L’Étang, Ruth Vega Fernandez (met sigaret) en Adèle Haenel © Estelle Hanania

Uitgestelde premières van voorstellingen die bijna af waren, zijn voor theatermakers lastig omdat alles in de laatste werkperiode bij elkaar moet komen. Dat geldt helemaal voor de creaties van Gisèle Vienne. De Frans-Zwitserse regisseur en beeldend kunstenaar heeft naam gemaakt met minutieus vormgegeven producties. Theatrale composities zijn het, waarin het samenspel van licht, muziek, beweging en beeldtransformaties de stemming laat verglijden.

Luister naar De Groene Amsterdammer Holland Festival Podcast

Tijdens het Holland Festival produceert De Groene Amsterdammer een podcast waarin voorstellingen worden uitlicht en makers aan het woord komen. Onze podcast zijn gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts

In Kindertotenlieder domineert traag vallende nepsneeuw een lange sequentie. Repeteer dat maar eens als de theaters gesloten zijn vanwege een lockdown. Toch had de repetitiestop van Vienne’s nieuwste productie L’Étang een positief bijeffect. De aanstichter van de voorstelling vroeg de twee actrices die de voorstelling dragen om bij haar thuis te komen oefenen. Zo was er ineens extra tijd om aan hun rollen te werken. Dat kwam vast goed van pas, want wat de spelers doen is een waar kunststuk. Met z’n tweeën brengen ze tien personages tot leven. Niet met verkleedpartijen of typerende loopjes en gebaren. De figuren uit het familiedrama van Robert Walser worden opgeroepen in de gestaltes van Adèle Haenel en Ruth Vega Fernandez, via veranderingen in gezichtsuitdrukking, oogopslag en stemgebruik. Nou hebben ook in Nederland theatermakers een tijdje hun toevlucht gezocht in minimaal bezette producties, maar bij L’Étang heeft het beperkte aantal spelers niks met corona te maken. Zo had Vienne de voorstelling al voor ogen toen ze er in 2016 aan begon.

Het Holland Festival heeft Gisèle Vienne dit jaar uitgeroepen tot associate artist. Naast het grootbezette Kindertotenlieder, dat haar gezelschap al sinds 2007 opvoert, en het splinternieuwe L’Étang presenteert Vienne op uitnodiging van het festival ook een eenmalig spektakel. Short Circuit is aangekondigd als een caleidoscopische ‘verkenning van uitersten in geluid, snelheid en beleving’. Samengesteld door Vienne en componist Ryuichi Sakamoto, de andere associate artist van deze festivaleditie. Met muziek en audiovisuele presentaties van hun heftigste lievelingbands, hallucinerende dans en sensitieve geluidskunst.

Met de keuze voor Gisèle Vienne als hoofdgast getuigt het Holland Festival van lef. Haar werk is niet bepaald makkelijk. Een traditioneel potje toneelspelen is er niet bij. Vienne houdt ervan het tijdsbesef van het publiek op te rekken. Ze zet haar acteurs regelmatig vast in verstilde tableaus of in minimale bewegingen. Schemering kan het toneelbeeld overheersen zodat de spelers hallucinante figuren worden. In Crowd, het geweldige dansstuk dat in 2018 het Holland Festival opluisterde, leek het eindeloos te duren voor alle vijftien jongeren zich manifesteerden vanuit de donkerte die de speelvloer omringde. Vienne’s interpretatie van een spontaan, jaren-tachtig rave-feestje werd non-stop begeleid door lekker harde elektronische muziek van het duo ktl (Stephen O’Malley en Peter Rehberg) die ook L’Étang en Kindertotenlieder voorzagen van een soundscape vol vervormde grunge-beats.

En hoewel Vienne in interviews aangenaam vriendelijk overkomt, en – nu halverwege de veertig – nog altijd meisjesachtig verlegen kan lachen als ze over haar werk spreekt, exploreert ze in haar werk steevast de duisternis van het menselijk bestaan. Dat is ook de functie van kunst, is haar krachtige overtuiging. Ze maakt wat ze zélf zoekt in films, boeken, theater of beeldende kunst: creaties die verontrusten en die je in de uithoeken brengen van je eigen geest.

Vienne ziet theater als een van de rituele plekken waar een samenleving in moet voorzien om er onze diepste en verborgen fantasieën uit te kunnen leven. ‘Ik voel me beter als ik gewelddadige kunstwerken zie of lees’, zei ze naar aanleiding van haar voorstelling Jerk uit 2008, een gefictionaliseerde biografie van een bestaande Amerikaanse seriemoordenaar uit de jaren zeventig. ‘Dan kan ik het hebben over mijn obscure gedachten, en voel ik me niet de enige met een duistere kant. En ik denk dat iedereen die heeft.’ Kunst die deze donkerte adresseert acht Vienne gezonder voor ons algehele welzijn dan avonden voor de televisie hangen, omdat die alle beleving vervlakt. ‘Als ik tv-kijk, voel ik me weggevaagd. Alsof alle diepte van mijn wezen is verdwenen. Het maakt dat ik me zo plat voel dat ik uit het raam wil springen.’

Kunstenaars die een alternatief willen bieden op het bestaande, moeten volgens Vienne hun ‘kwade gedachten’ koesteren en daarin subversief durven zijn. De vraag waar ieder geciviliseerd mens voor staat is: hoe om te gaan met gewelddadige impulsen en met ‘onbeschaafde’ gedachten die niet naar buiten mogen komen. Kunst kan ruimte bieden voor de expressie daarvan, zonder dat anderen daar schade van ondervinden. Vienne’s werk bevindt zich op de grens tussen fantasie en werkelijkheid, die in de verbeelding overschreden kan worden. Ze wil het verschil voelbaar maken tussen het hebben van duistere verlangens en het uitleven daarvan. ‘Ik wil mijn luidruchtige buurman ook weleens ombrengen, maar ben dat dan meteen weer vergeten.’

In L’Étang betreft die uitgeleefde fantasie de wanhoopsdaad van een tiener. De jeugdige hoofdpersoon van het korte drama Der Teich (De vijver) dat de Zwitserse auteur Robert Walser begin 1900 schreef, voelt zich onvoldoende geliefd door zijn moeder. Om haar liefde te testen ensceneert Fritz een zelfmoord, om uit te vinden of zijn afstandelijke moeder geschokt zal zijn als ze bericht krijgt over zijn verdrinkingsdood. ‘Huilen zal ze, en daar verheug ik me op’, fantaseert Fritz hardop.

Kunst biedt ruimte, meent Vienne, om met ‘onbeschaafde’ gedachten om te gaan

In Kindertotenlieder komen puberjongeren bij elkaar voor een doodsritueel in de vorm van een ‘black metal’-concert. Een van hen kijkt naar zijn eigen begrafenis. De vriend die meekijkt is zijn moordenaar. In de tekst van de Amerikaanse schrijver Dennis Cooper zegt deze Jonathan tegen de dode vriend dat hem vermoorden zijn ultieme seksfantasie over hem was. De uitvoering van dit verlangen noemt hij een geschenk aan het slachtoffer, waar niet alleen hij, maar ook onze Schepper een stijve van krijgt: ‘The idea of raping and killing you just triggered off its million billionth hard on, but this one is God’s. That’s my gift to you.’

Dat Vienne zo vaak prepubers en jongeren centraal stelt in haar voorstellingen en in haar beeldende werk, heeft te maken met hun nog ongepolijste verzet tegen het korset van de volwassen samenleving. De hormonen die door hun lichamen gieren zijn volgens Vienne niet de voornaamste oorzaak van hun woeste binnenwereld en hun onaangepaste gedrag. Pubers worstelen met het vinden van hun eigen identiteit, op een leeftijd dat ze geen filter hebben voor alle prikkels van buiten. ‘Het echte probleem’, schrijft Vienne in een essay voor de bundel Why Theatre van theatermaker Milo Rau, ‘is de externe maatschappelijke druk die binnendringt in je intieme ruimte.’ Jonge mensen zijn voor haar het ideale voertuig om de maatschappelijke regels en conventies ter discussie te stellen.

Bijzonder aan al haar voorstellingen is de grote hoeveelheid binnenwereld die Vienne weet op te roepen. Je weet als kijker niet goed wat het onderscheid is tussen droom en daad, tussen reële gebeurtenissen en geestesspinsels. Het stemgebruik van haar acteurs is daarin essentieel. Uitgesproken woorden klinken als innerlijke gedachten die aan niemand in het bijzonder zijn gericht. De techniek die Vienne inzet om dit effect te krijgen, is het ontkoppelen van de stem en het lichaam van de spreker. Bewegingen, soms dansant en soms aaneengeregen poses, illustreren nooit wat er gezegd wordt, terwijl het stemgeluid een wereld van diepgevoelde emoties overdraagt. Doordat de inhoud van de tekst nooit helemaal wordt uitgebeeld, schept Gisèle Vienne ruimte voor de notie dat alles op het toneel een bedenksel is van de schrijver.

Zowel Walser als Cooper gebruikte hun schrijfsels om er verborgen en verboden verlangens in uit te drukken. De dramolette over de wanhoopsdaad van Fritz die Robert Walser waarschijnlijk op zijn 24ste schreef, was bedoeld als een intieme bekentenis voor zijn geliefde jongere zusje Fanny. Pas in 1966, tien jaar na zijn dood, bracht Fanny het schriftje met vijftien handgeschreven pagina’s in de openbaarheid. Uit de biografie van Walser, de een-na-jongste van acht kinderen, is bekend dat zijn moeder stierf toen hij zestien was. De laatste tien jaar van haar leven was ze zwaar depressief en onbenaderbaar, en de jonge Robert moet hevig hebben terugverlangd naar de warmte die zijn moeder in zijn kindertijd wél kon geven. Intrigerend is dat L’Étang door Walser als een privé-document is vervaardigd, in de vorm echt een toneelstuk, geschreven in acht scènes met heuse personages op aangegeven locaties. Alsof hij zijn gevoelsleven alleen kon uiten door het te ensceneren. Vienne las de tekst als een ‘monoloog in tien stemmen, een overweldigend innerlijk experiment’.

Dennis Cooper, die sinds Kindertotenlieder voor bijna alle producties van Vienne de teksten schrijft, verwerkte in deze voorstelling de vroege dood van een schoolgenoot, een mooie, vreemd passieve jongen over wie hij op zijn vijftiende fantaseerde. Alleen de titel verwijst naar Gustav Mahlers beroemde liederencyclus op basis van de rouwgedichten die de Duitse dichter Friedrich Rückert schreef voor zijn twee jonggestorven kinderen. De voorstellingstekst komt uit de vijfdelige romanserie ‘George Miles Cycle’ van Cooper. Die hoorde over de dood van zijn vroegere object van verlangen toen hij zelf als twintiger uitbundig experimenteerde met verdovende middelen, en de drugsroes vol seks- en geweldsfantasieën vervormt het dichterlijke, William Burroughs-achtige proza van zijn romanserie. De moord van Jonathan op zijn vriend wordt in de voorstelling steeds opnieuw verbeeld, alsof de gebeurtenis in een loop is geraakt. Een vrouwelijk personage raast over het toneel als de geest van de dode.

Kindertotenlieder © Mathilde Darel

Het opvallendste voorstellingselement dat Gisèle Vienne gebruikt om de grens tussen binnen- en buitenwereld te laten vervagen, zijn poppen. Zowel bij L’Étang als bij Kindertotenlieder is het toneel bevolkt met levensgrote mannequins. Ze zien eruit als jongeren, uniform gekleed in hoodies, afzakbroeken en sneakers. Vooral hun puberale gestalte is raak getroffen: ineengedoken, gezichten half verborgen onder capuchons, verzonken in zichzelf en toch omineus aanwezig. Ze lijken betrokken in de taferelen, als toehoorder en getuige. In de besneeuwde schemertaferelen van Kindertotenlieder is het bij vlagen moeilijk om de acteurs te onderscheiden van hun levenloze evenbeelden.

Sommige poppen zijn met ingebouwde mechanismes in staat tot minimale bewegingen. Omgekeerd zijn de acteurs zo verstild en hun bewegingen zo mechanisch dat het wel menselijke robots lijken. Als in een plotselinge uitbarsting van geweld een pop omver wordt geschopt, kan het publiek door zinsbegoocheling denken dat er een persoon wordt mishandeld. Het helwitte decor van L’Étang maakt duidelijk onderscheid tussen mens en pop. Maar de vele stemmen die de twee actrices vertolken, lijken zich te verspreiden over de levenloze toehoorders. Alsof zij de belichaming zijn van de personages die we horen spreken, en de spelers ook hún gedachten verwoorden.

De poppen zijn door de regisseur zelf vervaardigd, als onderdeel van een beeldende-kunstproject. Ze figureren ook in haar fotoseries die momenteel worden tentoongesteld in prestigieuze internationale galeries en musea.

Het is bij vlagen moeilijk om de acteurs te onderscheiden van hun levenloze evenbeelden

Als kind raakte Vienne al gefascineerd door de poppensculpturen van Hans Bellmer die haar moeder, een beeldend kunstenaar, haar liet zien. Ze begon op de lagere school poppen te maken en te bespelen. Haar eigen handschrift als theatermaker kreeg pas vorm toen ze zich na een muziekopleiding en een studie filosofie aanmeldde bij de ‘École nationale supérieure des arts de la marionnette’ (esnam), een professioneel instituut in Charleville-Mézières dat gespecialiseerd is in dekunst van het poppenspel. Daar vond Vienne studiegenoten met wie ze haar eigen gezelschap oprichtte, en die nog steeds haar vaste medewerkers zijn: Etienne Bideau-Rey en Jonathan Capdevielle.

Op internet is een fragment te zien van hun gezamenlijke afstudeervoorstelling Splendid’s, een enscenering van Jean Genets overgeleverde gangsterdrama. Spectaculair is hier de figurenverdubbeling: de manshoge gemanipuleerde poppen die erin optreden zien er precies zo uit als hun gemaskerde bespelers. Ze dragen identieke kostuums en zijn met dezelfde grove trekken gegrimeerd. De poppen en de bespelers vertolken allemaal verschillende personages, maar in aanzien lijken het afsplitsingen van één individu.

Vienne wendde zich tot het poppenspel omdat ze zich na haar cerebrale filosofiestudie wilde verdiepen in de menselijke emoties en de wisselwerking tussen lichaam en geest. Ze raakte gepassioneerd van de veelheid aan technieken die ze op de esnam kreeg onderwezen, over de rituele kracht van het poppenspel en de geschiedenis ervan die tot de oudheid teruggaat.

‘Het woord voor pop is in het Frans marionette, vertelde ze in een interview met de New Yorkse TimeOut toen ze in 2014 met Kindertotenlieder in Amerika toerde. Die term komt van Marie, de Franse naam voor Maria; een van de vroegste poppen waren representaties van de Heilige Maagd. ‘Deze herkomst van de marionet is langzamerhand vermengd met de populaire cultuur. Poppen die ooit onderdeel waren van spirituele en religieuze gebeurtenissen, werden gedegradeerd tot entertainment, als onderdeel van de vermaak-industrie. Deze geschiedenis van het poppenspel beslaat alle terreinen en functies van het spektakel die mij interesseren.’

Holland Festival

De 74ste editie van het Holland Festival vindt plaats van 3 t/m 27 juni in en om Amsterdam. Voor tickets en informatie zie hollandfestival.nl

Inmiddels heeft Gisèle Vienne in haar werk de toevoeging van poppen van belang gemaakt. Etalagepoppen in theater over de seksualisering van vrouwen. Handpoppen in de solovoorstelling over de Amerikaanse seriemoordenaar waarin Jonathan Capdevielle met knuffelberen en kindfiguren op zijn schoot diens geweldsmisdrijven verbeeldt. Menselijke gestalten in een geluidsinstallatie in een bos waar de toeschouwers langs dwalen. En wat Vienne ook bijzonder interesseert is de kunst van het buikspreken.

In 2015 baseerde ze haar bizarre voorstelling The Ventriloquists Convention op de jaarlijkse buikspekersconventie in Kentucky die ze samen met Etienne Bideau-Rey bezocht. Een keur aan getrainde buiksprekers doet hieraan mee, met een wijde variatie aan poppen: mini-kopieën van hun bespelers, kinderen, karaktervolle dieren of schetsmatige figuren als een eenvoudig hoofdkussen met ogen en een mond. De bespelers laten hun poppen virtuoos praten, en uitbarsten in Muppet Show-achtige songs waarbij we de mensen die hen tot leven brengen vergeten.

Maar de focus van Vienne ligt bij de emotionele relatie tussen mens en pop. Bespelers vallen in slaap terwijl hun poppen rusteloos doorleven of ze klampen zich in een intiem verlangen naar contact aan hun poppen vast. Ze laten hun poppen dramatisch in hun handen sterven of vermoorden hen demonstratief, waarna de eenzaamheid van de achtergebleven schepper voelbaar is. Zo ensceneert Vienne hoe de pop een belangrijke menselijke eigenschap overdraagt: het vermogen om empathie te hebben met een levenloos object waarin we iets van onszelf kunnen herkennen.

Van buikspreken is het een kleine stap naar het verzonken tekstgebruik van Vienne’s acteurs. De actrice met wie ze in 2016 L’Étang opstartte voordat de tweede speelster werd gevonden, was een getrainde buikspreekster die meedeed aan The Ventriloquists Convention. Zij overleed op jonge leeftijd, waarna Ruth Vega Fernandez haar rol overnam. En hoewel de twee vrouwen op het toneel hun lippen bewegen, is het alsof de stemmen van hun personages niet uit hen afkomstig zijn, maar uit het collectieve onderbewuste dat Gisèle Vienne in haar voorstellingen aanspreekt. Wat zij en haar medewerkers laten klinken zijn de stemmen uit de buik van de menselijke wereld.

L’Étang is 5 t/m 8 juni te zien op het Holland Festival, Kindertotenlieder op 17 en 18 juni. Short Circuit is twee keer te zien op 12 juni.