Boeken: Tussen kunstenaars

De romance van Rudi Fuchs

Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, heeft het de laatste jaren zwaar te verduren. Het verwijt: hij is hopeloos blijven steken in de jaren zeventig. Janneke Wesseling stelde in NRC Handelsblad vast dat Fuchs’ termijn als directeur samenvalt met de verloedering van het Stedelijk. Haar collega Den Hartog Jager vindt dat het Stedelijk zijn pretentie van avant-gardemuseum maar overboord moet gooien en zich moet neerleggen bij wat het onder Fuchs zo zoetjesaan is geworden: een retrospectief museum, of mausoleum, voor twintigste-eeuwse kunst.

Inderdaad zijn Fuchs’ favorieten nog steeds generatiegenoten als Dibbets, Baselitz en Appel. Zij domineren de museummuren, die zo wit zijn als in een verpleeghuis voor terminale bejaarden. Nieuwerwetsheden als video-installaties en runderen op sterk water laat Fuchs maar mondjesmaat toe; voor zover hij nieuwe kunstenaars uitnodigt zijn het epigonen van zijn oude helden. Het hedendaagse kunstdebat – door Fuchs beschouwd als ‘terreur’ die voortkomt uit de misvatting dat kunst even interessant is als een diarree van design – speelt zich overal af, behalve in zijn museum. De stagnatie wordt geaccentueerd door de keuze voor gastcuratoren als Harry Mulisch en de koningin, wier tentoonstellingen veel bezoekers trekken, maar weinig waardering krijgen.

Opeens heeft iedereen heimwee naar Fuchs’ voorganger Wim Beeren. In diens tijd was het Stedelijk nog een plaats waar men serieus over kunst sprak. Daarbij wordt gemakshalve vergeten dat Beerens aankopen voor eeuwig in de kelder staan, en dat Fuchs zich altijd fel heeft verzet tegen het verplichte organiseren van block busters. Het uitnodigen van gastcuratoren is voor hem wellicht het minste van alle kwaden.

Fuchs zelf deelt Den Hartog Jagers mening dat de poging om het Stedelijk een graadmeter van de tijd te laten zijn een gepasseerd station is. De sociaal-educatieve functie van een museum vergt volgens hem een systematische benadering die de hedendaagse verscheidenheid aan kunstvormen uitsluit. Dat betekent niet dat hij de conclusie deelt van het Stedelijk als mausoleum. Liever ziet hij het museum als een afspiegeling van de persoonlijke visie van de directeur, die uiteraard wel rekening moet houden met de criteria van de consensus. Elke andere redenering vindt hij hypocriet, schrijft hij in het essay ‘Kwaliteit, een bericht’, dat is opgenomen in zijn donderdag verschenen bundel Tussen kunstenaars: Een romance. De negenhonderd pagina’s tellende pil is de monumentale neerslag van Fuchs’ ontwikkeling, of het gebrek daaraan, sinds de jaren zeventig.

Fuchs toont zich in zijn beschouwingen van de afgelopen twintig jaar een onvervalste erfgenaam van de Romantiek. De kunstenaars wier werk hij uitgebreid beschrijft, zijn onder anderen Dibbets, Kounellis, Munch, Schwitters, Arnulf Rainer, Judd, Baselitz en natuurlijk heel veel Mondriaan. Die zijn voor Fuchs vooral interessant als dragers van een oudere traditie. De Nederlandse kunst is ‘uitgewogen, niet rusteloos zoals in Italië – maar wat wil je met onze platte horizon’, verzucht Fuchs. Zo is ook Anselm Kiefers werk onontkoombaar verbonden met de dreigende sparren voor zijn deur, terwijl Picasso’s intense kleurvlakken kenmerkend zijn voor de Spaanse hoogvlakte.

Volgens Fuchs spreekt elke Europese kunstenaar zijn eigen beelddialect, onontkoombaar voortkomend uit zijn eigen regionale landschap. Vrijwel elk essay wordt dan ook ingeleid door een nostalgische landschapsbeschrijving, vooral van reisjes langs de Rijn. Hij legt een voorliefde aan de dag voor Europese mannelijke kunstenaars, wier door landschap bepaalde beelddialect terug is te voeren tot verre voorouders. De Amerikaanse Heimatlose kunstgeschiedenis heeft slechts geleid tot kleurige eenvormigheid, die het eigene van de meer subtiele Europese kunst lange tijd heeft verdrongen. Gelukkig, constateert Fuchs, is de illusie van een gemeenschappelijke internationale, abstracte beeldtaal zo langzamerhand verloren gegaan.

Kunstenaars zijn niet meer naar stijl te groeperen, maar zijn nog slechts verbonden door Wahlverwandtschaften, hyperindividuele keuzes voor bepaalde voorbeelden. Wie Fuchs’ beschouwingen leest, kan maar tot één conclusie komen: als er in Nederland één mens bestaat wiens visie voldoende samenhangend, erudiet, gepassioneerd en goed is geformuleerd om er een museum voor te bouwen, is hij het wel. Vernieuwend is hij misschien niet, maar wat dan nog? Museumdirecteuren zijn er niet om alles te veranderen, en evenmin de kunst. Bewaren en eerbiedigen, daar gaat het Fuchs om. ‘Het is zeker net zo belangrijk om bepaalde kwaliteiten vast te houden, te bewaren, te eerbiedigen.’

Rudi Fuchs, Tussen kunstenaars: Een romance

Uitg. De Bezige Bij, blz., € 45,-