De ronkende kunstmotor

HET WAS EVEN zoeken in de New York Times. De recensie van de tentoonstelling bleek te staan in het Automobiles-supplement, de meest obscure van de twaalf zondagse bijlagen. Dat supplement bestaat grotendeels uit advertenties, en de artikelen gaan meestal over autoshows en testritten. Niet per se de plek waar de New Yorkse kunstliefhebber zoekt naar de bespreking van what’s hot in het Guggenheim. Maar ja, deze zomerexpositie heet dan ook The Art of the Motorcycle.

In het Guggenheim Museum staan 114 motoren tentoongesteld die tezamen een overzicht geven van de geschiedenis van de motorfiets. De beroemde rond- en aflopende galerij van Frank Lloyd Wright is voor de gelegenheid geheel bedekt met glimmende panelen van roestvrij staal door de architect Frank Gehry, die tevens de tentoonstelling zelf inrichtte.
Bij binnenkomst loop je op tegen de allereerste motor: een Franse vélocipède uit 1868, in feite een fiets met stoommotortje. Even verder staat de vervaarlijke Curtiss V8, die de maker Glenn Curtiss in 1907 met de onbegrijpelijke snelheid van 218 kilometer per uur de rapste man op aarde maakte. Twee verdiepingen hoger staat de enorme zwart-rode Indian Chief 1200 cc uit 1948, jarenlang de belangrijkste concurrent van de Harley Davidson, en die bovendien de Harley qua ontwerp en sex-appeal tot een kinderfietsje maakt. En natuurlijk is er een replica van de Easy Rider Chopper 1200 cc uit 1969, tank en helm in Amerikaanse-vlagmotief, met een eigen suppoost ernaast.
Na veel Japanse toermotoren, Britse choppers, Italiaanse racers en Duitse degelijkheid vind je aan het eind in gedimd licht een gloednieuwe, glanzende snelheidsduivel, de 1998 MV Augusta F4, topsnelheid 280 kilometer per uur, geleend van de Spaanse koning Carlos.
Voor de rest is het museum goeddeels leeg, de wanden wit, om de motoren des te beter te laten uitkomen. Onduidelijk is waarom hier wel een angstaanjagend groot portret van Arnold Schwarzenegger hangt. Ja, die zat ooit ook eens op een motor, in de film Terminator. Maar er zijn voor een Amerikaans museum toch wel aantrekkelijkere motorhelden te verzinnen. Dennis Hopper bijvoorbeeld, die de Harley met de eindeloze voorvork bereed in Easy Rider. Of desnoods Bruce Willis - ‘It’s a chopper baby’, zo verbeterde hij in Pulp Fiction heel cool zijn vriendin die het over een 'motorcycle’ had.
NIET TOEVALLIG valt de expositie samen met vijftigste verjaardag van Honda, de 75ste van BMW en het 95-jarig jubileum van Harley Davidson. De motor bestaat ruwweg honderd jaar. Een viering van het fenomeen motorfiets is dus gerechtvaardigd, en als compleet overzicht is de exercitie geslaagd.
De motor wordt gepresenteerd als een treffende metafoor voor de twintigste eeuw. De begeleidende brochures melden dat de bike symbool staat voor 'de geest van deze eeuw’: voor technologische ontwikkeling, snelheid, fantasie, gevaar, mobiliteit en vrijheid. De tentoonstelling is historisch opgedeeld in tijdvakken, die elk in kernwoorden op de wand zijn weergegeven om te laten zien hoe de ontwerpen uit die tijd sporen met de culturele en politieke ontwikkelingen. Over het tijdvak 1894-1919 staat te lezen: 'Jack London, Oktober Revolutie, New York City subway.’ Over 1946-1958: 'Elvis Presley, Lolita, MacDonald’s, suburbia.’ En 1993-1998 is zo samengevat: 'Hong Kong, Titanic, Bill Gates, Chicago Bulls, paparazzi.’
Dat de Times de tentoonstelling wel besprak maar niet op haar kunstpagina, was een opmaat voor een debatje dat de hele zomer zou doorsudderen in de kunstscene van Manhattan. Het draait om de vraag: waarom deze macho machines te kijk zetten in het pand dat gewoonlijk het werk van, zeg, Robert Rauschenberg, Claude Monet en Roy Lichtenstein huisvest? Oftewel, zoals de recensent van de Times zich afvroeg: 'But is it art?’
Museumdirecteur Thomas Krens vindt die vraag academisch. Hij heeft deze tentoonstelling zelf bedacht en georganiseerd, en viert zo zijn tienjarig jubileum als directeur. Krens rijdt BMW, en voorts probeert hij met succes een museum te runnen. Als je veel bezoekers trekt, goede omzet draait, en media-buzz creëert, zit je goed, vindt Krens.
De buzz was er vanaf de eerste dag. Maar de beste indicatie van zijn succes is dat de tentoonstelling zo'n vijfduizend mensen per dag trekt - dat is 45 procent meer dan gebruikelijk. Krens verwacht dat in totaal een half miljoen mensen zullen komen kijken naar de Ducati’s, de Triumphs en die ene Zundapp. Het maakt de tentoonstelling veruit de meest bezochte in het 61-jarige bestaan van het museum. De uiteindelijke winst wordt geschat op een miljoen dollar uit kaartverkoop en de bekende parafernalia die bij de onontkoombare giftshop te koop zijn. De chique uitgave van de catalogus kost 175 gulden.
Een en ander genereert ook weer sexy publiciteit voor de sponsors, die graag geld staken in Krens’ geesteskind. BMW is de hoofdsponsor, wat overigens niet leidde tot een overdaad van de Duitse machines. Ook Lufthansa en het hippe kledingmerk Banana Republic doneerden dollars aan het museum - Banana Republic meldt trots te zijn dat ze de motor, dat 'prominente culturele ikoon van onze tijd’ mag steunen. De machines zijn geleend van 54 verschillende musea en privé-verzamelaars.
MOOI TOCH, dat duizenden mensen nu hun weg naar dit museum vinden, terwijl het Guggenheim in de regel, net als ieder moderne-kunstmuseum, een wat elitaire uitstraling heeft? Brengt Krens zo niet de kunst naar de massa’s en de massa’s naar de kunst? Is er iets mis met het tonen van romantische gebruiksobjecten aan het brede publiek? Wie weet komen ze nog eens terug als het weer gewoon overwegend postmodern is wat de klok slaat in het Guggenheim.
Welnee, zeggen anderen, Krens’ motieven zijn geenszins idealistisch, hoogstens populistisch, en in ieder geval marktgericht. En dat leidt tot een verwoestende vulgarisatie van de kunst. Dat vindt bijvoorbeeld Jed Perl, criticus van het weekblad The New Republic. Hij pakte eind juli stevig uit in zijn column en noemde de tentoonstelling een 'nostalgische pop-orgie vermomd als een belangrijke artistieke verklaring’. Natuurlijk komt het publiek met horden tegelijk, maar wat zegt dat? Het leidt alleen maar tot een 'onverbiddelijke disneyficering van de verloren avant-garde’. 'Krens is de opgewekte, donkere profeet van het museologisch pragmatisme’, somberde Perl.
Hij vertolkte de mening van een flink deel van de culturele elite in New York. Zij vindt het maar niets, al die bebaarde Harley-mannen, mooiweerrijders, dagdromende vaders met hun zonen, getatoeëerde Honda-racers en gefascineerde dagjesmensen in haar eigen Guggenheim. Kunsthandelaar Stephen Matzoh, die veel vooraanstaande Amerikaanse kunstverzamelaars tot zijn klantenkring rekent, maakte geen geheim van zijn irritatie. 'Het Guggenheim kan nog meer mensen binnenhalen als ze busritjes vanuit Coney Island zouden aanbieden’, zei hij. In Coney Island, een wijk in Brooklyn, wonen veel zwarten, immigranten en arme blanke Amerikanen. White trash worden ze wel denigrerend genoemd. En ze rijden inderdaad vaak motor.
Motoren horen niet in het museum, vindt Matzoh. En de mensen die op de motoren afkomen, komen toch nooit meer terug naar het Guggenheim. Het is een veel gehoorde redenering: wie graag naar mooie Harleys kijkt, kan nooit óók geïnteresseerd zijn in bijvoorbeeld een overzicht van Chinese kunst, of in het werk van de Deense schilder Vilhelm Hammershíi (1864-1916), dat tegelijkertijd in een zijhal van het Guggenheim hangt.
Krens gelooft wél dat zulke interessen hand in hand kunnen gaan. Hij reageert koel op de kritiek en onderstreept dat er op de tentoonstelling nergens wordt beweerd dat motoren an sich kunst zijn. 'We zijn hier geïnteresseerd in de cultuur van de twintigste eeuw’, zei hij tegen de New York Times. 'Motoren bieden een rijk cultureel verhaal, en deze tentoonstelling is een serieuze poging om te kijken naar een ikoon van onze tijd.’