Kunst

De Romeinse Tate

Kunst Museo Montemartini

De beelden in het Romeinse museum Montemartini zijn op zich niet schokkend. Je zou de gehavende koppen van Julius Ceasar, Marcus Antonius, de muze Polyhymnia en tientallen minder bekende Romeinen op elke straathoek kunnen tegenkomen. Wat hen speciaal maakt is de context. Ze staan in de oude krachtcentrale Giovanni Montemartini, die ruim tien jaar geleden is omgebouwd tot een museum voor de beeldende kunst. Aanvankelijk was een en ander bedoeld als een tijdelijke tentoonstelling van restanten uit het Capitolijns Museum, maar het succes was dermate groot dat het tijdelijke rap voor het permanente werd verruild.

De Centrale Montemartini ligt in een voor Romeinse begrippen afgebladderde buurt, een paar honderd meter ten zuiden van de Piramide, aan de oever van de Tiber. Waar grote delen van de eeuwige stad ‘af’ zijn en verboden terrein zijn voor architecten, zeker voor moderne architecten, is hier nog van alles mogelijk. Het grotendeels braakliggende marktterrein, waar vroeger de groentehallen stonden, moet een Covent Garden-achtige wijk worden, ontworpen door Rem Koolhaas. Montemartini zelf zal binnen afzienbare tijd het oudste gebouw in de omgeving zijn. Het is een van de weinig overgebleven gebouwen in Rome die opgetrokken zijn in de Liberty-stijl, waar Benito Mussolini van hield. Het was een tijd waarin men nog moeite deed om gebouwen waar duizenden mensen het grootste deel van hun leven tegen hun zin doorbrengen zo mooi mogelijk te maken.

Een vervlogen ambacht, helaas.

Anders dan in Tate Modern, het voormalige Bankside Power Station dat van binnen uiteindelijk een gewoon museum geworden is (op de duizelingwekkende turbinehal na dan), zijn in de Centrale Montemartini de meeste fabrieksonderdelen, na te zijn schoongemaakt, nog gewoon aanwezig. De turbines, motoren, boilers, mobiele ladders en levensgrote schroevendraaiers vormen de achtergrond van de beelden en mozaïeken, voor het grootste deel stammend uit de tijd waarin de republiek overging in een keizerrijk. Het tweeduizend jaar oude materiaal is opgedoken in een andere overgangsperiode: de tijd waarin Rome zichzelf toegang verschafte tot de moderne tijd.

Eind negentiende, begin twintigste eeuw werden in de Italiaanse hoofdstad tal van brede wegen en tunnels aangelegd. De graafwerkzaamheden aan de Via del Corso leidden tot de vondst van een brok marmer waarin het gezicht van een stervende soldaat zichtbaar is, met vlak naast hem twee koppen van panters, een deel van het zadel waarop de ridder zetelde die hem had gedood. Het aanleggen van de Quirinale-tunnel werd een feest voor archeologen door de ontdekking van het huis van Fulvius Plautianus, compleet met standbeelden en een marmeren vloer.

De gedachte achter de tentoonstelling is om de grandeur van het antieke Rome te koppelen aan de eigentijdse grandeur van de Industriële Revolutie, die wordt gesymboliseerd door de eerste krachtcentrale van de stad. Het resultaat is even bizar als gedenkwaardig, een indruk die wordt versterkt door de industriële akoestiek in de vorm van een voortdurend gebrom op de achtergrond. Het bleek echter geen sfeerverhogende geluidsband te zijn of een unplugged optreden van Einstürzende Neubauten, maar de airconditioning.

Centrale Montemartini. Via Ostiense (metrostation Garbatella). Elke dag open behalve maandag