De roman als bouwwerk

Orhan Pamuk is iemand die niet leeft en misschien ook niet geniet naar Turkse maatstaven. Zijn manier van leven en keuzes maken komt terug in zijn boeken.

Medium istanbul

Afgelopen winter ben ik naar mijn geboortestad Kars gegaan. De stad waar de roman Sneeuw van Orhan Pamuk zich afspeelt. Het was inmiddels acht jaar geleden dat deze roman uitkwam.
Ook acht jaar na het verschijnen van Sneeuw waren de mensen mistroostig in Kars, nog steeds was de dunne rook uit de schoorstenen van de primitieve huizen bij het fort als een handtekening van de armoede die in die huizen heerste, de sneeuw was nog altijd de witte metafoor die alle vuiligheid met de liefde van een moeder bedekte, en ook na acht jaar wachtte alles en iedereen op de lentezon die maar niet wilde komen.
Acht jaar geleden haatten de mensen Orhan Pamuk en nog steeds haten ze hem. Kars trekt door de roman Sneeuw twee keer zo veel toeristen als voor de publicatie van de roman. Maar ook al voedt de schrijver met zijn schrijven de magen van de arme sloebers, ze blijven een hekel hebben aan hem. Orhan Pamuk wil geliefd zijn in zijn land, zei hij een keer tegen een journalist. Maar hij is het niet. Wie moeten de mensen liefhebben? Wie is Orhan Pamuk? Een vraag die de schrijver zelf ook niet weet te beantwoorden na zoveel boeken. Want bij elke nieuwe roman slingert hij naar een andere literaire stroming en een andere stijl.
Mijn geboortestad is niet zomaar een stad in het uiterste oosten van Turkije. Vroeger werden in de grote huizen van Kars grote feesten georganiseerd. In de door de Russen aangelegde rechtlijnige straten stonden mooie kerken, kazernes, ziekenhuizen, overheidsgebouwen. Welvarende Armeniërs hadden huizen laten bouwen die een voor een kunstwerken waren. Tsaar Alexander de Derde kwam hier om te jagen en om zijn geheime minnares te beminnen.
In 1920 viel het Turkse leger de stad binnen. De Russen hadden zich al teruggetrokken en van de Armeniërs was er niemand meer over. Parallel aan de harde winters die bijna een half jaar aanhouden, veranderde Kars in Turkse handen in een gat van depressie. Kars is nu een stad waar mensen massaal sigaretten roken om zo snel mogelijk dood te gaan. Het is de stad van de melancholie, de stad van de armoede en de stad van de vergane glorie. Kars is het einde van de wereld.

In Pamuks roman Sneeuw reist dichter Ka naar Kars om voor een krant verslag te doen over hoofddoek dragende meisjes die steeds vaker zelfmoord plegen. Vlak na de komst van Ka is de stad afgesloten van de rest van de wereld vanwege de sneeuw die alle wegen onbegaanbaar maakt. In dat geïsoleerde Kars wordt Ka verliefd op de beeldschone Ipek; de toneelgroep met aan het hoofd Sunay Zaim pleegt met de hulp van een bevriende officier een staatsgreep; de fundamentalisten van de stad duiken onder; de Koerden proberen op hun beurt op de been te blijven en ondertussen ontdekt Ka hoe vervreemd hij van zijn land is als verwesterde liberaal. Kars is een soort toneelpodium voor heel Turkije. Ka heeft geen rol van betekenis op dat podium. Ook Ipek kiest uiteindelijk niet voor Ka, maar voor de fundamentalist Lacivert. Hier hadden we te maken met een politieke roman.

Terug naar het debuut van Pamuk in 1982: De heer Cevdet en zijn zonen was in een klassieke realistische stijl geschreven. Een paar jaar later merkte de lezer dat Pamuk voor zijn tweede roman Het huis van de stilte voor een andere vorm had gekozen. Dit boek was rijk aan innerlijke monologen en psychologische analyses. Met zijn derde roman De witte vesting maakte de novellist de overstap naar het postmodernisme. Voor het contrast tussen het Westen en het Oosten smeedde hij hierin een historisch verhaal waarin de Turkse heer op den duur muteert in zijn Venetiaanse slaaf. Twee boeken later kwam Ik heet Karmozijn uit. Deze keer ging het om een detectiveverhaal dat zich wederom in het Istanbul van vroeger afspeelde. Daarna was de ‘politieke roman’ aan de beurt. Acht jaar geleden verscheen dus Sneeuw.
Omdat politiek bedrijven geen prettige bezigheid is voor een schrijver in een land als Turkije heeft Pamuk na Sneeuw veel ellende moeten ondergaan. Maar het resultaat van zijn lijden was wel dat hij in 2006 de Nobelprijs voor de literatuur toegewezen kreeg. Wat moest de schrijver nu doen? Waren de literaire stromingen inmiddels niet opgeraakt, zou je zeggen? Toen gooide Marcel Proust een reddingsvest naar de bekendste Turkse schrijver. Pamuk kwam met zijn Het museum van de onschuld, dat in september ook in Nederland wordt gepubliceerd.

Voordat ik inga op het laatste werk van Pamuk wil ik terugblikken op de enige keer dat ik hem interviewde. Ik heet Karmozijn was net uitgekomen en deze meest verkochte Turkse schrijver, deze minst begrepen Turkse schrijver, en boven alles, deze Turk die het fijne architectonische handwerk in de Turkse roman-bouw heeft geïntroduceerd, zou me de volgende dag in zijn werkhuis in het centrum van Istanbul ontvangen. Het was laat en het regende. De mensen die de Istiklal Caddesi – de Champs Elysées van Istanbul – bevolkten, zochten beschutting in cafés en bars. In een café waar live-muziek gemaakt werd zat een heel beroemde Turkse gitarist te babbelen met zijn vrienden. Ik zag een jongen schichtig naar deze beroemdheid lopen, en ik hoorde de jongen vragen, met een oprechtheid om van te huilen: ‘Meneer Erdinc, ik oefen minstens acht uur per dag. Maar het lukt me niet om net zo goed te worden als u. Wat kunt u mij aanraden?’ De gitarist zei: ‘Niet zo veel oefenen. Probeer te leven. Dan word je vanzelf goed.’
Klopt dit advies? Waardoor word je werkelijk goed, door het leven zelf of door toewijding en ijver?
Het bureau van Orhan Pamuk is op loopafstand van dat café. Wie zijn boeken heeft gelezen kan raden dat hij immer achter zijn tafel zit te schrijven. Is hij niet de man die met passie schrijft over Turkse schilders in de zestiende eeuw, die op hun beurt weer met zoveel toewijding schilderden en tekenden dat ze op het laatst blind werden? En lijken zijn boeken niet op reusachtige wooncomplexen, waarin over elke steen is nagedacht en elk detail een betekenis heeft? De vraag is of een dergelijk persoon wel een plaats heeft in de hoofdstad van leven, vreemdgaan, drinken en chaos.
De volgende dag deed Orhan Pamuk de deur van zijn kantoor open. We liepen naar het balkon, de Bosporus lag aan onze voeten. De boekenkasten puilden uit. Op de vloer lagen nog eens tientallen boeken. Marcel Proust lag half open op de vloer, Pamuk was Proust aan het lezen de laatste maanden. Voor zijn eigen boeken had hij een aparte kast. ‘Hier heb ik het voor gedaan’, zei hij, al wijzend naar zijn in vreemde talen vertaalde werken, en ging koffie zetten.
We dronken koffie en hij zei tegen mij: ‘Ik geloof dat ik de Grote Romankunst onder de knie heb.’
Hij zei die dag ook dat hij naar Turkse maatstaven een buitenbeentje is, iemand die niet leeft en misschien ook niet geniet naar Turkse maatstaven. Orhan Pamuk is een plannenmaker. Hij koos voor het schrijverschap en heeft een carrière voor zichzelf uitgestippeld. Zijn manier van leven en keuzes maken komt terug in zijn boeken, die meesterlijk en on-Turks nauwkeurig zijn.

Alle eer voor zijn ijver, zijn precisie en zijn belezenheid, maar de prangende vraag blijft na al zijn boeken, dus ook na de roman die binnenkort in Nederland in de schappen ligt, wie hij is en waarom we als lezer net als hij weer eens in een andere stijl moeten belanden. En deze keer de stijl die uitgevonden en als geen ander gebezigd is door grootmeester Proust. En waarom we geen moment humor aantreffen in het werk van een man uit Istanbul, waar de humor elke dag in de straten voor het oprapen ligt. En ook waarom geen enkel personage van de semi-kluizenaar blijft hangen in de herinnering van de lezer.
De lezer is als een moeder die haar kinderen duizend nieuwe kansen gunt. Op die manier ga ik elke keer om met het nieuwste boek van Pamuk. Misschien dat de enige wereldberoemde Turkse romancier deze keer wél de elementen in zijn boek heeft gezet waar mijn hersenen naar hunkeren bij het lezen van Pamuk, denk ik dan. En dus omarmde ik ook Het museum van de onschuld. Hierin wordt een liefdesverhaal verteld. Een liefdesverhaal waarin de nadruk ligt op trouw en herinneringen. De Turkse lezer herkent meteen de melodramatische vertelvorm die eigen is aan de Turkse film uit de jaren zeventig. Kemal is een rijke man en staat op het punt zich te verloven met een meisje uit zijn eigen milieu. Alles verloopt zoals het hoort te verlopen in zijn leven. Totdat hij de zeer jonge en oogverblindend mooie Füsun tegenkomt in een kledingzaak. Het meisje werkt er als verkoopster en is uiteraard straatarm. De brandende liefde tussen Kemal en Füsun, die van zeer korte duur is, heeft een enorme impact op het verdere leven van Kemal en alle mensen die met hem te maken hebben.
Na hun kortstondige relatie scheiden hun wegen. Wanneer ze elkaar weer treffen, komt Kemal erachter dat zijn grote liefde reeds met een ander is getrouwd. Dit huwelijk belet de hereniging van de twee. Maar wat Kemal wel doet is bijna elke dag als een familievriend op bezoek gaan bij Füsun en haar man; hij zal genoegen nemen met de kleine momenten van geluk die hij daar beleeft.
Pamuk schildert de jaren zeventig in Turkije, schrijft over de beleving van liefde en seksualiteit in die tijd. Maar wat in de roman vooral op de voorgrond treedt, is de kracht van het geheugen. Het geheugen van Kemal moet hem helpen op zoek te gaan naar het verleden. Zijn grootste hulp bij het uitgraven van zijn onderbewuste zijn de objecten die te maken hebben met dat verleden. Een voor een begint hij die te verzamelen en richt zijn eigen museum op. Kemal is uiteindelijk degene die getuige wordt van zijn eigen verborgen verleden. Zo komen we erachter wat de dynamiek is van het geheugen, wat het verbergt voor ons, welke herinneringen verzameld worden en welke gewist. Kemal slaagt erin om de tijd te veranderen in een ruimte.
Voor degenen die het werk van Proust kennen, hebben de thematiek en de vertelvorm veel weg van Op zoek naar de verloren tijd. Proust kon als geen ander ‘terugblikken’. Hij vond dat de ervaring door een zeef van het verstand moest. Dan pas was de persoon bij machte om die ervaring de juiste plek te geven in zijn hoofd. Het personage Kemal van Orhan Pamuk verwezenlijkt dit en gaat een lijdensweg. Want Marcel Proust én Orhan Pamuk weten dat lijden vereist is bij dit proces.
Net als de eerdere romans van Pamuk is ook deze met precisie geschreven. Orhan Pamuk heeft inderdaad de Romankunst onder de knie. Zo goed zelfs dat een door hem gecreëerd personage net zo geloofwaardig zijn geheugen oefent om het verleden terug te grijpen als Marcel Proust dat deed. Orhan Pamuk bewijst weer eens dat hij zijn tanden kan zetten in een thema en een stroming.
Maar wat is de waarde van al dit nabootsen en het evenaren? Dat is de vraag die de jury in Zweden al heeft beantwoord door hem de Nobelprijs voor de literatuur toe te kennen. Het heeft blijkbaar erg veel waarde.

Ik, de schrijver van een ander museum in de kolommen van dit blad, heb echter andere maatstaven. Ik zal geduldig wachten op de ontmoeting tussen Orhan Pamuk en de gitaarvirtuoos die die ene jongen van advies voorzag. Die virtuoos zou Pamuk wellicht kunnen vertellen dat het tijd is om te gaan leven. Mocht dat gebeuren en mocht Pamuk zich in het echte leven storten, dan lezen we misschien wel romans van de pen van de ‘virtuoos’ Pamuk. En iedereen houdt uiteindelijk van virtuozen. Zelfs de Kars-bewoners met zo veel haat in hun harten.