Essay: Zijn oorlogsfotografen pornografen?

De rilling van de waarheid

Oorlogsfotografen worden wel ‘oorlogspornografen’ genoemd omdat ze door werken bij gruwelijke taferelen. Maar iemand moet het doen. Iemand moet de burgerman die zich dagelijks slechts om kleine dingen zorgen maakt, wakker schudden.

Verreweg de meeste mensen vinden oorlog een verschrikking. Ze richten monumenten op om de doden te herdenken en roepen eens per jaar «nooit meer!» Anderen kunnen er maar geen genoeg van krijgen. Voor de meeste conflictreporters bijvoorbeeld is een oorlog zowel een verheven missie als een verslaving. Als ze eenmaal van de strijd geproefd hebben, komen ze er nog maar moeilijk van los. «Voor de een is oorlog oorlog, voor de ander is oorlog zijn beste vriend», luidt een Albanees gezegde.

De motieven van oorlogsverslaggevers mogen nog zo nobel en altruïstisch klinken (de wereld moet weten wat er gebeurt, politici moeten in actie komen! La remise en question des choses!), hun drijfveren zijn vaak zeer particulier. Een Franse verslaggeefster voor TF1 bekende aan Marcel Ophuls, regisseur van de vier uur durende documentaire Veillées d'armes: l'Histoire du journalisme en temps de guerre, dat ze besloot naar Sarajevo te gaan in een poging haar echtelijke problemen te vergeten. Dirk Draulans beschrijft in zijn boek Welkom in de hel hoe hij op zijn tocht langs de Bosnische frontlinies tijdelijk verlost is van zijn pijnlijke liefdesverdriet voor de Scandinavische Anne Brit.

De Hongaarse fotograaf Endre Friedmann, beter bekend als Robert Capa, verklaarde zijn motivatie om op D-Day met de allereerste Amerikaanse soldaten op het strand van Normandië te landen als volgt: «Ik weet dat de oorlogsfotograaf meer alcohol, meer meisjes, meer geld en meer vrijheid krijgt dan de soldaat. Hij kan zijn plaats in het bloedige spel in elk stadium zelf kiezen, en hij kan een lafaard zijn, zonder daarvoor geëxecuteerd te worden. Dat is zijn kwelling. De oorlogscorrespondent houdt zijn eigen inzet — zijn leven — in zijn eigen handen, en hij kan op verschillende paarden wedden. Ik ben een gokker. Daarom besloot ik in de eerste golf mee te gaan.»

Capa was 23 toen hij in Spanje zijn eerste oorlogsfoto’s maakte en 41 toen hij bij het maken van de laatste de lucht in vloog. Een landmijn bij Thai-Bin, ten zuiden van Hanoi, werd hem fataal. De Hongaar is in zijn eentje voor een groot deel verantwoordelijk voor het stereotiepe beeld van de oorlogsreporter als stoere, tomeloze minnaar van het kwaad. Het fotoagentschap Magnum, dat Capa in 1948 samen met onder anderen Cartier-Bresson oprichtte, en de Robert Capa Golden Medal Award for Outstanding Photography hebben van de oorlogsfotograaf een icoon gemaakt. Een soort patroonheilige van het gilde der beroepsverslaggevers. Capa’s stelregel «Als je foto’s niet goed genoeg zijn, zit je er niet dicht genoeg op» geldt nog altijd als hét credo van de betere reportagefotografie.

Robert Capa kent evenveel imitators als bewonderaars, maar weinig echte verwanten. De Amerikaanse oorlogsfotograaf James Nachtwey (52) is een uitzondering. De Zwitserse cineast Christian Frei maakte in de afgelopen twee jaar een documentaire over Nachtwey: War Photographer. Een monumentaal portret van meer dan anderhalf uur dat eind november zijn première beleefde op het International Documentary Festival in Amsterdam. In levensstijl en temperament verschillen de flegmatieke, tengere Nachtwey en zijn robuuste Hongaarse voorganger als dag en nacht. De Amerikaan drinkt niet, rookt niet, gokt niet, en in plaats van een exuberante rokkenjager heeft hij meer weg van een abstinente en zwijgzame Tibetaanse boeddhist. Ook de foto’s van de twee zijn radicaal verschillend. Capa’s werk is rauw en schimmig. Nachtweys foto’s zijn zo strak gestileerd dat het wel artistieke composities lijken. Toch heeft het fotoagentschap Magnum al vijf keer de Robert Capa Golden Medal toegekend aan Nachtwey, vaker dan aan enig ander. De verwantschap zit in de bereidheid voor een handvol goede foto’s tot het uiterste te gaan.

In de documentaire zie je Nachtwey meerennen met ziekenbroeders die een gewonde wegdragen op een brancard. Je ziet hem foto’s schieten op een begrafenis in Kosovo, waar hij zijn camera in het wanhopige gezicht drukt van een vrouw die haar zoon probeert te begraven. In Indonesië belandde Nachtwey midden in de klopjacht van een woedende meute die belust was op het bloed van vier Ambonezen. Drie van hen werden in mootjes gesneden, de vierde wist zich los te rukken van zijn belagers. Nachtwey rende mee met de doodsbange man en smeekte de mensen het leven van de Ambonees te sparen, maar zijn bede werd genegeerd. Nachtwey ging toen door met fotograferen. Op een van de foto’s is te zien hoe een Indonesiër met een hakmes verbaasd in Nachtweys cameralens staart. Het moet een seconde zijn voor het slachtoffer de keel wordt doorgesneden. Dit is de geschiedenis betrapt, in flagrante delicto. Als kijker begrijp je waarom Nachtwey zoveel prijzen in de wacht sleept. Maar je begrijpt ook iets van de critici die hem verwijten geen oorlogsfotograaf maar een «oorlogspornograaf» te zijn.

Hoe ver moet een reporter gaan in zijn drang om «dichterbij» te komen? De Vietnam-fotograaf Tim Page experimenteerde in Zuid-Vietnam met een minicameraatje dat hij op de loop van een geweer van een GI monteerde, om het moment van de dood te kunnen vastleggen. Deed Page dit om de dood zelf te documenteren, of voor zijn eigen bevrediging? Wil het publiek wel schokkende foto’s zien, en zo ja, móet het publiek dat ook zien? Hoe waar die foto’s ook mogen zijn?

De dilemma’s die in de documentaire aan de orde komen, zijn universeel. Moet een fotograaf foto’s nemen van een slachtpartij, of proberen het leven te redden van degene die voor zijn ogen doodbloedt? Moesten de journalisten van Reuters die eind november in het Afghaanse ford Qala-i-Jangi aanwezig waren, proberen het martelen en executeren van de geboeide gevangenen te voorkomen? Waren ze daartoe in staat?

De meeste journalisten zullen vinden dat het hun taak is om de nieuwsfeiten te verslaan, niet om die feiten naar hun hand te zetten. Zo luidde tenminste het beroemde antwoord van Horst Faas toen hij met een 21mm-lens voor AP vastlegde hoe Bengaalse gewapende lieden vermoedelijke verraders martelden en afmaakten. Faas en zijn collega Michel Laurent wonnen de Pulitzer Prijs. De vermoedelijke verraders stierven.

In Freis documentaire vertelt Des Wright, cameraman voor Reuters in Jakarta, hoe competitief de business van oorlogs verslaggevers is. «Alleen de meest dramatische beelden halen het.» Daarom gaan de meeste professionals bruut te werk. Ze naderen de gruwelen zo dicht mogelijk, maar maken zichzelf wijs dat ze er geen deel aan hebben. «Het is een ziek vak», verzucht Wright. «In action we are definitely not a pretty sight.»

«Het is belangrijk om je te realiseren dat fotografen geen performers zijn», voert Nachtwey ter verdediging aan. «We zijn geen dansers, geen acteurs, geen atleten. Onze fysieke uitstraling is niet van belang. Onze expressie zit in onze foto’s.» En tegen de lieden die hem van pornografie beschuldigen, zegt hij: «Het selecteren van de beelden op hun toonbaarheid is verwerpelijk. We moeten juist degenen die dagelijks een normaal, vredig leven leiden, en zich om kleine dingen zorgen maken, wakker schudden, schokken, en hen confronteren met wat er om hen heen gebeurt. Zij zijn er misschien zelf verantwoordelijk voor. Zij kiezen regeringen, zij betalen belasting.»

Nachtwey staat stil bij een belangrijk punt dat ook door Mort Rosenblum wordt behandeld in zijn boek Who Stole the News? (John Wiley & Sons, Inc. 1993): hoe zorg je dat mensen de nodige aandacht kunnen opbrengen voor de relevante gebeurtenissen, in een maatschappij die steeds meer geobsedeerd is door mode en lifestyle, vermaak en sterrendom? Hoe zorg je ervoor dat mensen de grote internationale onderwerpen, die meestal geen aangename onderwerpen zijn, niet uit de weg gaan, maar dat ze juist «dieper de realiteit in worden getrokken»? Bedrijven spenderen hun geld liever niet aan bladen waar beelden van menselijk lijden een grillige schaduw werpen over de rimpelloze en strakblauwe advertentiewereld van Peter Stuyvesant. Nachtwey: «Ze hebben het gevoel dat onze foto’s afbreuk doen aan de verkoopbaarheid en het imago van hun producten. Toch denk ik dat uitgevers hun publiek onderschatten. Dat mensen willen weten wat er gaande is en bezorgd zijn om wat er elders gebeurt.»

Wat dat betreft heeft de elfde september voor een enorme verandering gezorgd. Niet alleen Time en Stern, maar vrijwel alle bladen en kranten gaven foto’s en foto-essays van Nachtwey en zijn collega’s volledig de ruimte. Het was of de reportagejournalistiek plotseling haar wortels herontdekte en het grote publiek hervond dat ze was kwijtgeraakt in de jaren zeventig. Nachtweys foto’s werden op www.time.com door twee miljoen mensen per dag geraadpleegd. Voor het eerst in de geschiedenis van internet waren er meer mensen die naar nieuwsfoto’s keken dan naar pornografie.

De premisse in de journalistiek van tegenwoordig is dat iets niet gebeurd is als het niet ook op tv is geweest. Maar alleen op de tv vertrouwen voor de nieuwsgaring is als het donker aftasten met behulp van een stroboscoop. Op de buis krijg je flitsen van de werkelijkheid te zien, meer niet. De afgewogen blik vereist een meer precieze aanpak. De beelden op tv brengen een situatie onder de aandacht, maar het beeld dat uiteindelijk blijft hangen is vrijwel altijd afkomstig van een foto; die fixeert de actualiteit tot een tafereel dat zich vastzet in het bewustzijn, en later wellicht het collectieve geheugen. Nachtwey gelooft daarom dat reportagefotografie nog altijd essentieel is voor een volledige nieuwsgaring. «Wij fotografen belichten ook de dode hoeken van de tv-journalistiek. We leggen vast waar de tv-camera’s niet op inzoomen.»

Toch blijft er veel dat aan de aandacht van zelfs de scherpste fotografen kan ontsnappen. «Er is zoveel dat we niet zien», erkent Nachtwey. Srebrenica, de grootste massaslachting in Europa na de Tweede Wereldoorlog, gebeurde in het bijzijn van de voltallige wereldpers die op dat moment in Bosnië al vier jaar lang kwartier hield. De dames en heren fotoreporters stonden er vlakbij, maar niet dichtbij genoeg. En dus leek het in de eerste dagen en weken na de ramp of de tragedie niet had plaatsgevonden. De journalisten geloofden de bloederige verhalen van de vele hysterische vrouwen in de opvangkampen niet. Het bloed dat enkelhoog in de greppels stond, de schuren die tot de nok toe vol lagen met lijken, de burgers die zich uit wanhoop hadden opgehangen voor Mladic ze kwam halen, de duizenden mannen die de bergen in waren gerend en met artillerie en luchtafweergeschut waren beschoten. Toen het er werkelijk op aankwam waren ook de fotoverslaggevers — de ogen van de oorlog — blind.

Met tranen in je ogen kun je niet scherpstellen, zei Philip Jones Griffiths jaren geleden al. Wie in oorlogsgebied zijn emoties de vrije loop zou laten, houdt het niet lang vol, loopt belangrijke momenten mis of brengt zichzelf en anderen in gevaar omdat hij niet snel genoeg handelt. Een klare, koele geest is noodzakelijker dan een kogelvrij vest. Zoals Ernest Hemingway in Across the River and into the Trees zijn Amerikaanse kolonel in Venetië na de Tweede Wereldoorlog laat zeggen: «Het is allemaal zo ontmoedigend als de pest. Maar je wordt in dit vak niet verondersteld een hart te hebben.»

Toch is James Nachtwey bepaald geen fotograaf zonder geweten. In War Photographer mijmert hij uitvoerig over de morele dilemma’s die zijn vak aankleven: verdien ik m'n geld met het leed van andere mensen? Is hun ellende de bron van mijn succes? Ben ik een uitvreter, een bloedzuiger, de vampier met de camera? «Het ergste is het gevoel dat ik als fotograaf profiteer van andermans leed. Dit verwijt blijft door mijn hoofd spoken. Het kwelt me. Want ik weet dat als ik oprecht mede dogen ooit laat overschaduwen door mijn persoonlijke ambitie, ik dan mijn ziel heb verkocht.» Nachtwey is zich te zeer bewust van de neteligheden van zijn vak om de gewetenloze minnaar van het kwaad uit te hangen.

«Je kunt niet zomaar op het water lopen van de honger, ellende en de dood», zei de Engelse oorlogsfotograaf Don McCullin al. In de jaren zestig en zeventig was hij een van de toonaangevende oorlogsfotografen. «Je moet erdoor waden om het vast te leggen.» Verschillende keren liep Nachtwey verwondingen op als gevolg van rondvliegende granaatscherven, bracht hij slopende ziektes mee naar huis, en misschien het meest ingrijpend: voor duurzame relaties of een familieleven is in zijn bestaan nooit ruimte geweest. In Freis documentaire wordt duidelijk dat het werk Nachtwey steeds meer vereenzaamt. «Ik heb het gevoel van thuiskomen verloren. Ik ben soms snel aangebrand als ik sommige mensen om me heen hoor. Hun problemen zijn zo klein vergeleken met de onrechtvaardigheid in de oorlogen, zo pijnloos, zo doelloos. Wanneer je spreekt over de dingen die je gezien hebt, worden hun ogen glazig. En je verliest het contact. Daarom geef ik niet eens meer antwoord op hun vragen.»

Aan het slot van de documentaire wordt duidelijk hoe Nachtwey met zijn werk niet alleen het lot van mensen in oorlog en rampspoed onder de aandacht brengt, maar tevens iets in zichzelf probeert te bezweren. Hoe tover je iets positiefs uit de modder van oorlog, mededogen uit de haat van een gewapende strijd, menselijkheid en eigenwaarde uit mensonwaardige toestanden? «De enige manier waarop ik mijn rol hier kan rechtvaardigen», zegt Nachtwey aan het einde van de documentaire, «is door respect te hebben voor het lot van de anderen. Op zo'n manier dat die anderen mij accepteren. Zodat ik op mijn beurt weer mezelf kan accepteren.»

De vraag of Nachtwey last heeft van doodsangst, wuift hij weg. «Dat is net zoiets als een marathonloper vragen of hij pijn voelt tijdens het lopen. Het gaat erom hoe je met de angst omgaat.» Een gezonde dosis doodsangst hoort bij de morele standaarduitrusting van de oorlogsreporter, samen met zijn notitieboekje en zijn tas met fotorolletjes. Aan onverschrokken helden hebben agentschappen trouwens een broertje dood. Zoals Starbuck zegt in Moby Dick: «I’ll have no man in my boat who is not afraid of the whale.» Oorlogen kunnen voor verslaggevers even dodelijk zijn als voor de soldaten en burgers. Ook dit lijkt een bevestiging voor de stelling dat journalisten geen neutrale waarnemers zijn, maar onderdeel van de gebeurtenissen. «Je beweegt je op hetzelfde podium», geeft Nachtwey toe. «Wij zijn deel van het verhaal, van de oorlog. We kunnen niet doen of we erbuiten staan.»

Sinds 1995 zijn wereldwijd meer dan 770 oorlogsreporters gedood. Het dodental in Afghanistan bedraagt inmiddels bijna tien. Risico’s nemen is onvermijdelijk, maar het enige concrete dat een dode verslaggever zijn agentschap en het thuisfront nog kan bezorgen, is zijn lijk. Veel journalisten krijgen na jarenlang oorlog een dikke laag eelt op hun ziel die maar niet wil slijten. De verstandigen besluiten er een tijdje mee op te houden. De fotoredacteur van Stern (Hans-Hermann Klare) vindt dat zijn oogappel Nachtwey zich in een gevarenzone bevindt omdat hij al zo lang meedraait, en toch maar steeds doorgaat. «De meeste slachtoffers onder journalisten vallen onder de nieuwkomers en onder de rouwdouwers met de meeste ervaring, de ouwe rotten in het vak die menen dat ze bulletproof geworden zijn.»

De vraag is of dat waar is. Van de lange lijst journalisten die recentelijk zijn omgekomen in de brandhaarden van vandaag valt op dat de meesten in de eerste fase van de middelbare leeftijd zaten (tussen de dertig en veertig) en als zeer ervaren bekend stonden. Zeker geen roekeloze groentjes of roestige ouwe rotten. Meestal blijkt blinde pech de oorzaak. Timing is in de hele journalistiek van vitaal belang, maar in de oorlog wordt het vak echt een dans met de schikgodinnen. Een tel uit de pas kan dodelijk aflopen. Zoals ik ooit iemand hoorde zeggen: «Je kunt nog zoveel ervaring hebben, maar een kogel kun je niet terugkoppen.»

Zijn er verhalen of foto’s die het waard zijn om je leven voor te riskeren? Die het waard zijn om voor te sterven? Wat Don McCullin betreft: nee. «Oorlog is een drug», zei hij onlangs in een interview met het Franse dagblad Libération. «Wie van de oorlog terugkeert, komt opnieuw in het alledaagse leven terecht en dat maakt je dood. Maar zo kun je niet lang doorgaan. Je mag niet voortdurend de indruk hebben in een avontuur te leven, ten koste van de ellende van anderen. Wie zegt dat hij oorlog nodig heeft om ‘echt’ te kunnen leven, zegt in feite dat hij het nodig heeft dat anderen voor hem sterven.»

Arnold Karskens, de zeer ervaren, immer soepele smoke jumper van weekblad Nieuwe Revu, verkondigt al jaren dat een gedegen handboek voor oorlogsjournalisten noodzakelijk is. Inmid dels heeft hij er zelf een geschreven, Reizen langs de frontlijn (ook geschikt voor diplomaten en hulpverleners, verschijnt in mei bij Meulenhoff). Zo'n boek kan levens redden, vindt Karskens. Dat mag zo zijn, het trotseren van gevaar is nog steeds een conditio sine qua non voor de goede oorlogsjournalistiek.

De Nederlandse tv-verslaggevers Peter d'Hamecourt en Wouter Kurpershoek vertelden Sonja Barend in het programma B & W over hun ervaringen in Afghanistan en Pakistan. De twee reporters zeiden dat het voor henzelf duidelijk was tot hoe ver je kon gaan in conflictsituaties. De Franse en Engelse collega-journalisten die vermomd of ongezien eerder die maand hadden geprobeerd het Taliban-gebied binnen te geraken en daarbij gevangen waren genomen, waren in hun ogen «roekeloze amateurs» die hun ambacht verwisselden met «soldaatje spelen». Eigen schuld, dikke bult, was de teneur. Vroeg of laat moest hun driestheid worden afgestraft.

Maar hoe zit het dan met de jonge Amerikaanse reporter David Rohde, die voor The Christian Science Monitor in 1995 de gevallen enclave Srebrenica binnendrong, om daar in de bossen met een schop te gaan spitten naar lijken uit de massagraven waarover iedereen speculeerde maar die niemand tot dan toe had gezien? Als patrouilles de jongen gezien zouden hebben, zouden ze hem zeker hebben geëxecuteerd, want de Serviërs waren na de Navo-bombardementen aan de verliezende hand. Het liep goed af. De reporter wist ongehavend door de mijnvelden terug te kruipen en deed vanuit Sarajevo verslag van zijn bevindingen. Enkele maanden later ontving hij de Pulitzer Prijs.

D'Hamecourt en Kurpershoek zouden de Amerikaan, mocht hij zoiets hebben geprobeerd in Afghanistan, zeker rangschikken onder de categorie der amateurs. Feit is dat voor goede oorlogsreportages enige bravoure is vereist. De tijd dat oorlogsjournalisten de vrijheid genieten om te gaan en staan waar ze willen, is sinds Vietnam helaas voorbij. Als een journalist niet altijd afhankelijk wil zijn van voorgekauwd, gecensureerd of tweederangs hearsay-nieuws, zal hij af en toe ongezien over de hekken moeten klimmen en door het stof moeten kruipen. Met amateurisme heeft dat niets te maken. Wel met «the shiver of truth», zoals Nabokov het ooit omschreef. De rilling van de waarheid. En die voel je of die voel je niet.

Hoe arbitrair het oordeel was van de twee Nederlandse verslaggevers bleek overigens al enkele weken na de uitzending, toen Kurpershoek en zijn crew op de weg naar Jalalabad op een haar na slachtoffer werden van een lynchpartij. De voorste wagen van de colonne waar ook de NOS deel van uitmaakte, werd overvallen en vier van de meest ervaren oorlogsjournalisten werden door de Taliban geëxecuteerd. Kurpershoek wist de dans te ontspringen door rechtsomkeert te maken toen de chauffeur van hun voorgangers in paniek de helling af kwam gereden.

Met amateurisme of onbesuisdheid had de dood van die vier journalisten niets te maken. Als Kurpershoek of d'Hame court in de voorste wagen hadden gezeten, was deze Hollandse «professionals» hetzelfde overkomen. In Afghanistan werd op pijnlijke wijze duidelijk dat journalisten in oorlogsgebied, hoe kundig en goed voorbereid ze ook zijn, niet moeten rekenen op de goede wil van soldaten of de bevolking. En al helemaal niet op de voorzienigheid.

Vorig jaar mei werd de 32-jarige Spanjaard Miguel Gil de Moreno, cameraman van Associated Press Television News, in Sierra Leone doodgeschoten door gewapende rebellen van het Revolutionary United Front. Op de laatste tv-beelden van De Moreno is een kapitein in camouflagetenue vastgelegd die uit het heuphoge gras omhoog veert en in het wilde weg zijn machinegeweer leegschiet op de jungle. De vijand is onzichtbaar en het enige wat je hoort, is het fluiten van de kogels die overal vandaan lijken te komen.

In Spanje verscheen eind november De ogen van de oorlog, een boek dat aan De Moreno werd opgedragen. Een van de auteurs, Julio Fuentes (47), verslaggever van El Mundo, zat in de voorste terreinwagen van Kurpershoeks colonne. Hij kwam om toen de bundel van de persen rolde. Samen met drie collega’s werd hij nabij de brug van Tangi Abrishum geëxecuteerd.

Het in memoriam dat Fuentes voor De Moreno en twee andere omgekomen collega’s van APTN had geschreven, zou nu ook in zijn eigen krant geplaatst kunnen worden: «Het waren geen helden, en ook geen soldaten. Van beroemd-zijn kregen ze alleen maar een gore smaak in hun mond. Ze deden het uiteindelijk uit roeping, terwijl ze ver van huis hun leven waagden. Hun gemiddelde nettosalaris oversteeg de 3500 dollar niet. Dankzij dit soort professionals konden miljoenen mensen vanuit hun luie stoel de hel van Bosnië, Kosovo, Sierra Leone of Afghanistan bekijken, de hel waarin zij het leven lieten voor een paar minuten video of een paar regels tekst.»

Onder het robuuste gilde der oorlogsjournalisten vormen de fotografen en cameralieden de harde kern. Zij zijn het piétaille of de hondssoldaten die zich noodzakelijkerwijs in de vuurlinie moeten wringen, terwijl hun schrijvende collega’s zich soms beperken tot het opdissen van sappige verhalen in de hotellobby of met persbriefings in kazernes. Fotografen bevinden zich vaker dan hun schrijvende collega’s in de gevarenzone, maar worden minder betaald. De toewijding waarmee ze hun werk doen, moet daarom extra groot zijn. Ze dienen een maag van ijzer te bezitten en zenuwen van staal. Waar een normaal mens zich voor zou omdraaien en wegrennen, daar rennen zij juist op af: opengereten lichamen, afgerukte ledematen, brandende huizen, met vliegen beplakte hoofdjes van kinderen in hongersnood.

«We moeten getuigen. Dat is het doel van onze aanwezigheid hier», zegt de Franse fotograaf Patrick Chauvel in de documentaire Veillées d'armes. Chauvel verslaat al dertig jaar lang oorlogen. Verslaggevers omschrijft hij als legionairs, en hun taak als een roeping. «We moeten getuigen. Opdat men later nooit zal kunnen zeggen, zoals destijds de Duitsers: we hebben niet geweten wat er gaande was.»