1871 was een keerpunt in de geschiedenis van het economisch denken. In dat jaar publiceerden de Oostenrijker Carl Menger, de Fransman Léon Walras en de Brit Stanley Jevons teksten waarin zij de markt in het centrum plaatsten van de wetenschappelijke aandacht. De grote grensnutrevolutie zou het in de overzichtswerken van de geschiedenis van het economisch denken gaan heten: consumenten kopen tot de nutsbevrediging van de aanschaf niet meer opweegt tegen de kosten ervan; en producenten produceren tot de opbrengsten van de verkoop niet meer opwegen tegen de kosten van de productie ervan. In deze kenschets zijn makkelijk de vraag-en-aanbodcurves te herkennen die sindsdien in de lesboeken economie terecht zijn gekomen en de collectieve verbeelding van de economie zijn gaan bepalen.

Voortbouwend op deze inzichten en gebruikmakend van steeds grotere bakken met economische data die organisaties als het cbs en, later, imf en oeso zijn gaan uitspuwen, is al doende het economische domein versmald tot een verzameling calculerende actoren (bedrijven, overheden, consumenten) die elkaar op markten treffen om daar tot wederzijdse tevredenheid hun voorkeuren te bevredigen. Het heeft, zeker in Nederland, een economische wetenschap gebaard die uitblinkt in een esoterische zoektocht naar steeds verfijndere marktoplossingen voor steeds explosievere vormen van marktfalen, die bedoeld zijn om het ideaal van volledige concurrentie, efficiënte allocatie van schaarse middelen en dus van optimale nutsbevrediging dichterbij te brengen.

Oftewel: economie gaat uitsluitend over marktgedrag. En om de reikwijdte van het eigen paradigma verder uit te breiden zijn andere domeinen geleidelijk aan omgevormd tot quasi-markten waar quasi-transacties evenzovele quasi-prijzen opleveren. Ziehier de kern van het economisch imperialisme dat ons markten voor seks, criminaliteit, discriminatie, gezondheidszorg en – onder aanvoering van wat milieu-economie heet – voor emissies, klimaatcompensaties en ecologische diensten heeft opgeleverd. In de ogen van de econoom is alles een markt. De econoom rust niet voordat alles is omgevormd tot een gestandaardiseerd goed dat op een markt verhandeld kan worden: denk aan wat het beprijzingsinstrument van de dbc (diagnose-behandel-combinatie) met de Nederlandse gezondheidszorg heeft gedaan.

Als marktwetenschap is economie tevens de gretige dienstmaagd van het grootkapitaal geworden. Met de obsessie voor de markt begon namelijk tegelijk het grote vergeten. De maatschappelijke condities van haar geboorte weerspiegelend, was economie in de zeventiende en achttiende eeuw vooral een corpus van werken dat onderzocht hoe de opbrengsten van agrarische productie verdeeld werden over de verschillende productiefactoren. Volgens de Franse fysiocraten was landbouw de bron van alle economische waarde en was de boer de ruggengraat van iedere economie. Het leverde een beeld van economie en economisch gedrag op waarin de mens een fysiologische en uiteindelijk symbiotische relatie onderhield met de van God verkregen natuur.

Met de opkomst in de negentiende eeuw van de fabriek, fossiele brandstoffen, massaproductie en massaconsumptie kwam daar een nieuwe laag van analyse bij: arbeid werd de bron van alle industriële waarde. En het verdelingsconflict van de geproduceerde relatieve meerwaarde over de verschillende klassen (arbeid en kapitaal) werd het voornaamste object van onderzoek. Zowel de burgerlijke Schot Adam Smith als de revolutionaire Duitse jood Karl Marx begon zijn analyse van het kapitalisme in respectievelijk The Wealth of Nations (1776) en Das Kapital (1867) in de fabriek. De bewerking van grondstoffen met gereedschappen, machines en spierkracht tot verkoopbare goederen vormt de kern van hun analyses.

Het zijn de kosten van arbeid, kapitaal en grondstoffen die bepalen hoeveel de consument moet betalen, niet de schaarsteverhoudingen op markten. En zeker bij Marx moet dit worden begrepen als een fenomeen dat mede bestaat bij de gratie van ecologische en sociale processen die zelf pre- of buiten-kapitalistisch van aard zijn. In een kapitalistische economie is de reproductie van de arbeider de taak van (meestal) vrouwen die onbetaald zorgen voor voeding, schone kleren, hygiëne, opvoeding, orde, rust en regelmaat: het is de zogenaamde ‘sociale reproductie’ zonder welke het kapitalisme niet kan functioneren waar marxistische feministen als Nancy Fraser terecht de aandacht op hebben gevestigd.

Maar niet alleen dat. Menselijke activiteiten zijn ook ondenkbaar zonder een continu stofuitwisselingsproces met de natuur. In Das Kapital weidt Marx uitvoerig uit over hoe kapitalistische winst niet alleen de uitkomst is van het afromen door de kapitalist van de relatieve meerwaarde die de arbeider produceert, maar ook afhankelijk is van de toe-eigening van schaarse grondstoffen en de mogelijkheid om afval, uitstoot en deposities kosteloos over de schutting van de buren te kieperen. In het derde deel van Das Kapital voegt bezorger Friedrich Engels aan een passage van Marx over de chemische transformatie van kool in gas een zinsnede toe waarin hij er fijntjes op wijst dat dit leidt tot de uitstoot van CO2: in 1894!

Ook al zijn Marx en Engels lange tijd gelezen als voorstanders van ongebreidelde industrialisatie, zij het onder collectief in plaats van privaat eigendom – een lezing die voor de hand ligt als je kijkt naar de lyrische lofzang op het kapitalistische productieapparaat in het Communistisch manifest (1848) –, de jonge Marx was eigenlijk een ecoloog avant la lettre met een opmerkelijke gevoeligheid voor de biologisch-ecologische fundamenten van het menselijk bestaan.

Vroedkundigen van het nieuwe

Nu de crises over elkaar heen buitelen, hangt verandering in de lucht. Inspiratie puttend uit het bekende citaat van de Italiaanse verzetsheld Antonio Gramsci – dat de overgangsperiode tussen twee tijdperken gekenmerkt wordt door morbide symptomen die het resultaat zijn van het oude dat is gestorven en het nieuwe dat nog niet geboren kan worden – spreekt Ewald Engelen met denkers die licht kunnen werpen op hoe dat nieuwe kan ontstaan.

De herontdekking van deze jonge, ecologische Marx onder aanvoering van de publicaties van de godfather van het ecomarxisme, de Amerikaan John Bellamy Foster, heeft een nieuwe generatie van zeer actieve, uitgesproken en steeds invloedrijker wordende eco-marxisten opgeleverd die de traditionele marxistische kritiek op het kapitalisme vanwege zijn uitbuiting van de factor arbeid paren aan een kritiek op de al even gewelddadige uitbuiting van dier, natuur en ecosysteem.

Denkers als de Zweed Andreas Malm (zie de vorige aflevering van deze serie), de Brit Jason Moore, de Indiër Raj Patel en de Japanner Kohei Saito hebben met boeken als Fossil Capital, Anthropocene or Capitalocene, A History of the World in Seven Cheap Things en Marx in the Anthropocene Marx als inspiratiebron voor een economisch-ecologische kritiek van het kapitalisme bij een jonge, geradicaliseerde generatie van klimaatactivisten hoog op de kaart gezet.

Sinds het crisisjaar 2008 zijn Marx en zijn acolieten niet meer uit de schappen van de gespecialiseerde boekhandel weg te slaan. En de belangstelling ervoor zal tegen de achtergrond van de diepe crisis waarin het contemporaine kapitalisme zich bevindt naar verwachting alleen maar groeien. Zo kijkt de anglofone uitgeverswereld reikhalzend uit naar de Engelse vertaling van Capital in the Anthropocene, het nieuwste boek van Kohei Saito dat in Japan een onverwachte bestseller is geworden, met name onder millennials.

De Amerikaanse geograaf Matt Huber uit het voormalige industriestadje Syracuse in de staat New York is een van de loten aan deze stam. Zijn vorig jaar verschenen Climate Change as Class War: Building Socialism on a Warming Planet is een fantastisch uithangbord voor de conceptuele rijkdom, analytische precisie en thematische diepte die een marxistisch perspectief op de huidige klimaatcrisis te bieden heeft.

Net als het werk van Marx zelf is het boek zowel een kritiek op de dominante economische ideologie (neoliberalisme), een analyse van de diepgewortelde klassentegenstellingen die ten grondslag liggen aan de huidige klimaatrechtvaardigheidscrisis, als een blauwdruk voor politieke mobilisatie om die socialistische toekomst in een opwarmende wereld dichterbij te brengen. Oftewel: ideologiekritiek, politiek-economische analyse en politiek programma ineen, precies wat Marx in Das Kapital probeerde.

Climate Change as Class War maakt, zoals de titel al aangeeft, overtuigend duidelijk dat de strijd tegen klimaatverandering alleen gewonnen kan worden als de klimaatbeweging het belang van klassenstrijd herontdekt en zich niet laat afleiden door de erkenningsstrijd van identitaire bewegingen.

Huber citeert literatuur die leert dat er adresgegevens van natuurlijke personen hangen aan de ongekende hoeveelheid emissies die in de laatste decennia de atmosfeer in zijn gepompt. 71 procent van alle CO2-emissies die sinds 1988 in de atmosfeer terecht zijn gekomen, schrijft Huber, is afkomstig van een ampele honderd bedrijven, waaronder de grootste olie-ondernemingen, staalfabrieken en chemische concerns, en de grootste voedselproducenten. En het zal even zoeken zijn in de beursregisters, maar uiteindelijk zal dat een lijst met namen van eigenaren (aandeelhouders) opleveren die verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de ecologische schade. Oftewel: klimaatverandering is niet een anoniem proces waar ‘wij samen’ (de twee favoriete woordjes van politici) gelijkelijk last van hebben, maar de uitkomst van besluiten van een identificeerbare elite die er alle belang bij heeft die verantwoordelijkheid te ontlopen en door te gaan op de ingeslagen, voor hen uiterst profijtelijke, weg.

Het is om die reden dat Matt Huber en zijn ideologische geestverwanten het woord ‘Antropoceen’ ter aanduiding van het tijdvak waarin de mens de belangrijkste determinant van de klimatologische condities op aarde is geworden, radicaal afwijzen en vervangen door het neologisme Kapitaloceen: het zijn de rijken die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de ecologische destructie. Of nog preciezer: het is de klasse van eigenaren van de productiemiddelen (kortweg kapitalisten geheten) die verantwoordelijk is en dus politiek ter verantwoording moet worden geroepen. Dat is de klassenstrijd waar Huber toe oproept.

Helaas, aldus Huber, is vrijwel iedereen die zichzelf ‘progressief’ noemt het belang van klasse als prisma van economische analyse en als voertuig van politieke mobilisatie uit het oog verloren. Progressieve bewegingen worden gekenmerkt door een bijna neurotische obsessie met de marge en vergeten dat de sleutel voor maatschappelijke verandering niet daar ligt maar bij de grote meerderheid die tot de werkende klasse kan worden gerekend – Huber laat aan de hand van Amerikaanse data zien dat bijna zeventig procent van de beroepsbevolking daartoe behoort.

Wie wil sleutelen aan het eigendomsrecht moet over veel politieke macht beschikken; wie over veel politieke macht wil beschikken zal grote groepen mensen politiek moeten mobiliseren; en wie grote groepen mensen wil mobiliseren moet zich richten op de gedeelde belangen van die mensen; en die gedeelde belangen zijn klassenbelangen: meer bestaanszekerheid bij een rechtvaardige verdeling van de vergroeningsopdracht om klimaatopwarming tegen te gaan.

En beter dan nieuwe politieke mobilisatievoertuigen optuigen, zo betoogt Huber, is het om de oude voertuigen van linkse politieke partijen en vakbonden nieuw ideologisch leven in te blazen. Een klimaatbeweging die geschraagd wordt door de werkende klasse zal zich moeten scharen rond een radicaal politiek-economisch programma dat breekt met de huidige afhankelijkheid van koolstof en daar werkgelegenheid in duurzame energie tegenover zet. In plaats van de koolstofdemocratie van vandaag, waarin politiek en olie-industrie twee handen op een buik zijn, moet een anti-koolstofdemocratie worden gebouwd rond hernieuwbare energiebronnen. Inderdaad, zoals de oorspronkelijke Green New Deal van de Democratische politici Alexandria Ocasio-Cortez en Ed Markey beoogde, die Huber in zijn boek uitvoerig bespreekt en aanscherpt.

Matt Huber: het zijn de rijken die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de ecologische destructie © Courtesy of Matt Huber

Hoe daar te komen? Huber stelt voor om één economische sector als hefboom voor economie-brede transitie te gebruiken. Hij presenteert een concreet politiek actieprogramma, dat gebruik maakt van de hoge organisatiegraad van vakbonden in de Amerikaanse elektriciteitssector, om te streven naar de ‘elektrificatie van alles’, een opzichtige knipoog naar Lenin die ooit zei dat communisme neerkwam op de macht van de lokale sovjets (raden) en de elektrificatie van alles: van verwarming tot vervoer, van verlichting tot voedselbereiding en van diensten tot industrie. Om de Amerikaanse uitstoot bijtijds naar beneden te krijgen en klimaatopwarming te voorkomen. En daarbij schuwt Huber de grote olifant in de milieukamer niet. Kernenergie is volgens Huber een goede manier om de wensen van de vakbeweging van meer en betere banen te verenigen met de duurzaamheidseisen van de klimaatbeweging, al was het maar als overgangstechniek.

Huber heeft dan ook weinig op met het degrowth-denken van de romantische tak van de klimaatbeweging. Net zoals Marx en Engels zich in het Communistisch manifest afzetten tegen de idealen van kleinschaligheid en ambachtelijkheid van het utopisch socialisme, en benadrukten dat het communistische eindstation wat hen betrof niet een breuk met de geïndustrialiseerde moderniteit van het kapitalisme was, maar juist een verdere radicalisering ervan, zij het onder meer eigendomsverhoudingen. Net zo beticht Huber de voorstanders van degrowth ervan wereldvreemde utopisten te zijn – ‘een kleine voorhoede van academisch geprivilegieerden’, zou hij ze noemen tijdens het interview dat ik met hem had – die onvoldoende beseffen dat niet minder economische groei het antwoord op de klimaatcrisis moet zijn, maar een herverdeling van de economische groei, die bovendien een stuk schoner moet worden dan zij momenteel is.

Klimaatverandering is het gevolg van een klassenstrijd die helaas door de factor kapitaal is gewonnen, zegt Matt Huber

Velen in het mondiale Zuiden hebben namelijk nog geen toegang tot de hulpbronnen die zij nodig hebben om een goed, zelf gekozen leven te kunnen leiden. Velen in het mondiale Noorden hebben een voetafdruk die min of meer voldoet aan de Parijse doelstellingen. Het zijn uitsluitend de rijken in zowel Noorden als Zuiden die momenteel een buitenproportioneel beslag leggen op de beschikbare ecologische ruimte. En dan niet alleen als consumenten (privé-jets, luxe vakanties, luxe jachten, grote huizen) maar vooral als kapitaaleigenaren. Dit zijn de namen die horen bij de huisadressen van de aandeelhouders van de grootbedrijven die verantwoordelijk zijn voor de historische en actuele emissies.

Dat is, zegt Huber, de politieke strijd die gestreden moet worden: hoe verdelen we de beschikbare ecologische ruimte op een manier die de mondiale armen noodzakelijke welvaartsgroei toestaat. Niet: hoe stoppen we de mondiale grondstof-intensieve economische groei om snel binnen de beschikbare ecologische bandbreedte te komen. Wat dus ontbreekt in het degrowth-verhaal, zegt Huber, is een klassenperspectief: de kritiek op economische groei wist de enorme welvaartsverschillen tussen klassen uit.

Ten slotte impliceert dit alles een visie op verandering en mobilisatie die haaks staat op de inzichten van de archipel van organisaties die op dit moment de mondiale klimaatbeweging vormt. Voortkomend uit de golf van sociale bewegingen in het mondiale noorden van de jaren zestig en zeventig is de klimaatbeweging primair buitenparlementair, beschikt ze over een beperkt actierepertoire (demonstraties, blokkades, ludieke acties) en vertrouwt ze op de veranderingsmacht van de kleine voorhoede voor systeembrede transities. De strohalm waar de klimaatbeweging zich uit alle macht aan vastklampt is de pseudo-natuurwet van de 3,5 procent-regel van de Amerikaanse politicologen Erica Chenoweth en Maria Stephan, volgens welke de mobilisatie van een kleine minderheid voldoende is om sociaal-culturele kantelpunten te passeren. Het is de enige resterende strategie in een electoraal landschap dat uiteen is gespat in duizenden scherven door het identitaire narcisme van de kleine, uitvergrote verschillen.

In de ogen van de klimaatbeweging zijn de biefstuksocialisten van de vakbeweging en de sociaal-democratie echter ecologische vijanden omdat ze vechten voor meer loon, meer groei, meer werkgelegenheid – en dus meer uitstoot en vervuiling. Volgens Matt Huber is de strijd voor een duurzame toekomst vergeefs als werknemers en burgers geen controle weten te verkrijgen over de productiemiddelen. En dat is een strijd die je niet wint met kleine, leninistische voorhoedes, maar alleen door te bouwen aan grote politieke meerderheden.

En laat dat nou net zijn waar vakbonden en sociaal-democratische partijen van oudsher goed in zijn. Oftewel: klimaatbeweging en arbeidersbeweging moeten leren gezamenlijk op te trekken in plaats van elkaar wederzijds te verketteren, omdat duurzaamheid en rechtvaardigheid samengaan. Willen we iedereen kans geven op een duurzaam en rechtvaardig bestaan dan zullen we de controle over de productiemiddelen uit de handen van de rijken moeten grissen, aldus Huber.

Dat is wat de titel van zijn boek pregnant uitdrukt: klimaatverandering is het gevolg van een klassenstrijd die helaas door de factor kapitaal is gewonnen en kan dus alleen worden voorkomen als de factor arbeid die strijd ten eerste leert herkennen en ten tweede meer, en beter leert voeren.

Verklaren hoe het komt dat de milieubeweging zich blindstaart op klimaatopwarming, koolstof en marktoplossingen voor uitstootproblemen is een ander doel van Hubers boek. Het is wat Marx ooit ideologiekritiek noemde: het openrijten van de sluier die de harde, materiële kapitalistische werkelijkheid verhult achter een wolk van mooie, in dit geval: groene woorden. Wie door zijn oogharen naar het milieudebat kijkt, ziet inderdaad een opmerkelijke versmalling van het probleem en een al even opmerkelijke technocratisering van de oplossingen opdoemen. Het probleem zou te veel koolstof zijn en de oplossing het beprijzen van dat surplus en het vervolgens construeren van markten waarop die beprijsde koolstof verhandeld kan worden.

Het is een economisering van het ecologische vraagstuk die ook kan worden aangetroffen in de beleggingswereld en die via de band van de beprijzing van zogenaamde ‘ecologische diensten’ eveneens terecht is gekomen in de discussie over biodiversiteit. Het heeft geresulteerd in het voor buitenstaanders onbegrijpelijke eco-lingo van ‘cap & trade’, ‘offsets’, ‘net zero’, ‘loss & damage’ en ‘carbon border adjustment mechanisms’. Allemaal bedoeld om het grootkapitaal via de band van marktprikkels te duwen (‘nudgen’) naar een groen-kapitalistische toekomst.

De grote afwezigen in dit narratief zijn de plekken waar arbeid en kapitaal hun gevecht met de weerbarstige natuur leveren om uit grondstoffen consumeerbare producten te boetseren. Dat vereist bloed, zweet en tranen; vuur, gas en metaal; chemie, laboratoria en fabriekshallen; en mijnen, akkers, schepen, containerterminals, vrachtwagens en distributiecentra. Huber noemt deze plekken in navolging van Marx ‘de verborgen en verboden plekken van productie’. Niet alleen zijn deze plekken voor buitenstaanders verboden terrein – probeer maar eens met een camera een slachthuis binnen te gaan –, ook blinkt de klasse van kapitaalbezitters erin uit om deze plekken voor de gemiddelde burger goed verborgen te houden, alsof zij zich stiekem generen voor het geweld waarmee de uitbuiting van mens, dier en natuur gepaard gaat.

Friedrich Engels schreef er op 24-jarige leeftijd al over, in zijn fenomenale The Condition of the Working Class in England (1844). Om de abominabele leefomstandigheden van de Ierse migranten die de textielfabrieken in het centrum van Manchester bevolkten aan het zicht van de welgestelde eigenaren ervan te onttrekken, was de weg erheen afgeschermd van de achterliggende arbeiderskrotten door fraai ogende winkelpanden die als decor fungeerden. Het is een vorm van verhulling van de mens- en dieronterende omstandigheden waarin materiële productie plaatsvindt, die met de mondiale waardenketens van nu de dag zijn vervolmaking heeft gekregen. De hoogopgeleide professionals die tegenwoordig de industriesteden van weleer bevolken en hun brood verdienen met het analyseren en bewerken van (digitale) ideeën wentelen zich in zalige onwetendheid over de omstandigheden waaronder hun voedsel, hun kleding, hun smartphone en hun schoeisel worden geproduceerd.

Volgens Huber heeft de groeiende afstand tussen de plek van consumptie en de plek van productie ertoe geleid dat het merendeel van de hoogopgeleide stadsbewoners die gaan over politiek, beleid en debat zelf zijn gaan geloven in de schone, groene en vreedzame idylle van het gedeïndustrialiseerde kapitalisme, die hen in een dagelijkse omgeving constant aanstaart. Zij zien alleen de zalm die is teruggekeerd in de Amstel, niet het bruine schuim dat drijft op de Jangtsekiang-rivier die Wuhan met Shanghai verbindt, en uiteindelijk Shanghai met Amsterdam. Het is deze bewust geproduceerde materiële onwetendheid die volgens Huber geleid heeft tot een klimaatbeweging die zeer gevoelig is gebleken voor zowel de romantische verleiding van krimp als de technocratische verleiding van emissiemarkten.

Ik verontschuldig me dan ook voor het hippe vegan restaurant in Amsterdam-Oost waar ik begin november met Huber heb afgesproken. Dit zijn de plekken, inclusief de kaal geschraapte bakstenen muren en ambachtelijke biertjes, die worden gefrequenteerd door dezelfde academisch opgeleide professionals waar Huber zo op afgeeft. Zelf heeft hij zich bijna demonstratief gehuld in het Amerikaanse arbeiderskostuum bij uitstek: spijkerbroek en houthakkershemd. ‘Geen probleem’, zegt hij lachend, ‘dit soort restaurants is onvermijdelijk in de hipsterbuurten van global cities als Amsterdam. Ze zijn bovendien een fantastische illustratie van de manier waarop de klassenstrijd die achter het klimaatvraagstuk schuilgaat aan het zicht onttrokken wordt: door het te individualiseren en er een kwestie van identiteit en levensstijl van te maken.’

Hoe komt het dat we het domein van de materiële productie collectief zijn vergeten? vraag ik hem.

‘Dat heeft twee oorzaken’, antwoordt Huber. ‘Ten eerste is het een weerspiegeling van de wijzigingen die zich in de materiële economie sinds het einde van de jaren zeventig hebben voorgedaan. Fabrieken, werkplaatsen en andere fysieke manifestaties van de bewerking van grondstoffen door arbeid en kapitaal die we productie noemen, zijn simpelweg buiten het blikveld van de meeste burgers beland. Dat is tegelijk gepaard gegaan met een enorme transformatie in het arbeidsproces. Steden als Amsterdam zijn middenklassensteden geworden, waarvan het merendeel van de bewoners academisch geschoold is en werkt in de dienstverlening. Dat maakt het voor hen erg makkelijk om te vergeten dat alles wat ze consumeren ergens vandaan komt. Ze ervaren alleen de markt, niet de fabriek; alleen de webshop, niet de infrastructuur erachter.

Ten tweede komt het door het breed gedeelde narratief – van academia tot media – dat in het postindustriële kapitalisme van vandaag klasse er niet langer toe doet. Opleiding is belangrijker dan financieel kapitaal. En dus is discriminatie op basis van etniciteit en gender belangrijker geworden dan klasse. Het heeft geleid tot een officiële overlijdensverklaring onder sociologen van het begrip “klasse” in de jaren negentig. En als je dat maar vaak genoeg herhaalt gaan burgers het vanzelf geloven. En als ze het eenmaal zijn gaan geloven, ontbreekt het ze als vanzelf aan de taal om sociaal-economische ongelijkheden mee aan te duiden.

Net op het moment dat de kapitalistische klasse aan het winnen is, verliest de arbeidende klasse het cognitieve vermogen om te snappen wat er gebeurt: hoe prettig is dat! Het gevolg zie je in de klimaatbeweging: een desastreuze combinatie van technocratische marktoplossingen aan de ene kant en een loos appèl op individueel consumptiegedrag aan de andere. En het grootkapitaal is de lachende derde: geen pijnlijke inperkingen van het eigendomsrecht, veel gloednieuwe markten voor groene technologieën, en ondertussen mooie sier makend met een moraliserende agenda van inclusiviteit, diversiteit en duurzaamheid.’

In zijn boek gebruikt Huber de psychologiserende term koolstofschuld, carbon guilt, om de moraliserende aandriften van de academisch geschoolden mee te verklaren. Waarom, wil ik weten.

‘Wat ik probeerde te verklaren is de klimaatneurose van de progressieve professionele klasse. En achteraf bezien had ik daar misschien beter het werk van Freud of Lacan dan dat van Marx voor kunnen gebruiken. Maar ik heb in het boek geprobeerd er een materiële draai aan te geven. De professionele klasse probeert zo succesvol mogelijk te zijn op de arbeidsmarkt en dat succes te vertalen in zo groot mogelijke materiële voordelen: status, salaris, ervaringen, vrije tijd, zekerheid. Om dat te doen is haar streven erop gericht zo veel mogelijk uiterlijke tekenen van cognitieve, academische competentie te verwerven. En dat gaat verder dan diploma’s en certificaten, maar betreft ook smaak, levensstijl en consumptiepatroon.

En dat leidt op zijn beurt tot allerlei klimaatneuroses: men weet, cognitief, dat de eigen levensstijl onverenigbaar is met een duurzame toekomst maar is tegelijk, praktisch, niet in staat om die levensstijl op te geven, omdat die medebepalend is voor de eigen maatschappelijke positie. Het gevolg is een neurotische moralisering van het klimaatprobleem door zichzelf en elkaar steeds de maat te nemen over vlieggedrag, eetpatroon, kledingstijl en zo voort. Dat staat politisering en collectieve mobilisatie over het eigenaarschap van de productiemiddelen in de weg. Weer: het grootkapitaal lacht in zijn vuistje.’

Huber is erg positief over de oorspronkelijke Green New Deal zoals in 2018 gepresenteerd door Ocasio-Cortez en Markey. Dat is nu ruim vier jaar geleden. Hoe kijkt u daar nu naar?

‘Ik was en ben erg gecharmeerd van de veranderingstheorie die aan het plan ten grondslag ligt. Namelijk dat verduurzaming alleen mogelijk is als je het vooral ten goede laat komen aan de werkenden. En – moet ik erbij zeggen – dat is niet wat we nu met de vele subsidiepotjes doen. Het wil zeggen dat verduurzaming gepaard moet gaan met grootschalige investeringen die direct verbeteringen opleveren voor de materiële leefomstandigheden van de armen en kwetsbaren. Dus: goedkope, groene elektriciteit voor iedereen; goede, geïsoleerde woningen voor iedereen; goede, groene transportmogelijkheden voor iedereen; en goede, groene banen voor iedereen. Het is de enige mogelijkheid om grote meerderheden te mobiliseren achter een collectief verduurzamingsprogramma.

De vraag is alleen of het voldoende is om het diepgewortelde politieke cynisme bij de niet-stemmers te doorbreken. Dat is wat ik merkte toen ik in Syracuse campagne voerde voor presidentskandidaat Bernie Sanders. Ik kreeg steeds opnieuw te horen dat het weliswaar mooi klonk, maar dat het toch nooit zou gebeuren. Veertig jaar neoliberalisme heeft kiezers murw gemaakt. De “berusting van het proletariaat” heeft de filosoof Vivek Chibber het genoemd. Stemmen maakt toch niet uit omdat politici nooit doen wat ze beloven en uiteindelijk minder begaan zijn met hun kiezers dan met hun eigen carrière en de belangen van het grootkapitaal.

En wie kan het ze kwalijk nemen? Dat is namelijk precies wat er is gebeurd: mooie politieke praatjes gevolgd door doffe teleurstelling. Maakt niet uit of het Obama is of Trump. En dat betekent dat het anders moet: niet mobiliseren door verhalen te vertellen en plannen te maken, maar door effectief iets te doen, materieel, aan de leefomstandigheden van de afgehaakten, om op die manier hun vertrouwen terug te winnen.’