De rode bouwmeester

Als wethouder in Den Haag maakte hij zich al hard voor de sociale woningbouw en sinds hij Tweede-Kamerlid is, is die gedrevenheid alleen maar gegroeid. Een wandeling met Schilderswijkkind Adri Duivesteijn door de stad van zijn jeugd: ‘Ruimtelijke segregatie toelaten is asociaal.’
IN HOOG TEMPO sleept hij ons door de straten van zijn stad, wijzend en gebarend naar wat hij nu bedoelt en toen bedoelde. Wanneer we door de Schilderswijk dwalen, lopen we door zijn geschiedenis. Want hier voerde de jonge Adri Duivesteijn actie tegen de verpaupering van de buurt waar hij opgroeide, waar de brandweer vaker kwam dan de gemeentereiniging, en waar veel te hoge huren werden gevraagd voor de verloederde huizen. En hier pleitte hij jaren later als wethouder voor ‘waardig wonen’, voor stadsvernieuwing met allure.

Geen fantasieloze nieuwbouw dus zoals die overal in Nederland zo goedkoop mogelijk werd ‘neergepletterd’, maar fatsoenlijke huizen die passen bij de wijk en bij de cultuur van de bewoners, onder wie veel arbeiders, werklozen en allochtonen.
Nu, 45 jaar oud en inmiddels Tweede-Kamerlid voor de PvdA, vestigt Duivesteijn steeds weer de aandacht op het feit dat behoorlijke huisvesting voor deze mensen onbetaalbaar dreigt te worden en dat er in toenemende mate sprake is van 'ruimtelijke segregatie’, gettovorming, armoede en tweedeling. De door hem op het spoor gezette stadsvernieuwingstrein dendert nog altijd voort, maar door de almaar stijgende huren heeft hij haast alleen nog mensen met goed gevulde portemonnees aan boord.
'KIJK’, WIJST HIJ in een straat bij hem om de hoek in de Haagse Stationswijk, 'dit is stadsvernieuwing uit mijn wethouderstijd.’ Sfeervolle, rode bakstenen huisjes, neergezet in 1988. 'Sociale woningbouw’, zegt Duivesteijn. 'Voor het vrije-huurbeleid betaalde je hier nog een acceptabele huur.’ Vlakbij staat een blok appartementen uit 1920, van de Vereeniging tot Huisvesting van Minvermogenden. 'Eigenlijk heel sjieke woningen met mooie portieken. In die tijd had je nog woningbouwverenigingen die zich sterk maakten voor goede huisvesting voor mensen met lage inkomens.’
Dat wilde hij ook, als wethouder Stadsvernieuwing. Maar hij trad aan toen Nederland gebukt ging onder 'een crisis in de architectuur’, een tijd waarin 'de ene stedebouwkundige blunder na de andere werd gemaakt’. Hele wijken, ook in Den Haag, werden volgezet met flats en rijtjeshuizen in de bekende, treurig stemmende betonsnit. We lopen langs naargeestige nieuwbouwwoningen die koppig detoneren bij de oude bakstenen arbeidershuisjes en die nu al vervuild en verwaarloosd zijn. Een deel ervan werd neergezet onder zijn verantwoordelijkheid als wethouder.
'Ik zag met schrik dat door die nieuwbouw heel veel kapotgemaakt werd. Daar word je met al je idealen natuurlijk ontzettend agressief van, maar er is nu eenmaal geen vooropleiding tot wethouder’, zegt hij verontschuldigend. Waarop hij ruw onderbroken wordt door een stem die in plat Haags over de straat schalt: 'He Adri, ben je een rondleiding aan het geven?’ Een ronde man steekt de straat over en drukt ons joviaal een exemplaar van De Schilderswijker in de hand, de buurtkrant waarvan Duivesteijn ooit nog hoofdredacteur was. 'Dit is de Schilderswijk niet meer’, vertelt de Hagenaar. 'Het is hier niks dan vervuiling, er wordt voortdurend ingebroken, de opbergschuren worden in brand gestoken, de mensen gaan allemaal verhuizen…’ 'Niet alleen maar kankeren, Rinus’, zegt Duivesteijn streng. 'Jij wordt geen burgemeester he?’ plaagt Rinus. 'Wordt het Deetman?’
'JA, HET IS vreselijk’, zegt Duivesteijn met een hoofdbeweging naar de kapotgescheurde vuilniszakken op de stoep. 'En denk je dat je deze vervuiling in de Vogelwijk tegenkomt? Welnee, daar komt een heel leger van de reinigingsdienst de herfstbladeren opvegen.’
Hij wijst op een lange laan met mooie oude huizen. In een daarvan groeide hij op. 'Zo was de hele Schilderswijk. Maar een van de grote problemen is de bodem: dat is veengrond, dus al die huizen verzakten. Daarom is een belangrijk deel van de huizen gesloopt.’ Op het Haagse 'zand’ vestigden zich in de vorige eeuw de betere klassen; op het 'veen’ woonde de onderkant, in vochtige buurten met cholera- epidemieen. Zo onstond een tweedeling die uniek is voor een Nederlandse stad en die Den Haag nog altijd doorsnijdt, met de Laan van Meerdervoort als klassengrens.
'Stadsvernieuwing als culturele activiteit’, werd Duivesteijns motto als wethouder. Hij wilde alleen nog veranderingen die pasten bij de wijk en bij de wooncultuur. Dus geen gezamenlijke portieken in een arbeidersbuurt, want die vervuilen onmiddellijk omdat niemand zich ervoor verantwoordelijk voelt. De carports die een onnadenkende architect aan de Schilderswijk had toebedacht, werden direct gebruikt als werkplaats of hoerenkit. Een parkeergarage dus, besloot Duivesteijn, ondergronds en bewaakt, met daarboven een plein met banken en bomen. Hij weet het, zegt hij, het klinkt wat paternalistisch, maar er moest ordelijk gebouwd worden, want de levendigheid, de rommel, komt vanzelf.
Hij toont voorbeelden van meer geslaagde projecten. Huizen van de Portugese architect Siza met mooie ronde bogen, keurig in het gelid; ruime portieken die licht en veilig ogen; overzichtelijke pleinen waar spelende kinderen door hun ouders in de gaten gehouden kunnen worden.
Hij steekt over, een rood stoplicht negerend. We staan op de Vaillantlaan, een straat die hij tot een ware avenue heeft laten verbreden. Franse balkonnetjes sieren ruime appartementen waarvoor lage huren gevraagd worden. Nog wel, maar kamerlid Duivesteijn houdt zijn hart vast, met al die marktwerking in zijn Volkshuisvesting.
'Prestigeprojecten’, smaalden critici. Wat moet die sobere sociaal- democraat die altijd over leefbaarheid en betaalbaarheid zeurde, met zulke sjieke architectuur? 'Ja’, zegt Duivesteijn, 'zelfs Jan Schaefer zei een keer: Ha, daar is de wethouder van Kunst. Terwijl het nu juist de opgave is om ook in de woningbouw een relatie te leggen naar cultuur, kunst, opvoeding! Dat hoort allemaal bij het sociaal-democratische gedachtengoed. Juist sociaal- democraten als Wibaut en Berlage hebben die culturele opgave met allure vormgegeven. Alleen zijn we vergeten hoe dat moet in onze managementcultuur. Een van de weinige dingen die je nog kunt maken, voor zover maakbaarheid bestaat, is de stad. Ruimtelijke ordening is een instrument voor maakbaarheid, en je hebt de morele verplichting om dat instrument aan te wenden. Want financiele armoede is vervelend, maar culturele armoede is nog erger. De Vaillantlaan is verbreed en vernieuwd; bij de Hoefkade is dat niet gebeurd en je ziet dat de armoede ervan afdruipt. Ik denk dat de Schilderswijk gered is met dit soort interventies.’
WE NEMEN de tram naar Duivesteijns grootste prestigeproject: het Haagse stadhuis. Het kostte hem - na vele knallende ruzies met zijn collega van Financien - de kop als wethouder. Maar als een postume triomf werd zijn plan voor het stadhuis door een ruime meerderheid van de gemeenteraad aangenomen op de dag van zijn gedwongen aftreden.
Onderweg concluderen we dat hij in die keurige Tweede Kamer eigenlijk teruggrijpt op zijn beginjaren als actievoerder in de Schilderswijk. Want weer neemt hij het op voor de lage inkomensgroepen die hoge huren moeten betalen. 'Daar zit bij mij een oprechte woede achter. In zekere zin wordt het werk dat wij in de jaren tachtig hebben gedaan, nu weer ongedaan gemaakt. Daarom maak ik het in de Tweede Kamer ook zo principieel. Wij hebben ervoor gestreden dat mensen met lagere inkomens in behoorlijke huizen konden blijven wonen, onder het motto “Bouwen voor de buurt”. Maar sinds Heerma zijn nota heeft afgescheiden en daarmee de liberalisering van de Volkshuisvesting in gang heeft gezet, is de sociaal-economische selectie weer terug. Kijk’, hij schiet overeind, wijst uit het raam, 'dit is een heel mooie straat met huizen die zo'n vijfhonderd gulden huur moesten gaan kosten. Maar daar willen mensen ook wel negenhonderd gulden voor betalen. Nou, dan gooien we toch de huren omhoog met de harmonisatie, of we gaan toch de maximale huurverhoging doorvoeren? Dus op termijn zijn dergelijke fantastische projecten niet meer betaalbaar voor de laagste inkomens. Dat is nou de ruimtelijke tweedeling die momenteel overal in Nederland gaande is.’
Ook in de Amsterdamse Jordaan, zegt hij, vroeger volkswijk bij uitstek, zijn 'de nieuwe rijken’, de kunstenaars en de intellectuelen opgerukt, en in hun kielzog de woonlasten. Met als gevolg dat de lage inkomensgroep verdrongen wordt. 'Daar zie je ook geen zwarte scholen. Ruimtelijke segregatie heeft het karakter van een sluipmoordenaar. Je merkt niet dat het komt, tot het er plotseling is. Dat toelaten betekent in feite het ongedaan maken van sociaal beleid, en is dus asociaal.’
De woningcorporaties waarmee hij hevig in de clinch ligt, bieden hieraan nauwelijks tegenwicht: hij verwijt ze dat ze hun 'miljarden aan reserves’ oppotten in plaats van te investeren in sociale woningbouw. Met de privatisering van de corporaties kan de overheid nog slechts hopen dat zij bereid zijn te opereren als de Vereeniging tot Huisvesting van Minvermogenden. 'Ik word met de dag een grotere tegenstander van die stelselwijziging. Op een aantal cruciale momenten moet de overheid gewoon aanwezig zijn, zeker als het gaat om primaire zorg als volkswoningbouw. Dat kun je niet alleen overlaten aan particuliere instellingen die op geen enkele manier democratisch gecontroleerd worden. Dat is ook mijn conflict met Tommel. Hij accepteert de bestaande orde en corrigeert hier en daar, marginaal, maar het gaat om heel fundamentele rechten! Het gaat om huurders die na het betalen van hun woonlasten zeshonderd gulden per maand overhouden om van te leven, en die rechteloos zijn wat betreft overleg met de verhuurders. Vertrouwen op de goede wil van de corporaties is buitengewoon aardig, maar nu is de positie van de gemeente en van de huurders uitgehold en bestaat het rijk als regisseur nauwelijks meer.’
Maar daar heeft zijn partij toch zelf aan meegewerkt? 'Nou, jammer dan’, zegt hij schouderophalend. 'De huidige PvdA-fractie is een andere koers gaan varen. En doordat Tommel na jaren van oppositie voeren tegen het Heerma- beleid dat beleid zelf ging uitvoeren, heeft hij mij in de positie geplaatst om dat te bestrijden. Moet ik mijn mond dichthouden omdat hij niet de moeite neemt om zijn mond open te doen? Hij moet zorgen voor medezeggenschap van huurders, dat is godbetert een echt D66-issue. Maar hij laat het lopen! Dan moet hij mij niet kwalijk nemen dat ik zeg: dit is niet het beleid waarin wij ons herkennen.’
WE STAPPEN UIT bij het stadhuis, dat stralend wit in het hart van de stad staat te pronken. Het zonlicht valt door het gigantische gla zen dak in zachte strepen op de granieten vloer. 'Ik was net je kindje aan het bekijken’, zegt een kennis die Duivesteijn aanschiet. Hoe is dat voor hem, om hier rond te lopen? 'De Vaillantlaan is voor mij emotioneler dan het stadhuis. Die is veel meer met mijn eigen geschiedenis verbonden. Maar dit is voor de stad ook heel leuk en belangrijk. Je moet je voorstellen dat hier ook een bankgebouw had kunnen staan. Een anoniem kantoor waar je alleen zou komen om geld te halen, als je dat tenminste had. Nu staat er een bibliotheek; over al die verdiepingen zie je mensen lezen. Het is publiek eigendom geworden, en daar zit de sociaal-democratische opgave. Deze plek hebben we teruggegeven aan de stad.’
Maar hadden zijn tegenstanders niet een beetje gelijk, was dit niet een wat megalomaan gebaar? 'Je kunt ook zeggen dat het grandeur heeft. De discussies in dit land gaan altijd over de bijzonderheden. Maar wat ik bijzonder vind is dat we accepteren dat er zo weinig bijzonders gebeurt. Het is toch krankzinnig dat er miljarden geinvesteerd worden in het land en dat er dan dingen worden neergezet die kwalitatief ver onder de maat zijn! Dat gebouw daar mag straffeloos neergezet worden.’ Hij wijst naar een kantoorkolos met zwarte spiegelruiten pal naast zijn maagdelijk witte stadhuis. 'En al die gelijkvormige uitbreidingswijken van al die gemeenten - het kost kapitalen, en wat doe je de mensen ermee aan? Je kunt ze iets fantastisch bieden, maar je volstaat met armoe. De kwaliteitsnorm in het bestuur kan wat mij betreft niet hoog genoeg zijn. Sociaal-democratie is gebaseerd op de gedachte dat je de beschaving beschaafd laat zijn.’
VANAF HET BALKON van de elfde etage, op 45 meter hoogte, wijst hij over de hofstad. 'De hoogbouw die je daar ziet staan is Voorburg. Dat gebouw staat in Rijswijk en het witte daar in Leidschendam. En aan deze kant ligt de zee. De stad is helemaal ingeklemd, er is letterlijk geen ruimte. Maar Den Haag is niet in staat om onder woorden te brengen dat ze heel grote structurele problemen heeft.’
Den Haag is volgebouwd en kent een enorme kloof tussen arm en rijk; nergens worden zoveel mensen uit hun huis gezet wegens huurschulden als hier; de gemeente worstelt met een gat van 180 miljoen in de begroting, maar heeft nauwelijks inkomsten. Duivesteijn: 'Amsterdam zou die problemen enorm politiseren. Rotterdam heeft lef, daar nemen ze beslissingen. Maar Den Haag is een ambtenarenstad. Saai, beleefd, fatsoenlijk. Hier zitten veel civil servants die het bestuur dienen en zelf geen beslissingen nemen. Dat geeft een bestuurlijke cultuur waarin strijdvaardigheid, actie en arrogantie - ik noem alle kwaliteiten op die ik zelf heb - ontbreken.’
Hij grijnst, weet heel goed dat hem vaak wordt verweten dat hij kapsones heeft. Het kan hem niets schelen. 'Ik houd van mensen die uitgesproken opvattingen hebben, die letterlijk opinieleider zijn. Het ergste soort in de politiek zijn de mensen die afwachten, om zich vervolgens aan te sluiten bij de meerderheid. Hoe groter die groep, hoe gevaarlijker het is voor mensen als ik.
Ik vind het in de politiek noodza kelijk om risico’s te nemen, en ik word door mijn fractie tot nu toe niet afgeremd. Maar in Kok hebben we natuurlijk een premier die heel sober is en niet van fratsen houdt, en die het risico geanalyseerd wil hebben voordat hij het neemt. Kok is niet zo geprononceerd. Hij is wel een sociaal-democraat, maar een die heel dicht bij het gewone leven staat. Je kunt met hem niet praten over de helden van de sociaal-democratie, want dan zegt hij dat dat voor hem de mensen in zijn omgeving zijn en in de straat waar hij opgroeide. Dat is ook zijn kracht: hij kan er voor iedereen zijn. Hij kan veel meer een bemiddelaar zijn dan iemand die de weg wijst.’
En ondertussen is diezelfde Kok druk bezig met het afschudden van de laatste 'ideologische veren’. 'Ik vind dat jammer’, zegt Duivesteijn. 'Die sociaal-democratische ideologie moeten we moderniseren. Kwesties als solidariteit, kwaliteit van het onderwijs en van de stedebouw moet je juist nu als PvdA-issues naar voren brengen. Rob Oudkerk doet dat voor de gezondheidszorg en Karin Adelmund voor de arbeidsvoorwaarden - maar het kan allemaal wel wat steviger. Ik zou willen dat ook Kok veel meer de polemiek zou zoeken. De partij moet weer een politeke denktank worden; de vernieuwing die Rottenberg in gang heeft gezet, is nog maar een begin. Van mij zou de PvdA zich mogen verscherpen; niet door zich te vervreemden van de coalitie, maar door te discussieren en heldere opvattingen aan te bieden. Want ondertussen zitten we in de PvdA, in heel Nederland, wel met een zekere leegte. Ik verlang naar verdieping van het gedachtengoed, van de ideeen.’