is de expositie in de centrale tentoonstellingsruimte steen des aanstoots voor de getergde beroepsgroep. Koolhaas stelde deze zelf samen, met zijn denktank amo. Onder de noemer Elements zet hij de geschiedenis van de architectuurelementen uiteen, niet methodisch maar los en associatief, per element haalt hij naar voren wat hem moet hebben aangesproken of verleid.

Architectuur is voor hem nooit een van techniek losgezongen fenomeen geweest; al in Delirious New York beschrijft hij hoe de lift de wolkenkrabber mogelijk heeft gemaakt, en de wolkenkrabber Manhattan, dat metropolitaanse mirakel dat geen architect ooit had kunnen verzinnen. Koolhaas’ fascinatie voor de technologische ontwikkelingen is even groot als zijn liefde voor architectuur, hij wekt de indruk zich net zo graag door de moderniteit te laten overrompelen als dat hij als ontwerper zélf de lijnen uitzet. Naast zijn ambitie om zijn wil aan een gebouw op te leggen en te ontwerpen lijkt zich bij hem een verlangen te dringen om níet te ontwerpen, géén controle uit te oefenen over de werkelijkheid maar zichzelf erin kwijt te raken, zoals de surrealisten zich in het schrijven wilden verliezen door het procédé van de ecriture automatique – wie weet speculeert hij er zelfs op dat de uitkomst, als bij Manhattan, veel verbluffender zou kunnen zijn dan wat zich aan de tekentafel of computer laat bedenken.

In de tentoonstelling Elements zet Koolhaas twee aspecten van de elementen tegenover elkaar: hun grandioze rijkdom en wat de techniek er in de afgelopen eeuw mee heeft gedaan. Direct bij binnenkomst laat hij dat al op niet mis te verstane wijze zien: in de met schilderingen versierde koepel heeft hij een systeemplafond gehangen, meer dan een meter dik, met naargeestige lichtelementen die geacht worden het daglicht te simuleren, volgestouwd met pijpen, kabels en leidingen. Wat iconisch en symbolisch gedecoreerd was, is abstract geworden; wat de architectuur zelf verschafte – adequate lichtinval en luchtcirculatie – is overgenomen door de techniek. Ongetwijfeld een retorische opstelling, maar de boodschap komt aan: er valt niets meer aan het plafond te beleven. Hooguit zou je kunnen zeggen, zoals Koolhaas in de catalogus doet, dat de rationaliteit van het systeemplafond ons gerust stelt, en misschien dat we er daarom tóch mee kunnen leven. Het systeemplafond vraagt niets van ons, maar het zorgt wel voor ons en het lijnenpatroon fluistert ons toe dat het allemaal wel goed zal komen als we langs even strakke lijnen zullen denken.

Het systeemplafond vraagt niets van ons, maar het lijnenpatroon fluistert ons wel toe dat alles goed komt

Ik moet om mezelf lachen, wie had ooit kunnen denken dat ik me zou vergapen aan een collectie oude ramen uit Engelse landhuizen en de hedendaagse pedant ervan: de industriële vervaardiging van raamprofielen, met mallen, polijstmachines en testapparaten die ramen eindeloos openen en sluiten. Al even gefascineerd ben ik door de bouwtechniek van daken in de Chinese Song-dynastie en een schema waarin het ruimtelijk uiteenvallen van de haard als centrum van het huis inzichtelijk wordt gemaakt: eerst was de haard de plaats waar je warmte vond, kookte en samenkwam, maar die functies werden in afgelopen eeuw overgenomen door centrale verwarming, gasfornuis, televisie, laptop en smartphone – wat ooit op één plek gebeurde, is door die apparaten uitgestrooid over vele plekken, die dankzij de smartphone ook buiten het huis zijn komen te liggen: elke plek kan moeiteloos verbonden worden met de plek waar je naasten zich bevinden, we verkeren altijd overal en nergens.

Een van de meest opwindende zalen is die van de trap. Geen element rechtvaardigt zo veel lyrische vervoering als de trap. De trap voert ons ook omhoog en omlaag, de trap is theatraal en metafysisch, elke film- of theaterregisseur weet dat en maakt er gretig gebruik van. De Duitser Friedrich Mielke noemt in een video-interview de trap niet voor niets de koningin van de architectuur. Er zijn onnoemelijk veel soorten trappen, hij heeft er zijn leven aan gewijd en zijn studie ‘scalologie’ genoemd, in de tentoonstellingscatalogus presenteert hij zelfs een scalologisch manifest. Toon hem een trap en hij zal je zeggen waar en wanneer zij gemaakt is, de sociale klasse van de bewoners, hun plek in de hiërarchie, alles, hij heeft er standaardwerken over volgeschreven.

Maar de trap wordt als ongemakkelijk en gevaarlijk beschouwd, hij heeft geen vanzelfsprekende plaats meer in de hedendaagse architectuur en is doorgaans vervangen door de lift en de roltrap – ziedaar de thematiek van de tentoonstelling, want liften en roltrappen dragen in de verste verte niet zo veel architectonische mogelijkheden in zich als hun genereuze voorganger. Een lift ga je in, en als je er weer uitgaat, ben je ineens ergens anders, zonder dat er een spannende overgang is geweest; een roltrap mechaniseert de beweging en is over de hele wereld hetzelfde, meer nog dan de lift schakelt de roltrap iedereen gelijk. Als je zaal na zaal de oplossing van alle elementen in de techniek onder ogen hebt gezien, zou je somber kunnen raken over het lot van de architectuur. Maar keer je nog eens terug naar een van de eerste zalen, dan begrijp je dat dat niet de strekking van de tentoonstelling hoeft te zijn. In strak gemonteerde shots zie je de wijze waarop ramen, deuren, trappen, liften, balkons en glazen gevels door filmregisseurs in de afgelopen eeuw zijn gebruikt. Het is overstelpend, een delirium dat het delirium van Venetië op zijn minst evenaart; om tot een krachtig, betekenisvol beeld te komen, verkennen filmregisseurs alle mogelijkheden die de architectuur hun verschaft. Architecten hoeven niet bij de pakken neer te zitten, ze worden uitgedaagd als filmregisseurs hun verbeelding in te zetten. Koolhaas’ Elements valt daarom ook als een hint op te vatten om de architectuur op de techniek te heroveren en architectonische rijkdom te scheppen met de technologie die in déze tijd constructie en uiterlijk van onze gebouwen bepaalt.

Er mag dan verbijsterend veel verloren zijn gegaan, er zijn nieuwe technieken en dus ook nieuwe kansen om gebouwen te ontwerpen die meer zijn dan comfortabele maar gezichtloze, industrieel vervaardigde voorzieningen, gebouwen die spannend zijn, verrassen, weerstand bieden, betekenis uitlokken, gebouwen die je anders laten bewegen en kijken, gebouwen die je als Venetië anders laten bestaan.

Venetië is niet meer de stad die zij voorwendt te zijn, besef ik als ik weer naar mijn hotel terugloop. Langs de kade naar het San Marco-plein extravagante jachten, achter het treinstation cruiseschepen zo gigantisch dat ze de stad tot een soort Madurodam reduceren, een lachertje, en nog wat verder weg het silhouet van de raffinaderijen en fabrieken van Mestre – die hele machinerie die de stad in staat stelt de massa’s toeristen te bedienen naar eigentijdse eisen van comfort en hygiëne. Als ik me vervolgens realiseer dat de oude gebouwen in stand gehouden worden door een permanent proces van restauratie en renovatie, en dat de stad als geheel beschermd wordt tegen overstromingen door ingenieuze waterbouwkundige werken, made in Holland, dan kan ik er niet langer omheen dat dit fantastische decor alleen kan bestaan dankzij de modernste technologie en de stroom inkomsten die de toeristenindustrie genereert.

Iedereen mag zich hier verlustigen aan de triomf van de architectuur, maar uiteindelijk is Venetië allang geen echte stad meer maar een amusementspark, een machine die een schitterende illusie voortbrengt – ondanks haar overdaad aan het architectonische element dus niets anders dan weer een ander fenomeen van de moderniteit.

De citaten uit De wereld als markt en strijd van Michel Houellebecq zijn afkomstig uit de vertaling van de roman door Martin de Haan (De Arbeiderspers, 2000)


Beeld: De entreehal van Elements_, ‘Dit is het einde van Koolhaas’ (Giorgio Zucchiati / Courtesy La Biennale Di Venezia)_