De rimboe begon te janken

Toen Stanley en Livingstone in 1871 in het hart van donker Afrika elkaar de hand schudden, bleek hun ontmoeting het begin van een koloniale veroveringstocht. In Heart of Darkness (1902) omschreef Joseph Conrad, die als jonge zeeman al kennismaakte met het Hollandse en Engelse kolonialisme, de uitbreiding van de westerse levensruimte als een ‘expeditie ter exploratie van Eldorado’.

Nooit is tropenkolder raker beschreven dan in Conrads apocalyptische vertelling, die Kiplings literaire kolonialisme ridiculiseert. Ik las Conrad begin jaren zeventig tijdens mijn studie Engels. Een paar jaar later zag ik Coppola’s Apocalypse Now, met Marlon Brando als Kurtz in Vietnam die Conrads kernwoorden ‘the horror, the horror’ als een hese ademtocht uitstootte. Ik herlas Conrad. Het bleek een tocht over de rand van de rede heen. Zo moest het: dóórvertellen waar anderen een klem op hun kaken kregen. Ik las zinnen als ‘De rimboe begon te janken’ en ‘De wildernis had hem over zijn bol geaaid en ziet, hij was kaal als een bal – een ivoren bal.’ Kurtz, teruggetrokken levend in de jungle, had zichzelf ‘losgeschopt van de aarde’. Conrads novelle gaat over de aantrekkingskracht van het afschuwelijke en afstotende, over ‘volmaakte barbaarsheid’. Zijn verhaal begint waar zoveel andere verhalen ophouden.

Marlow is de verteller van Heart of Darkness. Op een tweemaster in de monding van de Theems zit hij in kleermakerszit, als een boeddha, en doet verslag van zijn zoektocht naar Kurtz, de beste ivoorleverancier en tegelijkertijd afgod voor de ‘inboorlingen’. Wie deze Conrad-novelle leest, wordt meteen een afwijkende blik op de Vooruitgang geboden. Conrads literaire vergezicht laat ‘het vuilnisvat van de vooruitgang’ zien vol ‘dooie mussen der beschaving’. Heart of Darkness lijkt de omkering van het Robinson Crusoe-verhaal, waarin de geïsoleerde mens een poging doet de natuur te temmen. Maar de Kongolese jungle kruipt onder Kurtz’ huid, vloeit in zijn aderen, verteert zijn vlees en voedt zijn dierlijke instinct. En dan slaat de horror toe, jenseits von Gut und Böse.

Het op z’n kop zetten van het al te menselijke vooruitgangsideaal is niet de enige omkering in Heart of Darkness. Engelen groeien uit tot demonen, een administrateur is een Mefistofeles van papier-maché. Verteller Marlow vergelijkt ook het kolonialisme in Afrika met de Romeinse invasie van Engeland twee millennia eerder. Stel je voor, ‘als een stel vreemdsoortige nikkers, gewapend met allerhande doodenge wapens, plotseling de weg tussen Deal en Gravesend zou gaan afreizen en links en rechts boerenkinkels zou oppakken om zware lasten voor hen te dragen, zou denk ik iedere boerderij en ieder arbeidershuisje daar ook gauw genoeg verlaten zijn’.

Xenofobe politici zien in Conrads speelse omkering ongetwijfeld al lang geen denkbeeldige veroveringstocht meer. ‘Wij’, westerse kolonialen, waren daar en dus zijn ‘zij’, de Afrikanen en Aziaten, nu hier in West-Europa. Conrad schreef het op, in 1902, en veegde de vloer aan met ‘wij’ en ‘zij’. Wat literatuur vermag.