De rokkenjager en diens bijdehante tante

Op de een of andere manier was Herta Müller nog niet tot me doorgedrongen. Ik had proza van haar gelezen in Raster, ik had in 2010 de ophef gevolgd over haar vriend en collega Oskar Pastior, ik had recensies over haar werk doorgenomen. Maar het gebeurde vorige week pas dat ik ineens door haar gegrepen werd.

Poetry International vertoonde in samenwerking met het International Film Festival Rotterdam een documentaire over haar van John Albert Jansen, de film werd ook uitgezonden op de televisie. [Het Alfabet van de Angst](http://www.npo.nl/artikelen/2doc-het-alfabet-van-de-angst-over-herta-muller?npocc_skip_wall=1&npo_cc=na&npo_rnd=23100969)_ heet de film.

De gedichten van Herta Müller hebben iets luchtigs. Ze knipt woorden uit kranten en tijdschriften en maakt daar zinnetjes mee die vol verrassingen zitten. En doordat het steeds duidelijk naast elkaar geplakte woorden blijven, is de toon een beetje houterig en kinderlijk. Een voorbeeld in de prima vertaling van Ria van Hengel:

het plein was voor mijn hoofd te
zwaar was nu tegen drieën leeg daar
kwam een eenzame wandelaar ik
gaf hem een pet hij zei wat moet ik
met dat ding ik zei toen hij eraan
ging ruiken die kun je toch voor
van alles gebruiken

Bijna een kinderliedje, maar er gaat een ongrijpbare narigheid in schuil. Wat is een zwaar plein, wat betekent het dat het tegen drieën is, wat is dat voor rare ontmoeting met een eenzame wandelaar, waar komt die pet ineens vandaan, waarom ruikt hij daaraan, en waar denkt zij aan als ze zegt dat je hem voor van alles kunt gebruiken? Het gedicht lijkt licht van toon, maar eigenlijk is het beklemmend.

Als kind dacht ze dat er in alles wat leeft een koning heerst

De film Het Alfabet van de Angst maakt duidelijk hoe voor Herta Müller alles wat er in haar opkomt doordrenkt is van de angst in Roemenië gedurende het schrikbewind van Ceausescu. Haar werk maakt duidelijk dat die angst niet voorbij is met de dood van de dictator. Ze zegt, en daarin staat ze niet alleen, dat hij nog leeft. Dat hij je nog altijd in de gaten houdt, de hele dag en overal waar je bent.

In de film vertelt Müller dat ze als kind dacht dat er in alles wat leeft een koning heerst. De koning zegt wat je moet doen, ook tegen dieren, ook tegen planten. Dat is sprookjesachtig. Maar in haar gedichten zie je Ceausescu als ze het over een koning heeft. In haar essay De koning buigt, de koning moordt zegt ze: ‘De koning is mij eerst van het dorp naar de stad gevolgd, daarna van Roemenië naar Duitsland, als weerschijn van de voor mij nooit verhelderbare dingen. Hij heeft de omvang van de dingen gepersonaliseerd, als er in het dwalen van mijn hoofd geen woord meer deugt, dan zeg ik ook nu nog steeds: aha, nu komt de koning.’

toen de koning leefde leek hij op een
hond en een kalf en toen hij stierf
kleefde zijn kroon half gal half meloen
onder zijn haar alle zomerregens sturen
hun sluipengelen het maïsveld in die
waren vroeger meest lijfwacht van de
koning geweest

Zo onaangenaam is het woord ‘lijfwacht’ niet eerder gebruikt. En dan dat woord ‘sluipengelen’! De kroon van de koning die sterft roept bij mij de herinnering op aan de dictator, samen met zijn vrouw, in het uur voordat ze worden doodgeschoten. Hij probeert zijn opgewonden vrouw Elena tot kalmte te manen, praat zachtjes, zwijgt vooral, en schuift zonder ophouden zijn bontmuts heen en weer over de tafel.

De vertaalde gedichten zijn vier jaar geleden verschenen onder de titel De rokkenjager en diens bijdehante tante. De indrukwekkende film is toevallig ook de laatste documentaire van John Albert Jansen, lees ik bij Hans Beerekamp. Want de netmanager van NPO2 vindt zijn schrijversportretten niet zo geschikt voor de zender: er keken dinsdag, toen de film werd uitgezonden, 89.000 mensen naar, en dat wordt nu eenmaal afgerond op 0. Oké, dan gaan we maar weer verder met Boer Zoekt Vrouw en Man Bijt Hond.