Het Migrantenmuseum

De roman

De roman van Paula Poortvliet staat in het Migrantenmuseum en begint met deze zin: ‘Er werd op mijn deur geklopt, ik deed open en stond oog in oog met een donkere man die bezweet was en tegen me zei: “Mah iek een hlaasje water…”’
Paula Poortvliet stuurde haar roman misschien wel naar alle uitgeverijen in het land. Ze kreeg elke keer een brief terug waarin geheid het woord ‘helaas’ voorkwam en belde uiteindelijk ons op voor hulp. Ik las het boek met soms tranen in mijn ogen. Ik zei tegen haar: ‘Als ik een uitgever was geweest, had ik uw roman wel uitgegeven. Maar dat ben ik niet. Wat ik u wel wil voorstellen is dat we de roman in het Migrantenmuseum tentoonstellen. Wat denkt u ervan?’
Mevrouw Poortvliet is een gepensioneerde verpleegster die in de loop der jaren heeft geleerd niet te laten merken dat ze verdriet heeft. Ze keek naar me met haar lichtblauwe ogen, die de noordpoolhonden ook hebben, en zweeg. Natuurlijk had ze ervan gedroomd dat Waren we dan toch niet voor elkaar geschapen ooit in de schappen van de boekwinkels zou liggen. Ze kon het moeilijk verkroppen dat haar oogappel alleen maar in een museum zou liggen, maar zei niets om mij niet te kwetsen. Ik doorbrak de stilte: ‘Ja maar mevrouw Poortvliet, de romans van alle grote schrijvers liggen in musea.’ Toen gaf ze toestemming met haar zachte stem en ging thee zetten met haar fragiele lichaam.
Van de pen van Paula Poortvliet: ‘We zaten in het jaar 1975. Ik kon mijn liefje Osman maar niet overtuigen van het feit dat mensen op de maan hadden gelopen. Wat lachte ik veel om zijn onwetendheid. Maar hij kon er natuurlijk niets aan doen dat hij de taal niet goed beheerste en het nieuws niet kon volgen…’
Een andere passage uit de roman van Poortvliet: ‘Ik deed ontzettend mijn best om hem gelukkig te maken. Op een dag gingen we naar Scheveningen. Het was reeds donker geworden, niemand kon zien wat we deden. Ik knielde voor hem, opende zijn gulp en bevredigde hem met mijn mond. Hij genoot zo intens. Toen we klaar waren zei hij opeens: “Hoe komt het dat jij zo goed bent? Heb je zoveel geoefend met anderen?”’

Er is niets belachelijker dan de mens zelf, beste museumbezoeker. De mens is een schepsel dat kan denken, maar niet geïnformeerd is over de schepping en de zin daarvan. Zo’n schepsel kan niet anders dan zelf verhalen verzinnen over de schepping en regels maken die tot ongeluk leiden. De jonge gastarbeider van Paula verzoop in zijn eigen geluk, zo staat in de roman. ‘Hij kuste me soms niet omdat ik in het verleden varkensvlees had gegeten…’
Ik geef geen cent om het lot van Osman. Paula Poortvliet vroeg ik wel een keer wat liefde is. Ze zei door de telefoon: ‘Ik hield al van hem vanaf het moment dat hij om een glaasje water had gevraagd. De waterdruppels gleden langs zijn lippen naar zijn kin en vielen van daar op zijn borstharen waar kleine zweetdruppels glinsterden in de zon. Hoe kon ik niet van hem houden? En wat maakte het uit dat hij niet genoeg van mij hield? Het ging er om dat ik van hem hield.’
De Beatrice van Paula Poortvliet heeft de liefde de rug toegekeerd en schijnt een kleine wereld te hebben opgebouwd die vooral bestaat uit God smeken om een plekje in het paradijs. De mens weet misschien te weinig om niet als een zotte rond te dwalen, maar Paula Poortvliet was misschien niet helemaal zot. ‘Ik hield zoveel van Osman dat ik bereid was om mezelf op te offeren voor zijn geluk. Uiteindelijk heb ik dat ook gedaan. Ik ging weg bij hem. Dat was het beste voor Osman’, schreef de Dante van het Migrantenmuseum.
De mens kan wel komisch en belachelijk zijn, beste museumbezoeker, maar liefde gaat ons misschien ooit redden uit de verzengende onwetendheid die knaagt aan mij en aan u. Paula Poortvliet, leid ons naar groene weiden…