De romantiek in zijaanzicht

‘Elk gebeeldhouwd werk is een getuige. Of het nu gaat om een getuige van de levende gedachte, om historische gebeurtenissen, om beleden godsdiensten, om zeden, gewoonten of poëzie, het gebeeldhouwde werk moet in zeker opzicht de geest van de natie samenvatten.’ Deze gedenkwaardige woorden werden begin vorige eeuw uitgesproken door de Franse beeldhouwer Pierre-Jean David d'Angers.

Zijn meest radicale leerling, Auguste Préault, zou wel eens even laten zien hoe het was gesteld met die geest van de natie. Zijn eerste belangrijke werken kregen titels mee als Paria’s, Slachting en De hongersnood. De titel van het verloren gegane reliëf Twee slaven die de keel doorsnijden van een jonge Romeinse toneelspeler wijst op een moedwillig pervers anticlassicisme. Zelfs in zijn poëtische momenten koos hij voor de donkere zijde van de romantiek: De stervende dichter en Ophelia op het moment van haar verdrinkingsdood vloeien moeiteloos over in het barbaarse geweld van Slachting, want ze tonen de dood als een laatste krachtsinspanning van het leven, een opflakkeren van woeste, ongerichte beweging.
Veel energie besteedde Préault aan het maken van grafmonumenten. Zijn meest gereproduceerde werk is een medaillon, dat oorspronkelijk voor een graftombe is gemaakt en later de titel De stilte meekreeg. Het tanige gezicht dat met half geloken ogen uit een omkransing van draperieën oprijst, een benige wijsvinger aan de lippen, is een bijna abstracte weergave van een kille gedachte. Leven noch dood, maar een ijzig visioen dat de bezoekers van de joodse begraafplaats op Père Lachaise doet verstarren.
Op een andere Parijse dodenakker, Montmartre, rust het gebeente van de O-Kee-Wee-Mee, de vrouw van opperhoofd Kleine Wolf. George Catlin, ontdekkingsreiziger en kunstenaar-entrepreneur, organiseerde in 1845 een expositie van Chippewa- en Iowa-indianen in Parijs. Het enthousiasme voor de nobele wilden, het equivalent van Homerus’ ongepolijste helden, was zo groot dat toen O-Kee-Wee-Mee stierf er een inschrijving werd gehouden in romantische kringen voor een grafmonument. Geëxpatrieerden waren toen al zeer in trek en menige traan werd geplengd bij de gedachte aan het ongelukkige kind van de wildernis dat zo ver van haar jachtvelden was gestorven, nota bene in de decadente hoofdstad van de gedegenereerde beschaving. ‘Aan de heer Préault is de opdracht verstrekt om het grafmonument te maken dat de beschaafde liefdadigheid opricht ter ere van deze arme indiaan’, snoof Le Charivari.
De bronzen buste van O-Kee-Wee-Mee is al lang niet meer op Montmartre te bewonderen, maar bevindt zich in een Normandisch museum. Op de tentoonstelling die het Van Gogh Museum heeft gewijd aan Préault is te constateren dat het blootstellen aan de elementen de squaw heeft beroofd van haar meeste opsmuk, maar dat haar edele gelaatstrekken wonderwel intact zijn gebleven.
Het grootste deel van Préaults oeuvre bestaat uit portretmedaillons. Van vele tientallen bekende en ooit bekende tijdgenoten legde hij de trekken in zijaanzicht vast. Sommigen van hen waren reeds lang overleden, en Préault portretteerde hen zoals hij ze zich graag herinnerde. Zo stelde hij voor eigen genoegen een nostalgisch pantheon samen van zijn vrienden, kennissen en helden uit de hoogtijdagen van de romantiek. De romantiek was op dat moment nog slechts een herinnering, geïdealiseerd door de desillusies van de opeenvolgende revoluties.
Erkenning kwam voor Préault pas na jaren van armoede, waarin hij wegens ruimtegebrek gipsen beelden had moeten stukslaan. Toen de romantiek eenmaal een afgesloten hoofdstuk was, kon hij zijn radicaal romantische sculpturen slijten aan de natie. Het nog altijd verontrustende, barbaarse Slachting werd in 1859 aangekocht; bij de eerste presentatie in 1834 werd het slechts toegelaten tot de Salontentoonstelling 'als een misdadiger aan de galg’ om het publiek en vooral jonge kunstenaars te tonen 'waartoe de waanzin van de rebellie’ kon leiden. Maar de 'geest van de natie’ was al uit de fles.