De rode mythe

‘HIER KAN WAT grootsch verricht worden, dat, goed geleid, het nieuwe Nederland-in-wording slechts tot zegen kan zijn’, schreef Jan Romein op acht mei 1946 in Het Parool. Nog tijdens de oorlog had hij, met onder anderen Jacques Presser, een plan uitgebroed voor een zevende faculteit aan de Universiteit van Amsterdam: een der ‘politieke en sociale wetenschappen’. Want, aldus Romein, ‘de verregaande politieke naïviteit en sociale onkunde van de Nederlandse intelligentsia - tijdens de oorlog bij herhaling op zo funeste, want de bezetter onbewust steunende wijze gebleken - kon en mocht niet blijven voortbestaan’. De Politiek-Sociale Faculteit zou studenten politiek benul bijbrengen en hun leren hoe de wereld in elkaar steekt. Hoe ideologieën, dus ook het fascisme, in elkaar steken. En dan, dankzij die kennis, droomden de bedenkers in de nadagen van de oorlog: ‘Nooit weer’.

Deze week wordt in Amsterdam het vijftigjarig bestaan gevierd van de PSF, tegenwoordig PSCW. De ‘warbaby’, zoals Presser zijn geesteskind noemde, zag in 1947 het licht. En was vanaf dat moment omstreden. De Universiteit van Amsterdam zou volgens de vaderlandse pers met de PSF een paard van Troje, een nieuwe vijand binnenhalen: de (rode) politiek zelve, gehuld in academisch gewaad. Zeg maar dag tegen het ideaal van objectieve wetenschap: de PSF werd gegarandeerd een kaderschool voor communisten. Neem die groep nieuw te benoemen hoogleraren, die oprichters - allemaal rode rakkers! Die Presser, Kleerekoper, Baschwitz en Suys - ze waren 'medeplichtigen van de communisten’, en dus 'doodsvijanden van de democratie’.
De benoemingskwestie werd een enorme rel, waaraan de minister van Onderwijs te pas moest komen. Uiteindelijk besloot die dat alleen hoogleraar-in-spe Suys het veld moest ruimen; hij werd vervangen door de onomstreden Barents. Waarop dagblad Trouw furieus schreef dat er communisten werden 'losgelaten op de studerende jeugd aan Amsterdams zevende faculteit’: 'Ter versterking van de democratie! Ter verhoging van de geestelijke weerkracht van het Nederlandse volk! Onder het doorbraakmotto: Liever Russisch dan paaps!’ Ruim voor de Tsjechoslowaakse putsch van '48 was in Amsterdam de Koude Oorlog al begonnen.
De toon van de beschrijving en van de latere geschiedschrijving van de Politiek-Sociale Faculteit was gezet. Amsterdams nieuwe faculteit zou een rode faculteit worden, en in de overlevering zou ze dat blijven. Maar hoe rood was - en is - de faculteit nu eigenlijk echt?
'WIJ WAREN NIET rood, we werden als rood bestempeld’, zegt Sven Augustin (77), student politicologie van het eerste uur. Ternauwernood de oorlog overleefd, door de Duitsers talloze malen van de ene gevangenis naar het volgende concentratiekamp gesleept, keerde Augustin eind 1945 terug naar Amsterdam. Van Presser, zijn vroegere leraar op het gymnasium, hoorde hij over de plannen voor die nieuwe faculteit, waar mens en maatschappij deerd zouden worden. In september 1947 betaalde Augustin een paar tientjes collegegeld en schreef hij zich in bij de PSF. Met nog driehonderd andere gen, van wie er eentje verkondigde: 'Volkeren op aarde, zij wachten op ons.’
'Toen de PSF nog niet eens was opgericht, was de mythe van de rode faculteit al geboren’, zegt Augustin. 'Politieke wetenschap heeft als woord iets actievoerderigs. Daar was in het onderwijs niets van te merken. Presser heeft een heel jaar staan doceren over het verdrag van Versailles. Bij sociologie werden de indianenstammen in Amerika behandeld. En economie van Kleerekoper - daar was geen greintje marxistische economie bij. Er waren studenten die daarop afknapten. Want de studie trok wel geëngageerde mensen. Wij waren natuurlijk een oorlogse groep. Ons was met de paplepel ingegoten dat er zoiets bestond als verzet. En wij wilden van alles veranderen in de maatschappij, en in de door en door verzuilde politiek.’
De tekst van een studentenlied uit die tijd illustreert hun hooggespannen verwachtingen: 'Er is maar één zevende faculteit/ waar men de studie niet van ’t leven scheidt:/ De andere zijn apolitiek/ en asociaal met hun gekliek/ maar wij doen aan de gemeenschap en de maatschappij.’
IN 1954 VERLIET Augustin de faculteit. Zonder diploma. 'Weinigen hebben de eindstreep gehaald’, zegt hij. 'We hadden het te druk met andere dingen. Bovendien kon niemand ons vertellen wat de toekomst zou zijn voor afgestudeerden van de PSF. Buitenlandse Zaken zei: “Die rode faculteit? Wij nemen alleen mensen uit Leiden.” En in de politiek kwam je alleen terecht via de partijen. Een enkeling werd journalist, zoals Wim Klinkenberg. Verder ken ik niemand uit die eerste jaargang die iets van betekenis is geworden.’
Maar actief waren ze wel. In de 'echte’ maatschappij, bijvoorbeeld in de vakbeweging, of aan de faculteit. Waar een studievereniging werd opgericht, en een studentensportvereniging. Augustin deed er allemaal aan mee. Hij haalt een puntgaaf exemplaar van het Orgaan van de Studievereniging van de PSF te voorschijn, uit maart 1950. Met pittige artikelen over de sociale wetenschappen. Prijs per nummer: Ÿ 0,60. Redactieadres ten huize van S. Augustin, Falckstraat 1 te Amsterdam.
Het grootste deel van zijn tijd ging echter zitten in de Studentendrukkerij. Van de literatuurlijst die de studenten geacht werden te lezen, was nauwelijks één studieboek te koop in het Nederland van na de oorlog. Dus ging hij de werken zelf maar kopiëren en zelfs drukken. De Studentendrukkerij werd steeds groter en kwam uiteindelijk in de plaats van de studie. 'Toen we dertig man personeel hadden, zijn we verder gegaan als commerciële drukkerij.’
De eerste lichting politicologiestudenten bemoeide zich ook actief met het onderwijs en de gang van zaken aan de faculteit. 'Doordat de kwestie rond de hoogleraarsbenoemingen twee jaar doorsudderde, hadden wij steeds vergaderingen met elkaar op de universiteit over hoe we verder moesten. Dan zat je zo met honderd of derd mensen bij elkaar.’ Augustin lacht bij de herinnering. 'Dat leek natuurlijk al gauw een enorme samenscholing.’
De studenten gingen persoonlijk langs bij de minister van Onderwijs om hem te vragen de knoop door te hakken. Maar toen die daarop Barents als hoogleraar benoemde, leidde dat tot protest. 'Op het moment dat Barents zijn inaugurele rede ging houden, zijn we met alle studenten opgestaan om de zaal te verlaten. Voor het eerst in de geschiedenis was er politie in de Oudemanhuispoort. Die dacht dat wij rotzooi zouden gaan trappen, wat we niet deden. Natuurlijk stond er weer in de krant dat het een linkse actie was, terwijl wij die hoogleraar alleen een wetenschappelijk lichtgewicht vonden. Dat waren de begindagen van de Koude Oorlog.’
'IN DE JAREN VIJFTIG, toen ik ging studeren, was het wat betreft engagement een dooie boel in Nederland’, zegt oud-burgemeester, oud-minister en tegenwoordig bijzonder hoogleraar Ed. van Thijn. Van 1953 tot 1961 studeerde hij politicologie aan Amsterdams zevende faculteit. 'Maar degenen díe idealen hadden en als maatschappijhervormers door het leven wilden, togen naar de PSF. Om van een koude kermis thuis te komen. Het eerste tentamen dat je daar moest afleggen was dubbel boekhouden, en daar struikelde een groot deel meteen al over.’
Doordat het odium van linkse, roodgekleurde wetenschap zo op de faculteit drukte, gebeurde juist het omgekeerde, aldus Van Thijn. 'Mijn hoogleraren stonden zeer kritisch tegenover iedere ideologie. Wij moesten de theorie van Marx en andere dogma’s bestuderen, die vervolgens op college tot de grond toe werden afgebrand. Als ik ergens heb afgeleerd om marxist te zijn - wat ik al niet was - is het daar.
Ik studeerde er in de tijd van kanjers als Barents, Kleerekoper en Presser. Er was veel kritiek op hen, maar ik heb van hen tot in mijn diepste wezen geleerd kritisch te denken. Ja, in mij treft u een enthousiast oud-student politicologie, maar ik ben wel een van de weinigen die geslaagd is. Van de honderd studenten uit mijn eerste jaar heb ik met slechts twee anderen de studie afgemaakt. En die twee behoorden tot de latere oprichters van D66.’ Hetgeen, zegt Van Thijn grinnikend, eens te meer illustreert dat men aan de PSF niet gehersenspoeld werd in radicaal-rode doctrines.
Van Thijn zelf, die sinds anderhalf jaar de Den Uyl-leerstoel Politiek en Bureaucratie bekleedt aan de tegenwoordige subfaculteit Politicologie, werd eigenlijk pas politiek actief op het moment dat hij de PSF verliet. 'In 1958 heb ik in Parijs gestudeerd en dáár ben ik erg links geworden.’
'IK VERWACHTTE aan de PSF tamelijk links georiënteerde hoogleraren tegen te komen, maar dat was absoluut niet het geval’, zegt Connie van der Maesen. Van der Maesen begon in 1949 als student politicologie en verliet de subfaculteit politicologie pas in 1995 als wetenschappelijk medewerker en voorzitter van de examencommissie.
'Barents bijvoorbeeld’, herinnert ze zich, 'is ooit eens terecht omschreven als “een felle anticommunistische militair-strategisch denkende” hoogleraar. En dat anticommunisme van hem was in alles te merken. Wetenschappelijk was dat natuurlijk niet acceptabel. Ik heb daardoor in mijn eigen studie altijd een sterke behoefte gehad aan feiten, feiten en niets dan feiten. Aan methodologisch verantwoord onderzoek naar maatschappelijk relevante onderwerpen. In het onderwijs kwam ik helemaal niets tegen van die zogenaamde linkse bevooroordeeldheid, integendeel. Maar misschien dat iemand met een ander perspectief, met VVD-sympathieën bijvoorbeeld, dat heel anders heeft ervaren.’
We vragen het Hans Wiegel, VVD-nestor en thans voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland. 'Helemaal niet!’, roept hij. 'Mijn hoogleraar Kleerekoper was een marxist, en hij wist dat ik liberaal was. Maar daar merkte je verder niets van. Alle theorieën werden met evenveel aandacht behandeld, er was geen sprake van propagandistisch onderwijs. Daarom heb ik die opleiding ook zo op prijs gesteld.’ En merkte hij als student nog iets van het antifascistische ideaal waarmee de faculteit begon? Wiegel: 'Op college werd het fascisme natuurlijk beschreven en geanalyseerd. Maar er werd niet waarschuwend over gepraat. Ook dat waren waardevrije colleges.’
Enthousiast begint Wiegel anekdoten op te halen uit de jaren dat hij rondliep aan de PSF, van 1959 tot 1965. Waar hij een 'bijzonder aardige, brede opleiding’ kreeg, die hij weliswaar niet afmaakte maar waar hij veel aan heeft gehad. Lachend vertelt hij hoe hij de meeste studentenacties en demonstraties van de jaren zestig aan zich voorbij liet gaan: 'Ik zei dat ik alleen mee wilde naar Den Haag als er een eersteklas compartiment aan de trein werd gehaakt.’
Toen hij 25 was belandde hij in de Tweede Kamer, eerst nog met de illusie dat hij ooit zou afstuderen. Tot hij gewaarschuwd werd: jongen, pas op, straks ben je én een gesjeesd student én een gesjeesd kamerlid. 'Toen heb ik gekozen voor de Kamer.’ En al had hij de nodige vaardigheden geleerd tijdens zijn studie, het politieke handwerk moest kamerlid Wiegel zich nog helemaal eigen maken.
Connie van der Maesen zag vele generaties studenten aan de PSF voorbijtrekken. Zij bevestigt de indruk dat de studenten tijd geëngageerder, linkser geweest zijn dan hun docenten. De sfeer was doorgaans een stuk politieker dan de studieprogramma’s. Het leidde tot grote aantallen - soms teleurgestelde - afhakers. Het leidde ook regelmatig tot spanningen tussen studenten, die slechts maatschappijkritische wetenschap dachten te gaan bedrijven, en docenten, die dat bedreigend vonden voor wat zij als een 'objectieve, waardevrije wetenschap’ zagen. Het leidde uiteindelijk tot de Grote Kladderadatsch, zoals Van der Maesen het noemt. De affaire-Daudt, met andere woorden.
WE ZIJN INMIDDELS in de jaren zeventig en Hans Daudt, hoogleraar politicologie sinds 1963, ligt hevig onder vuur. De studenten vinden zijn colleges 'niet maatschappijkrities genoeg’ en eisen 'confrontatiestudie’ en dus ook meer 'antikapitalistiese literatuur’. De studenten wonden zich op over Cuba, over Vietnam, én over het studieprogramma, waardoor ze zich niet aangesproken voelden. 'Op die inhoudelijke gronden’, zegt Van der Maesen, 'wilden de studenten meer inspraak in het onderwijs. Zo is de democratiseringsbeweging aan de PSF begonnen. Ik was het volstrekt met de studenten eens. Wij wilden een brede, interdisciplinaire benadering, Daudt had een veel beperktere, engere opvatting van de politicologie.’
Daudt wenst geen duimbreed toe te geven aan de 'beunhazen’ met hun 'quasi-marxistische flauwekul’. Hij staakt zelfs zijn colleges. Waarop er - alweer - vanuit Den Haag moet worden ingegrepen, en staatssecretaris van Onderwijs Klein nog bijna zijn politieke nek breekt over de kwestie. Het verschil van mening over de ware aard der politicologie is nooit opgelost en heeft nog jaren doorgeëtterd, tot aan Daudts emeritaat in 1990.
Van der Maesen: 'Als je er nu over leest, krijg je de indruk dat er een horde brooddronken studenten rondliep die wetenschap wilden bedrijven per one man, one vote-systeem. Terwijl het bovenal een inhoudelijk conflict was. Maar het beeld van een actievoerende faculteit is natuurlijk veel spectaculairder. Misschien is strijdlust ook wel het eigene van politicologie in Amsterdam. Van studenten uit Leiden heb ik nooit ofte nimmer wat gehoord. Dat is zo'n uitgestreken zooitje. Van die brave, daudter-dan-daudtse lieden.’
Later blijkt Daudt overigens scherp gezien te hebben wat de kern van het conflict was, en wat tevens het immer terugkerende probleem onder politicologen lijkt te zijn. Zoals hij schreef in 1984 in de NRC: 'Politicologie trekt mensen aan die zich emotioneel betrokken voelen bij de maatschappij. Dat kan op gespannen voet komen te staan met de wetenschappelijk attitude, die distantie en reflectie vereist. Dat maakt politicologie tot een schizofrene bezigheid.’
ALS ZEVENTIENJARIGE wilde Vera Vingerhoeds 'iets met maatschappelijke problemen en structuren’ doen. Ze koos daarom in 1971 voor politicologie. Een van de eerste dingen die zij deed als studente was meelopen in de protestmars waarin de bureaustoel van Daudt richting burgemeesterswoning werd gedragen. Met als begeleidend gejoel: 'Deze leerstoel is vacant.’ Spannend, al wist ze niet precies waar het over ging.
Als de Politiek-Sociale Faculteit, en de subfaculteit Politicologie in het bijzonder, ooit bestempeld kon worden als een rode faculteit, dan was dat in de jaren zeventig. Maar ja, toen was heel weldenkend Nederland links.
'In die tijd’, vertelt Vingerhoeds (nu zangeres, saxofoniste en programmamaakster bij de VPRO-radio), 'waren er heel wat studenten en ook docenten die zich politiek engageerden met links. In Amsterdam, anders dan bijvoorbeeld in Leiden, vond je heel wat communisten, PSP'ers en PvdA*== 'ers in de subfaculteit politicologie. De docenten en hoogleraren onderling hadden veel meningsverschillen, en de studenten hadden allemaal hoogdravende ideeën over hoe de maatschappij, en ook het onderwijs en onderzoek eruit moesten zien. Wij voerden allerlei acties over de studie-inhoud. Vaak op een heel naïeve manier. Want dat heb ik daar wel geleerd: als je een jaar bezuinigingen of hervormingen weet tegen te houden, dan gaan die gewoon vijf jaar later door, als jij al weg bent. Dan heb je misschien wel de slag gewonnen, maar niet de oorlog.
De faculteit was toen een soort leerschool voor politici. De meeste van de latere politici maakten de studie niet af, omdat zij al te druk waren met hun politieke carrière. Van Walter Etty bijvoorbeeld weet ik dat nog heel goed. Die was toen al bezig met machtsspelletjes en geheime agenda’s. Dat heb ik aan den lijve ondervonden toen ik voorzitter werd van de studentenvereniging Machiavelli. Ik was de eerste vrouwelijke voorzitter en dat heb ik geweten. Etty zorgde ervoor dat alles al bekokstoofd was voordat ik er iets over te horen kreeg. De latere mannelijke voorzitter van Machiavelli mocht wel meedoen. En er was ook een heuse partijstrijd - de CPN'ers en de PSP'ers lagen elkaar natuurlijk niet. Iedereen was druk bezig met politiek in het klein, met allerlei kongsi’s en geroddel.
We hebben wèl bereikt dat er inspraak kwam, en dat er een subfaculteitsraad werd opgericht. Alles wat net weer is teruggedraaid, zeg maar. We waren destijds soms behoorlijk naïef bezig, maar ik vind onze idealen toch beter dan de materialistische, modieuze onzingedachten van nu. Maar studenten moeten nu wel berekenend te werk gaan om in hoog tempo hun punten te halen. Er heeft zo'n enorme kaalslag plaatsgevonden in het universitaire onderwijs. Mijn zoontje is nu negen; misschien gaat hij over tien jaar ook studeren. Ik moet maar vast gaan sparen zodat hij dan naar het buitenland kan, want als het onderwijs blijft zoals het nu is, is het niks.’
In 1980 studeerde Vingerhoeds af, om nooit meer wat met politicologie te doen. Ze ging verder als muzikant. 'Dat kwam voort uit hetzelfde linkse ideaal’, zegt ze. 'Ik begon in allerlei strijdorkestjes, in actieorkestjes op straat en bij abortusdemonstraties. En natuurlijk gingen we de muziek in het buurthuis brengen. Maar ik heb nog steeds veel aan die studie. Alles wat Siep Stuurman me heeft laten leren over macro-economische verbanden kom ik dagelijks tegen in de krant.’
IN DIE RODE JAREN werd ook de wetenschapsbeoefening geëngageerder. Het is vooral in de jaren zeventig geweest dat de befaamde wetenschappelijke traditie van Amsterdams politieke en sociale faculteit werd ontwikkeld. Er kwam een sterke nadruk op geëngageerd onderzoek; onderzoek dat 'in dienst van maatschappelijke vraagstukken’ staat. 'De discussie’, zegt Vingerhoeds, 'ging steeds weer over de vraag of er zoiets bestond als “waardevrij onderzoek”. De wat rechtsere docenten bij politicologie geloofden in objectiviteit. Maar volgens ons is onderzoek altijd gebonden aan opvattingen, inzichten en afspraken. Je kon maar beter onderkennen dat je wetenschap bedreef vanuit je persoonlijke opvattingen, wat natuurlijk linkse opvattingen waren.’
De verwachtingen van het geëngageerde onderzoek waren lichtelijk overspannen; de artikelen uit die tijd staan zo vol met (marxistisch) jargon dat ze nauwelijks nog leesbaar zijn. Toen in de jaren tachtig de ideeën over wat wetenschap vermag weer wat getemperd werden, leek de oude discrepantie tussen studentenverwachtingen en docentenopvattingen terug te keren. Studenten politicologie die actief waren in de kraakbeweging, konden zich in het heel niet vinden in het reguliere onderwijsprogramma, herinnert politicoloog en filosoof Ido de Haan zich uit zijn eigen studententijd. Ze droegen zelf thema’s aan die zij veel belangwekkender vonden, maar kregen maar mondjesmaat hun zin.
Stefan Dudink - student van 1985 tot 1990, nu docent homostudies in Nijmegen - trof onder zijn medestudenten de restanten aan van wat hij 'een soort prefab-engagement’ noemt. 'Je zag duidelijk dat sommigen nog altijd klakkeloos het marxisme als richtsnoer namen’, zegt Dudink. 'De posities lagen bij voorbaat vast. Begin jaren tachtig waren het de studenten die dat nog uitdroegen - veel meer dan de docenten.’
EN HOE STAAT het er voor in de jaren negentig? Komen we weer uit op het cliché dat de jongste generatie geen idealen meer heeft? Ja. De jongste generatie heeft namelijk geen tijd meer.
Peter Vermaas is 22 en vierdejaars student nieuwste geschiedenis bij Politicologie. Hij werkt drie hele dagen in de week om zijn studie te financieren, net als veel van zijn medestudenten. Binnen vijf jaar moet Vermaas zijn studie hebben voltooid; voor de jongste lichting studenten is dit inmiddels teruggebracht tot vier jaar.
Wonderbaarlijk genoeg vindt Peter Vermaas nog tijd voor het hoofdredacteurschap van faculteitsblad Discorsi. Helaas hebben zijn medestudenten geen tijd om het te lezen. Of geen belangstelling. Vermaas: 'We schrijven in Discorsi onder andere over faculteitsaangelegenheden, over het bestuur en de faculteitsraad, we maken interviews met hoogleraren, maar we weten dat geen student dat leest. Betrokkenheid bij de faculteit is er in het geheel niet. Men loopt college, studeert na vier jaar af en heeft ondertussen geen flauw idee of er inspraakorganen zijn, of de decaan is afgetreden. Betrokkenheid in algemeen politieke zin is er wel enigszins. Men houdt bij wat er gebeurt in Den Haag, maar er is geen enkele vorm van debat. Hooguit gesprekken als: “Heb jij gisteren Buitenhof gezien? Ja, was goed hè?”’
Vermaas vindt het typerend dat de politicologenvereniging Machiavelli onlangs de zin 'is een progressieve studievereniging’ uit de statuten heeft geschrapt en daarmee haar 'progressieve veren’ afschudde. Ook zijn eigen blad Discorsi ontdeed zich recentelijk van zijn laatste restje marxistische traditie: het is dit jaar voor het eerst geen 'horizontaal geleide organisatie’ meer.
'Ik heb het idee’, zegt Vermaas, 'dat men nog wel overwegend linkse ideeën heeft op deze faculteit. Laatst is er een onderzoekje gedaan naar de politieke voorkeuren van eerstejaars studenten politicologie, en die bleken veel linkser te stemmen dan het landelijk gemiddelde. Maar daar merk je verder niets van. Dat komt doordat niemand nog ergens tijd voor heeft.’
Maar er gloort hoop. Onlangs heeft de onderwijscommissie van Machiavelli een doortimmerd rapport uitgebracht met daarin voorstellen voor verbetering van het onderwijs bij politicologie. Tot grote vreugde van Connie van der Maesen, die toen ze van het rapport hoorde, meteen opveerde en dacht: ha, ze laten zich weer gelden! 'Alles wat we in de jaren zeventig hebben bereikt en wat in de jaren tachtig heeft voortbestaan, is weer afgeschaft’, zegt Van der Maesen. 'Maar nu de economie aantrekt, wordt de beperking van studieduur en studiefinanciering misschien weer wat teruggedraaid. Wanneer men tot het uiterste is getergd én er perspectief op verbetering komt, gaat men wellicht weer de barricaden op. Want dat is een bekende revolutietheorie: er moet altijd licht te zien zijn. De meest gedepriveerden komen nooit in opstand.’