De chaos wordt gecreëerd door egoïsten

De ritseling van revolutie

Rassenspanning staat centraal in de Planet of the Apes-films, ook in de nieuwste aflevering waarin de mythe van ‘wij’ tegen ‘hen’ verder vormt krijgt. Een constant motief hierbij is de vraag wat het betekent een mens te zijn.

IN HET MOOISTE BEELD uit Rise of the Planet of the Apes, de nieuwste inschrijving in de immens populaire Planet of the Apes-filmserie uit de jaren zeventig, komt eerst aap noch mens voor, maar zijn slechts groene bladeren zichtbaar die frenetiek naar beneden dwarrelen in een rustige straat in een doorsnee woonwijk in San Francisco. Dan toch een mens, een postbode of in ieder geval iemand die iets aflevert, die verbaasd naar boven kijkt. Opeens wordt duidelijk dat hij bang is, misschien omdat hij aanvoelt dat dit niet hoort in de moderne wereld waarin orde heerst en technologie ervoor zorgt dat de mensen een veilig, vooruitstrevend leven leiden. Nu gedraagt de natuur zich vreemd: een regen van groene bladeren in hartje zomer klopt niet. Al gauw wordt duidelijk dat het membraan van beschaving is doorgeprikt; een oerkracht roert zich in de duistere boomtoppen. De ritseling van bladeren en takken, angstwekkend en dwingend, is het geluid van revolutie.

De kracht van de Apes-films, de vijf gemaakt tussen 1968 en 1973, maar ook de nieuwe aflevering, ligt in de slimme politieke en maatschappelijke boodschappen in het verhaal. De eerste film, over een wereld waarin hoofdzakelijk witte mensen de slaven van een slim apenras zijn, kwam uit slechts drie jaar na de rassenrellen in Watts, Los Angeles, waarin uiteindelijk 34 mensen de dood vonden en meer dan duizend gewond raakten.

Een overeenkomst met toen is dat de recente rellen in Tottenham en andere delen van Londen en Noord-Engeland niet alleen een soortgelijke aanleiding als die in Watts hebben, namelijk de te lang onderdrukte perceptie dat overwegend witte politieagenten het gemunt hebben op zwarte inwoners in verpauperde stadsdelen, ook draait er weer een Planet of the Apes-film in bioscopen in Engeland en over de hele wereld. Dat mag toevallig zijn, het doet weinig af aan het feit dat deze films aantonen dat populaire cultuur een dubbele spiegelfunctie vervult: als reflectie van actuele sociale en politieke vraagstukken en als commentaar op de rol van de mens in de ontwikkeling van de wereld.

Behalve politiek engagement bevat de serie ook een morele visie. Wanneer de Amerikaanse astronaut Taylor (Charlton Heston) in de eerste film op de apenplaneet belandt, die in werkelijkheid de aarde blijkt te zijn, stuit hij op een omgekeerde wereld. Hierin leven mensen als dieren onder het juk van een wreed regime dat bestaat uit tot intelligente wezens geëvolueerde apen die zichzelf als bijzonder beschaafd beschouwen. ‘Ape shall never kill ape’, is bijvoorbeeld een van de basisgeboden in hun religie zoals opgetekend door de Lawgiver, een soort dominee. Maar tegelijkertijd vinden de apen het doodnormaal om jacht te maken op de mens en hem vervolgens als proefdier te gebruiken in wetenschappelijke experimenten. Aap vermoordt geen aap, maar hij roeit graag die witte, haarloze wezens in het bos uit.

Deze satirische verhaalwerkelijkheid geeft de toeschouwer geen enkel houvast. Juist hierin ligt het plezier van het kijken: je eigen moraliteit betekent niets meer. Het is als een nachtmerrie.

HOE HET ZO VER is gekomen vormt de rode draad in een episch verhaal met veranderende tijdlijnen en geschiedenissen. In het kort komt het erop neer dat apen op een gegeven moment als huisdier werden genomen, waarna ze blijkbaar spontaan leerden praten. Doordat ze al gauw 'promoveerden’ tot hulp in de huishouding en daarna tot slaaf pur sang kwam er een opstand geleid door de slimme aap Caesar, nakomeling van Cornelius en Zira, die na een tijdreis op de huidige aarde waren beland.

Op dit moment in de geschiedenis van de serie weet de kijker evenwel al wat de uitkomst van het verhaal is: na een nucleaire oorlog wordt de aarde vrijwel vernietigd. En in de lineair gezien laatste film (chronologisch de tweede film, getiteld Beneath the Planet of the Apes, 1970) wordt de aarde verwoest door een atoombom. De laatste woorden in de film, gevoelloos uitgesproken door een anonieme verteller, zijn illustratief voor de overkoepelende sfeer van pessimisme over het menselijke lot: 'In one of the countless billions of galaxies in the universe, lies a medium-sized star, and one of its satellites, a green and insignificant planet, is now dead.’

Zo vormen de Apes-films een eigen mythologie. Ze stellen een wereld met herkenbare, botsende motieven voor: traditie en moderniteit, wetenschap en cultuur, evolutie en stagnatie, democratie en dictatuur, religie en het seculiere. En vooral: vrijheid en slavernij. In Planet of the Apes as American Myth: Race, Politics and Popular Culture (1996) bestempelen Eric Greene en Richard Slotkin de serie als een linkse allegorie van rassenrelaties. Ze wijzen op een reclameslogan uit 1970 voor Beneath the Planet of the Apes, die luidt: 'Kan een planeet de situatie van half mens en half aap lang verduren?’ Volgens de advertentie is dit de 'ultieme vraag’ waarbij het antwoord 'angstwekkend’ zal zijn. Greene en Slotkin stellen vervolgens dat die vraag een verwijzing is naar een beroemd statement van Abraham Lincoln, namelijk dat 'deze regering niet permanent een staat van half slaaf en half vrij zou kunnen verduren’. Net als Lincoln, zeggen de auteurs, creëren ook de makers van de Apes-films, producent Arthur P. Jacobs voorop, een visie van rassenpolitiek waarbij er slechts één winnaar kan zijn: aap of mens. Het gebrek aan compromis komt door de sfeer van pessimisme in de tijdgeest waarin de films tot stand kwamen. Ze gaven oorspronkelijk vorm aan gevoelens van vervreemding, verlies, schuld en angst ingegeven door dekolonisatie en de zwarte bewustzijnsbeweging. De auteurs citeren Malcolm X, die in 1965 zei dat de 'woede van zwarte mensen een kookpunt had bereikt’ en dat het onvermijdelijk was dat 'ergere rellen zullen plaatsvinden in meer en meer steden’, juist omdat 'het racisme in Amerika te lang werd ondergeschoven’.

In geen van de Apes-films resoneren Watts en de zwarte bewustzijnsbeweging sterker dan in Conquest of the Planet of the Apes (1972), waarvan het nieuwe Rise of the Planet of the Apes in feite een remake is. In Conquest is Caesar, baby van de door de Amerikaanse overheid vermoorde apen en tijdreizigers Cornelius en Zira, zoals verteld in Escape, een radicale leider die de apen, nu slaven, naar de bevrijding leidt.

Conquest is de beste film in de serie, compact geregisseerd door J. Lee Thompson en met een visuele stijl die een Amerika schetst dat is gemaakt van plastic en beton, een futuristische consumptiemaatschappij die burgers tot wrede hedonisten transformeert. Pijnlijk en daardoor onvergetelijk is een scène waarin agenten van de overheid de apen ergens in een ondergrondse inrichting conditioneren om gedwee huishoudelijke taken te verrichten.

Wanneer de revolutie onvermijdelijk volgt, met Caesar als leider van de gewapende 'relschoppers’, is het effect angstwekkend. Alle zekerheden zijn in een klap weg: mensen blijven binnen; restaurants, winkels en woningen worden in puin gelegd; de stad, ooit het baken van de beschaving, wordt tot op de grond afgebrand en de inwoners worden uitgemoord. Apen doden geen apen, maar wel mensen. En heel makkelijk zelfs. De onderdrukten transformeren zich door de revolutie tot de nieuwe onderdrukkers. De cyclus begint opnieuw.

Dat is ook het geval in de nieuwe Conquest-remake Rise. Caesar is nu een intelligente chimpansee dankzij een revolutionair middel, eigendom van een internationale farmaceutische maatschappij. Wanneer Caesar volgroeid is komt hij door zijn relatie met wetenschapper Will Rodman (James Franco) steeds meer in contact met de wereld van de mensen. Het centrale conflict - de onderdrukking van de apen door de mensen - krijgt voornamelijk vorm in de tweede helft van de film. Caesar wordt in een soort dierentuin opgesloten die meer weg heeft van een gevangenis in de stijl van Abu Ghraib, compleet met sadistische beulen die de apen bespotten en met krachtige waterstralen martelen. Eerder in de film is er trouwens nog een referentie aan gevangenschap Abu Ghraib-stijl: Caesar vernederend aan de lijn, als een hond.

Na een proces van bewustwording onder de opgesloten apen die de spil van de revolutie vormt, volgt de ontsnapping uit de gevangenis. Onder leiding van Caesar bestormen de apen de stad, eerst in het geheim door in de bomen te blijven zoals in die angstwekkend mooie scène waarin de bladeren naar beneden vallen door de bewegingen van de woedende dieren in de takken, maar daarna ook in de publieke ruimte, onder meer door de boel kort en klein te slaan in het bedrijf waar het 'wondermiddel’ werd ontwikkeld.

Maar wie vecht precies tegen wie? Hoewel de rassenpolitiek ook in Rise een rol speelt, vernieuwt de film de mythe van 'wij’ tegen 'hen’ door ook te focussen op de clash tussen beschaving en natuur. Een constant motief hierbij is de ontwijkende vraag wat het betekent een mens te zijn. Of in ieder geval een wezen met 'menselijkheid’ in zich. Tijdens de spectaculaire finale waarin de apen op de brug van San Francisco tegen de politie vechten, een van de meest opwindend gefilmde actiescènes in jaren, lijken de apen een grens te passeren. Waar Caesar eerder nog excessief geweld probeerde tegen te houden, ook al ging het toen om de dreiging van conflict tussen de apen zelf, daar gaan zelfs bij hem alle remmen los op de brug. Revolutie is nu geen fluistering meer, maar een essentieel visueel spektakel met krachtige symboliek: de natuur neemt wraak op de technologische samenleving, een corrupte wereld waarin geld en vooruitgang allesoverheersend zijn en het humane slechts iets is wat weggelegd zou kunnen zijn voor een volledig geëmancipeerd wezen - een aap dus. Immers, ape shall not kill ape. Wat is meer menselijk dan deze ene regel?

Door de snijdende ironie kan er weinig hoop zijn. Ook dat is een accurate reflectie van de werkelijkheid, juist gezien de actualiteit. De Britse essayist Theodore Dalrymple speelt op de tijdgeest in door te schrijven dat de onlusten in Engeland symptomatisch zijn 'voor een maatschappij die snel uiteenvalt, voor een volk dat geen leiders en geen volgelingen telt, maar enkel nog egoïsten’.

Caesar mag dan de leiding hebben genomen in zowel Conquest als Rise, aan het einde van beide films heerst onherroepelijk chaos gecreëerd door egoïsten. Weg beschaving. En er blijft maar één geluid over: de stem van Taylor, eenzame, witte astronaut, symbool van de technologische mens verloren in tijd en ruimte, die roept: 'It’s a mad house, a mad house!’

Rise of the Planet of the Apes is te zien vanaf 18 augustus