De rockers van teheran twintig jaar iraanse revolutie

ALS DEZER DAGEN tijdens een rockconcert in Teheran de jeugd massaal uit zijn dak gaat, zal dat een belangrijk politiek en cultureel keerpunt in Iran zijn. Meer dan de helft van de 64 miljoen inwoners is jonger dan 24 en de stemgerechtigde leeftijd is vijftien jaar.

Het zijn de jongeren die begin vorig jaar de verlichte president Mohammed Khatami met een overweldigende meerderheid van stemmen aan de macht brachten. En het zijn de jongeren die zijn hervormingen zullen veiligstellen als de clericale die-hards proberen een nieuwe greep naar de macht te doen. Hun favoriete martelaar is niet Ali, de gesneuvelde schoonzoon van Mohammed en grondlegger van de shi'itische richting in de islam. Het is Leonardo DiCaprio, grondlegger van de Titanic-cultus te Hollywood. Dat mag vreemd lijken voor een land dat tot voor kort de Verenigde Staten als ‘grote Satan’ verketterde, maar het anti-Amerikanisme zit kennelijk niet diep. Het is zelfs nauwelijks meer bruikbaar voor propagandadoeleinden. Bij de laatste 'massademonstratie’ voor de voormalige Amerikaanse ambassade in Teheran kwamen maar een paar honderd mensen opdagen. De opkomst was tekenend voor het verval van de revolutionaire shi'itische islam in de hele regio, een beweging die tegelijk met Khomeini opkwam en zijn inspiratie vrijwel geheel ontleende aan diens revolutie. DE IRAANSE revolutie is zo goed als uitgeraasd, meent de Israelische politicoloog en terrorisme-deskundige Ehoed Sprinzak. Hetzelfde geldt volgens hem voor de Hezbolla, de Libanese 'Partij van God’ die algemeen als een vooruitgeschoven post van Teheran in de strijd tegen Israel wordt beschouwd. Bijna alle Israelische veiligheidsexperts onderschrijven tegenwoordig dit gezichtspunt, schreef Sprinzak onlangs in het dagblad Ha'aretz: 'Geen enkele Iraanse beleidsmaker denkt nog dat de revolutie kan worden geëxporteerd. Het plan voor een heilige oorlog, waarbij terreuracties van de Hezbolla de geesten rijp moeten maken voor een nucleaire aanval op Israel, bestaat alleen nog in de verbeelding van de Israeliërs. De Hezbolla is volop bezig te integreren in het parlementaire stelsel van Libanon. Teheran verzet zich daar niet tegen, omdat Iran zelf een proces van normalisatie doormaakt.’ Als om Sprinzaks woorden te onderstrepen, vertelde een teleurgestelde Hezbolla-aanhanger op hetzelfde moment zijn lotgevallen aan het in Londen uitgegeven Arabische blad al-Hayat. Zijn relaas illustreert beter dan menige analyse waarom zoveel Iraanse en Arabische jongeren in 1979 werden gegrepen door het charisma van Khomeini en waarom ze er nu van terugkomen. De kern was zijn problematische verhouding tot het Westen: 'Mijn khomeinisme was het laatste symptoom van een koorts die me al vanaf mijn vroegste jeugd in zijn greep hield en me deed uitzien naar alle vormen van extremisme en radicalisme’, vertelde hij. 'Na het nationalisme en het marxisme dachten we in het khomeinisme eindelijk de eenheid van theorie en praktijk te hebben gevonden. Het stelde ons in staat de afstand tussen de gebeurtenissen en hun interpretatie te overbruggen. Toen de revolutionairen de Amerikaanse ambassade binnenvielen en het personeel gijzelden, riepen wij de volgende ochtend dat dát voortaan onze opvatting van diplomatie was. Van alle andere, door het Westen uitgevonden en aan ons opgelegde opvattingen waren we verlost door de revolutie van Khomeini.’ De anti-westerse retoriek sprak hem vooral aan omdat hij 'drie jaar in Engeland had gestudeerd en aan die periode een diepe rancune tegen het Westen had overgehouden, hetzelfde Westen dat door Khomeini zo magnifiek werd beledigd’. Als volgeling van de ayatolla wist hij zich bevrijd van een vreemde cultuur die hem als superieur was aangeprezen en opgelegd, maar die toch nooit de zijne kon worden. De westerse moderniteit werd als het ware het negatief voor al zijn gedachten: 'We analyseerden sneller dan onze schaduw, we oordeelden met de grootste zelfverzekerdheid. Onze mening werd niet ingegeven door de heilige geschriften, maar door onze afkeer van het Westen. Om de esthetiek als voorbeeld te nemen: wie had eigenlijk afgekondigd dat slankheid verleidelijker was dan volslanke vormen? Wie had eigenlijk afgekondigd dat beleefdheid beter was dan grofheid?’ Hij onderging de shi'itische revolutie als een 'menselijke oceaan’, had het gevoel temidden van die grote marcherende massa een 'atoom’ te zijn, gelijkvormig aan anderen, 'zodat alle verschillen waren uitgewist’. Tenslotte moest hij aanvaarden dat oorlogen niet alleen mensen maar ook ideologieën opslokken. Tijdens de Libanese burgeroorlog 'gingen ze allemaal in rook op’, zegt hij. Hij las Hannah Arendts On Revolution, waarin zij schrijft dat elke revolutie een onbeperkte reactionaire kracht in zich bergt. Was het khomeinisme daar niet bij uitstek een voorbeeld van? Had hij in zijn bekrompenheid niet iedereen afgewezen die iets van een eigen identiteit wilde bewaren? Het eindigde ermee dat hij zich een verrader voelde. Hij had verraad gepleegd aan de politieke en culturele veelzijdigheid die altijd zo kenmerkend was geweest voor Libanon, het land waarvan hij zielsveel hield en dat hij juist door de khomeinistische revolutie van de ondergang had willen redden. DE MEESTE jongeren in Iran lezen Hannah Arendt niet. Zij moeten het doen met Leonardo DiCaprio, wiens afbeelding je in elke Iraanse kiosk aanstaart. De betekenis is in wezen dezelfde, alleen heeft de nieuwe generatie geen trauma overgehouden aan een onvrijwillige kennismaking met het Westen. Integendeel, de voortdurende officiële verkettering van alles wat westers was, vestigde juist de aandacht van jongeren op hetgeen ze moesten missen, op het gedeelte van hun identiteit dat in opdracht van hogerhand moest worden ontkend. De openheid die Khatami hun in het vooruitzicht stelde, kan dat gemis ten langen leste opheffen. Maar de jeugd is niet de enige 'post-revolutionaire’ factor. De relatief zelfstandige positie van westerse vrouwen is een aanlokkelijk voorbeeld geworden voor Iraanse vrouwen. Hun emancipatie is dankzij de revolutie met rasse schreden vooruitgegaan in vergelijking met het tijdperk van de sjah, vooral op het gebied van het onderwijs, en de tijd is nu aangebroken om er gebruik van te maken, desnoods tegen de wil van de clericale minderheid in. Wat dat betreft heeft de revolutie zijn eigen tegenkrachten opgeroepen. Sinds Khatami’s overwinning is deze dynamiek in een stroomversnelling geraakt. Tijdens zijn verkiezingcampagne moest hij voortdurend lippendienst bewijzen aan de meerderheid van conservatieven in het parlement en de diverse clericale raden van toezicht onder leiding van geestelijk leider Ali Khamenei. Gesterkt door zijn stembuszege en het warme onthaal van zijn eerste hervormingen, onder meer op het gebied van de persvrijheid, begint Khatami nu ook onvervalst democratische taal uit te slaan. Zijn redevoeringen op internationale fora en zijn interviews op CNN zijn al opmerkelijk, maar zijn toespraken voor binnenlands gebruik zijn spectaculair. Begin december loofde hij op een bijeenkomst van de Organisatie van Islamitische Landen in Teheran het begrip civil society, waarbij hij zijn gehoor voorhield dat er geen tegenstelling hoeft te bestaan tussen de westerse en islamitische opvatting hiervan: 'We moeten steeds bedacht zijn op het overnemen van de positieve verworvenheden van de westerse samenleving. De civil society die ons voor ogen staat draait weliswaar om de islamitische denkwijze en cultuur, maar daarin is geen plaats voor de dictatuur van een persoon of groep en ook niet voor de dictatuur van de meerderheid en de uitschakeling van de minderheid.’ Een jaar geleden had zo'n uitspraak hem de kop kunnen kosten en die mogelijkheid is nog steeds niet uitgesloten. De clericale conservatieven nemen hun toevlucht tot steeds meer geweld om het tij te keren. De recente moorden op vooruitstrevende intellectuelen zijn echter vooral een bewijs voor hun radeloosheid. ONDER AUSPICIEN van Khamenei controleren de conservatieve krachten het hele veiligheidsapparaat (leger, politie, justitie en veiligheidsdiensten) en toch worden ze ter verantwoording geroepen door de pers en de publieke opinie. Na de moorden op de nationalistische politicus Forouhar en zijn vrouw en de schrijvers Makhtari en Pouyandeh, eind vorig jaar, maakte de pers zo'n misbaar dat de veiligheidsdiensten gedwongen waren de verantwoordelijken in hun eigen gelederen te arresteren. Deze diensten weten als geen andere instantie wat het gevolg kan zijn als ze de publieke opinie negeren. Iran heeft een lange traditie van uiterst gedisciplineerde massabewegingen die het politieke landschap in korte tijd drastisch kunnen veranderen. De grootste verdienste van Khatami is misschien wel dat hij er het afgelopen jaar in is geslaagd om de kwestie-Rushdie te ontzenuwen en de diplomatieke patstelling tussen zijn land en de Europese Unie te doorbreken. Inmiddels is hij on speaking terms met de Britse minister van Buitenlandse zaken Robin Cook. Een volledige normalisering van de betrekkingen met de Europese Unie kan niet lang op zich laten wachten, temeer omdat men in Europa wel inziet dat Khatami’s hervormingen daarbij gebaat zijn. SINDS ENIGE TIJD klinkt in Washington hetzelfde geluid, al dringt het niet door tot het grote publiek. Het eerste wat de meeste Amerikanen bij het woord 'Iran’ te binnen schiet is nog steeds het trauma van 1979-80, toen Iraanse 'studenten’ gedurende 444 dagen het personeel van de Amerikaanse ambassade in Teheran gijzelden. Maar twee jaar geleden schreven drie voormalige buitenlandfunctionarissen - Zbigniew Brzezinski, Brent Scowcroft en Richard Murphy - al in het toonaangevende buitenlandtijdschrijft Foreign Affairs dat het tijd werd om de banden weer aan te halen. Onlangs voegde zich in dat groeiende koor ook Cyrus Vance, tijdens de gijzeling minister van Buitenlandse Zaken en tegenwoordig erevoorzitter van het Amerikaans-Iraans Beraad. In een toespraak zei hij dat het herstel van de betrekkingen noodzakelijk was om met Iran te kunnen praten over dringende punten op de Amerikaanse agenda, zoals proliferatie, en bestrijding van het internationaal terrorisme en de drugshandel. Verder staat de Amerikaanse olie-industrie natuurlijk te trappelen om lucratieve contracten in de wacht te slepen, maar dan moeten de VS eerst hun eenzijdig afgekondigde economische sancties opheffen. Na de verkiezing van Khatami maakte Bill Clinton een eerste gebaar in die richting: de oliemaatschappijen Total (Frankrijk), Gazprom (Rusland) en Petronas (Maleisië) werden niet vervolgd hoewel ze een groot contract voor de ontwikkeling van een Iraans gasveld hadden afgesloten. Een wet uit 1996, de Iran-Libya Sanctions Act, geeft de president het recht om sancties op te leggen aan elke bedrijf (ongeacht nationaliteit) dat voor meer dan twintig miljoen dollar in de Iraanse of de Libische energiesector investeert. Het is echter de vraag of de Verenigde Staten blij moeten zijn met een voortgaande democratisering van Iran, en wel om twee redenen. Ten eerste zal het 'nieuwe’ Iran in veel opzichten dezelfde belangen nastreven als het 'oude’ Iran, maar nu met veel meer armslag omdat het zijn isolement heeft doorbroken. De eerste waarschuwing in deze zin werd gegeven door de directeur van de Midden-Oostenafdeling van het Center for Strategic and International Studies (CSIS), Anthony Cordesman, wiens rapporten en memoranda in Washington gezaghebbend zijn. In een hoorzitting in het Congres zei Cordesman vorig jaar dat een 'gematigde’ regering ook onder het gunstigste gesternte nooit akkoord zal gaan met de overheersende rol van de VS in de Golf: 'Iran heeft andere strategische belangen dan de VS en zijn huidige vijandigheid kan niet worden afgedaan als revolutionaire retoriek, propaganda voor binnenlands gebruik of paranoia. Iran heeft goede historische redenen om op zijn hoede te zijn voor zijn buren en voor buitenlandse interventie.’ Cordesman verwees naar de Amerikaanse steun aan achtereenvolgens het bewind van de sjah, aan Saddam Hoessein tijdens de achtjarige Golfoorlog, en aan diverse buurlanden waarmee Iran op niet al te beste voet verkeert, zoals Saoedi-Arabië, Afghanistan, Turkije en Pakistan: 'Iran zal ook niet gauw vergeten dat de VS hebben geprobeerd het land langdurig en in alle opzichten te isoleren’, aldus Cordesman. In de naaste toekomst zal het - ongeacht de aard van zijn regering - proberen zijn regionale macht uit te breiden, meent Cordesman. Hij noemde een aantal Iraanse prioriteiten waarvan de Verenigde Staten allerminst verrukt zullen zijn. Iran zal trachten zijn invloed in de kleinere Golfstaten en in de Indische Oceaan te doen gelden, onder meer door gebruik te maken van zijn niet onaanzienlijke marine. Het zal zijn invloed vergroten rond de Kaspische Zee, in Afghanistan, Centraal-Azië en Irak, en daarbij vaker in conflict komen met de Amerikaanse bondgenoten Turkije en Pakistan. Het zal trachten Rusland en andere kernwapenlanden (China) te gebruiken als tegenwicht tegen de VS en de Amerikaanse bondgenoten in de Golf. 'OM KORT TE GAAN’, besloot Cordesman, 'zelfs als de “gematigden” de volledige zeggenschap krijgen over de nationale veiligheidsmachinerie, dan nog kunnen we niet verwachten dat Iran het met de VS eens wordt, de rivaliteit met zijn buren beëindigt en alle militaire inspanningen opschort die ons niet bevallen, waaronder de proliferatie van massavernietigingswapens.’ Het aardige is dat Cordesman, die bekend staat als een ijverige maar fantasieloze knutselaar met spread sheets en staafdiagrammen, zo verstrikt zat in de Amerikaanse veiligheidsterminologie dat hij een tweede, minstens zo belangrijk perspectief over het hoofd zag. Met het woord 'gematigd’ (moderate) worden doorgaans landen aangeduid die hun lot aan de Verenigde Staten hebben verbonden. Dat betekent echter niet dat die landen gematigde regimes zouden hebben, integendeel. Saoedi-Arabië heeft van alle Golflanden met afstand het meest repressieve islamitische regime. En Koeweit heeft weliswaar na afloop van de Golfoorlog van 1990-91 korte tijd een speelgoedparlementje gehad, zodat George Bush kon laten zien dat hij het staatje niet voor niets 'bevrijd’ had, maar verder maakt de familie al-Jaber al-Sabah daar de dienst uit. VERGELEKEN BIJ deze westerse bondgenoten vertegenwoordigt het nieuwe Iran met zijn ontluikende openheid, modern onderwijs en beperkte maar effectieve vrouwenemancipatie welhaast een hogere trap van beschaving. En een goed voorbeeld doet goed volgen. Stel dat Iran zich ontwikkelt tot een 'islamitische’ democratie waar klassieke vrijheidsrechten worden gerespecteerd, waar etnische minderheden geleidelijk worden geïntegreerd en waar de opbrengst van de olie aan de gehele bevolking ten goede komt. En stel dat Iran conform de CIA-ramingen binnen een jaar of twee over een eigen kernwapen beschikt. Dan zou het de propagandawaarde van de shi'itische islam, die altijd een belangrijke component van sociale rechtvaardigheid heeft gehad, des te effectiever kunnen inzetten om de quasi-middeleeuwse Golfregimes en hun Amerikaanse beschermheer te ondergraven. Met de bloeddorstige, theocratische islam van Khomeini wisten de Verenigde Staten wel raad. Maar aan een democratische islam, ondersteund door kernwapens, zullen ze pas echt hun handen vol hebben.