De rijksbiografe

DR. L. DE JONG staat niet direct bekend om vijandelijke aanvechtingen ten aanzien van het koningshuis. Integendeel, zijn nimmer falende loyaliteit aan de vorstin, in het bijzonder aan Wilhelmina, is legendarisch. Hij verkreeg er de bijnaam ‘Oranje Loe’ mee. Zijn trouw klonk volop door in de Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, het veertiendelige standaardwerk waar De Jong heel wat reputaties mee heeft gebroken, behalve die van Wilhelmina, die in dit nooit overtroffen opus magnum als een oud-Hollandse schikgodin verrijst uit de golven van de Tweede Wereldoorlog.

Ook weg van de schrijftafel verrichtte De Jong heel wat hand- en spandiensten aan het vorstenhuis. Een fraai staaltje daarvan werd december verleden jaar nog gememoreerd op de VPRO-televisie, toen de Amerikaanse journalist Daniel Schorr in de Greet Hofmans-documentaire van H.J.A. Hofland en Hans Keller vertelde hoe hij als correspondent voor Life Magazine in Nederland in de jaren vijftig hoogstpersoonlijk was bewerkt door De Jong. Schorr had als eerste buitenlandse correspondent in Nederland zijn vingers kunnen leggen op de zogeheten ‘Greet Hofmans-affaire’. Maar zijn verhaal haalde nooit de drukpers. Dat bleek, zo bekende Schorr, te danken aan dr. L. de Jong, die als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) de journalist zo lang bewerkte dat deze uiteindelijk schuldbewust akkoord ging met niet-plaatsing van zijn wereldprimeur. 'Als Nederlanders met jou praten, praten ze met een familielid’, zo had De Jong Schorr toegesproken. 'En wat familieleden onder elkaar vertellen, blijft off the record.’ Het was het begin van een soort conspiracy of silence rondom de paleisoorlog van Soestdijk, die tot op de dag van vandaag voortduurt. MEN MAG VOETSTOOTS aannemen dat De Jong deze toch wel heel speciale rol als bemiddelaar tussen media en monarchie op zich nam in opdracht van zijn trouw aan Wilhelmina, die hij in de oorlog tijdens zijn jaren als propagandaman voor de regering in ballingschap in Londen had leren aanbidden en tot wier biechtvader hij na de oorlog zou uitgroeien. De Jong was Wilhelmina’s vertrouwensman, en dat vertrouwen zou hij nooit beschamen, ook niet na Wihelmina’s dood in 1962. Tegenover Vrij Nederland vertelde hij eens dat Wilhelmina hem vanuit haar kist in de Oranje-grafkelder in Delft leek toe te spreken, en dat hij ook daarna bij het schrijven van zijn boeken vaak het gevoel had dat Wilhelmina over zijn schouder meelas. Het was bijzonder lastig, zo bekende hij, deze signalen uit subdominale krachtenvelden te negeren. Dat is - zeggen De Jongs critici - tegelijk zijn zwakke plek geweest. De 'rijksgeschiedschrijver’ wordt een blinde, oranje vlek verweten, die zijn rol als vertrouwensman aan het hof heeft moeten bekopen met het verlies van zijn kritische plichten die hij als geschiedschrijver ook ten opzichte van het hof had moeten laten prevaleren. Waar het Oranjehuis in beeld komt bij De Jong, zo wordt vaak geoordeeld, verliest De Jong de gewenste afstand en verandert hij in een epigoon, die toedekt en retoucheert dat het een lieve lust is, totdat het gewenste vleiende beeld van de heersende monarche is ontstaan. Ten bewijze wordt dan vaak het in 1979 verschenen deel 9b van De Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog opgevoerd, waarin De Jong weliswaar de ene na de andere onthulling deed over het Oranjehuis (bijvoorbeeld over François van ’t Sant, de uitspattingen van prins Hendrik en de halfbroer van Juliana), maar daarbij tegelijkertijd zoveel mystificaties in het leven riep dat het resultaat oogde als een rookgordijn opgetrokken uit royalty-raadsels. Die handelswijze wordt nogal eens in verband gebracht met De Jongs vermeende 'elite-gevoeligheid’: als zoon van een eenvoudige melkboer zou hij geen weerstand hebben kunnen bieden aan de verlokkingen van koninklijke gunsten en de verplichtingen die deze nu eenmaal met zich meebrengen. TOCH IS DAT MAAR één kant van de De Jong-medaille: de laatste jaren liet hij zich bij diverse gelegenheden heel wat kritischer uit over Oranje dan zijn ex-collega’s bij het Riod. Bijvoorbeeld in de controverse die enkele jaren geleden ontbrandde over het NSDAP-lidmaatschap van Z.K.H. prins Bernhard bij het verschijnen van De zaak-Sanders van Gerard Aalders en Coen Hilbrink. Tal van andere vakhistorici namen het toen op hoge toon op voor de prins en bleken vooral gebeten op de onthullers in plaats van op de onthulling zelve - in navolging overigens van de prins, die ondanks het bestaan van zijn nazi-partijkaart bleef volharden in een ontkenning van zijn lidmaatschap. De Jong daarentegen sprak zich in harde bewoordingen uit over het historisch-escapistische ontkenningsgedrag van de prins. 'Oranje Loe’ was heel wat minder genegen het straatje van Soestdijk schoon te schrobben dan bijvoorbeeld eminente collegae als Jank Bank of zijn opvolger bij het Riod Hans Blom. Achter de façade van Oranje-trouw zit bij De Jong wel degelijk een flinke dosis streven naar autonomie. Bij het schrijven van zijn levenswerk, in opdracht van de regering, kreeg hij met meer 'bijsturing’ te maken dan hij zelf wellicht wenselijk achtte. Nadat hij die opdracht had vervuld en afscheid had genomen van het Rijksinstituut, was De Jong steeds minder geneigd een blad voor de mond te nemen. HET WAS DAAROM niet eens zo'n grote sensatie toen dezelfde De Jong verleden week bleek te hebben ingestemd met het voorstel van de SDU om Nanda van der Zee een boek over zijn leven en werk te laten schrijven. De dagbladen schreeuwden hun verbazing van de daken. 'Oranje Loe’ in zee met de schrijfster van Om erger te voorkomen, hoe was het mogelijk? Twee jaar geleden zette Van der Zee een voor Nederlandse begrippen ongekend fel debat in gang over de haars inziens verwijtbare rol die de Nederlandse elites met aan de top Wilhelmina hebben gespeeld bij de vervolging van het jodendom in Nederland. Met haar ongrondwettelijke vlucht naar Londen had de vorstin de Staat der Nederlanden op een presenteerblaadje uitgeleverd aan de Duitsers, die Nederland tot hun eigen verbazing vrijwel rimpelloos zagen transformeren in een vazalstaat. Volgens Van der Zee was dit de fatale opmaat naar de ambtelijke collaboratie in Nederland met de Duitsers, die zou hebben geleid tot een in vergelijking met andere door Hitler bezette landen uiterst hoog percentage vermoorde joden. Door Wilhelmina’s reeds in de herfst van 1939 geplande vlucht kwam het aanvankelijk door de Duitsers geplande militair bestuur in Nederland (per decreet op 9 mei aangesteld) te vervallen en werd het vervangen door een civiel bestuur onder leiding van de notoire antisemiet Seyss-Inquart, die het Nederlandse ambtenarenapparaat volledig naar zijn hand wist te zetten. Daarnaast verweet Van der Zee Wilhelmina eenmaal in Londen een passieve houding ten aanzien van haar joodse onderdanen. Hoewel zij beschikte over diverse propagandistische middelen, zoals radio Oranje en de pamflettenregens van de RAF, en hoewel ze door nota bene haar dochter in Canada diverse malen was geattendeerd op het lot van de mensen in de kampen, leek Wilhelmina geheel en al gepreoccupeerd met de restauratie van de monarchie. Ook sprak Van der Zee harde woorden aan het adres van De Jong, die deze gang van zaken in zijn werk al te veel met de mantel der Oranje-liefde zou hebben bedekt. Met haar boek reanimeerde Van der Zee een discussie die te lang uit de weg was gegaan. Het is het vraagstuk hoe het mogelijk was dat de bureaucratische machinerie van de Nederlandse staat zo geruisloos en gemakkelijk overging tot aansluiting bij de Duitse. Het zijn vraagstukken die met de controverse over de Liro-archieven en de rapportages van de commissie-Kordes weer op de agenda van de actualiteit staan, zij het rijkelijk laat. Dat er sowieso weer wordt nagedacht over de coöperatieve houding van de secretarissen-generaal van de diverse ministeries in '40-'45, over de enthousiaste inzet van het Nederlandse politieapparaat bij de jodenvervolging, over de Nederlandse ambtenaren die zo trouw en vol plichtsbetrachting waakten over de logistiek van de lijn Westerbork-Auschwitz, is grotendeels te danken aan Om erger te voorkomen. Juist door het polemische, provocerende karakter van dat boek moesten er wel reacties loskomen. BIJ HET PUBLIEK vond het boek van Nanda van der Zee brede weerklank, maar collega-historici maakten er met opmerkelijk vereende krachten gehakt van, De Jongs voormalige collega’s bij het Riod voorop. Zelden werd een historische studie zo eendrachtig de grond in geboord. De emoties waarmee dit gepaard ging (Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur beschuldigde Van der Zee in De Telegraaf zelfs van het napraten van nazi-propaganda, hetgeen hij later overigens moest inslikken) waren ongekend. Van der Zee hield echter stand. In het jongste nummer van het Tijdschrift voor Geschiedenis schreef zij een overtuigend antwoord op de aantijgingen van haar critici, onder wie directeur Blom van het Riod, die Om erger te voorkomen stelselmatig afdeed als een onwetenschappelijk c.q. onverantwoordelijk geschrift waar de schrijfster haar excuses voor zou moeten aanbieden, niet in de laatste plaats aan dr. L. de Jong. Het maakte de keuze van De Jong voor zijn biografe er des te opmerkelijker op. Zijn gewezen collega’s bij het inmiddels in Niod omgedoopte Riod stonden er in ieder geval perplex van. 'Waarschijnlijk heeft Van der Zee De Jong kunnen uitleggen dat ze het allemaal niet zo heeft bedoeld’, giste Niod-woordvoerder D. Barnouw in Het Parool. Ook elders aan de Niod-burelen overheerste verbijstering. Van der Zee liet inmiddels echter weten dat zij met geen haar anders denkt over de materie die ze aansneed in Om erger te voorkomen. Sterker nog, zij ondervindt steeds meer steun, ook vanuit het buitenland. Zo staat de Duitse uitgave van Om erger te voorkomen op stapel in augustus, en ook in Polen is er sprake van grote belangstelling. De Jongs verrassende manoeuvre zou als een steunverklaring voor dit pionierswerk kunnen worden gezien. Dat betekent natuurlijk nog niet dat De Jong nu achter de conclusies van Van der Zee staat, maar wel dat hij haar onafhankelijke manier van werken blijkbaar op waarde weet te schatten. Bovendien schreef Van der Zee eerder een biografie van Jacques Presser, De Jongs leermeester op het Riod - een werk waarvoor De Jong nooit zijn bewondering onder stoelen of banken heeft gestoken. Bij het Niod en omgeving kan men De Jongs verrassende manoeuvre ondertussen niet anders opvatten dan als een provocatie, een blijk van recalcitrantie die men in deze kringen zo spaarzaam aantreft.