De roodbaarsvissers van enkhuizen

OP EEN VROEGE winterochtend is het aanzicht van Enkhuizen tot een prentenboek verstild. De wind doet het zeil van de plezierjachten langs de Dijk zachtjes flapperen; de koude trekt op uit de kinderkopjes.

Het loopt tegen half zes in de ochtend als in de kajuit van de EH 212 een lampje wordt aangeknipt. De prijs van de roodbaars ligt hoog genoeg om uit te varen. Boven de pondsprijs van twee gulden loont het de moeite de netten de halen.
‘Boet’ Mantel (34) en Pieter-Jan Bielsma (36) verkwisten weinig woorden voordat de kotter goed en wel naar buiten is. Nadat Pieter-Jan met een korte groet op zijn plek achter het stuurwiel is geklommen, navigeert hij de 212 eerst door de Krabbersgatsluizen, dan langs het Enkhuizerzand naar het vaarwater op het meer. Boet ontsteekt het fornuis en zet een ketel water op het vuur, naast de Tatjana-kalender, de enige decoratie in de kajuit. Even dommelt hij weg, de armen over de borst gevouwen.
Binnen een half uur heeft de 212 de eerste boei bereikt. Pieter-Jan schakelt terug, leidt de afstandsbediening van de motor naar buiten en hijst zich in zijn overall. Boet staat dan al in zijn laarzen, rechts op het dek voor de stuurhut. Pieter-Jans plek is links. Hij trekt de boel aan boord. Het echte werk kan beginnen.
Zolang er geen ijs ligt, werken de vissers van Enkhuizen het hele jaar door. Zeven van de acht kotters bestrijken het meer frequent, alleen de achtste geeft de voorkeur aan de Noordzeekust. De winter is een verre van bevredigende periode, en de dagen voor kerst zijn dit jaar ronduit mistroostig te noemen. De paling is weggekropen in de modder om zich tegen de kou te beschermen en komt pas volgend voorjaar weer te voorschijn. In matige want winterse hoeveelheden brengen spiering en bot nauwelijks geld op. En het stikt nu niet bepaald van de brasem, die vettige, okerbruine lelijkerd waar hengelsportverenigingen dol op zijn. Roodbaars ('rooie baars’), snoek en snoekbaars, dat is waar de vissers op hopen, en elke verdwaalde zalm is mooi meegenomen. Met zijn perzikkleurige vinnen is de rooie baars het elegantste exemplaar van alle schubvissen die zich in de netten vastzwemmen. Hij brengt ook het meeste geld op. Niet in Nederland, want hier wordt deze zoetwatervis zelden gegeten. In Zwitserland en Frankrijk staat hij geregeld op het menu. De wintervisserij produceert uitsluitend voor de export.
GISTEREN was het klote. Vandaag dreigt het ook klote te worden. Het loopt tegen negen uur en de eerste 4500 meter net druipen aan dek. Nog vijfeneenhalve kilometer te gaan. In een witte teil naast Boet ligt een dikke bot te stuiptrekken. De kist met roodbaars vult zich zo langzaam dat Pieter-Jan de lading alvast in de bun gooit, de ruimte onder het dek die een open verbinding met het water heeft. Zo zwemmen de baarzen met de kotter mee en komen ze spartelend vers aan land.
Pieter-Jan trekt met snelle handbewegingen de netten binnenboord, uur na uur, waarbij hij zich af en toe naar voren buigt om een ketting of een boei te pakken. Zijn werk is monotoon als de grijze, kabbelende golven van het IJsselmeer. In de verte is niets te zien, hoogstens de vage omtrek van een andere kotter, die bewegingloos aan de horizon plakt. Uit de speaker op het dek blèrt Radio Veronica.
De netten - warnetten in dit geval, vroeger het 'staande want’ - zijn ongeveer anderhalve meter diep en worden strak gehouden met loodjes. Er zit vaker rommel in dan vis. Algen, een krab, een stuk plastic, veel spiering. Pieter-Jan wringt de grootste vissen los, maar als was het lopende-bandwerk moet hij de netten in een stug tempo door blijven halen. Boet pakt ze op, hangt ze als een gordijn aan een stok en begint ze te ontwarren. Hij is degene die ervoor zorgt dat ze weer netjes worden opgestapeld. 'Kijk, een kip’, zegt hij met een aalscholver in zijn handen. 'Rotbeesten. Laat die milieujongens het maar niet horen, anders krijgen we ze op ons dak.’
Het is vandaag niet de eerste vogel. Duikeenden en aalscholvers hangen als warrige, verwaterde proppen tussen de mazen. Boet gooit ze met een harde smak in een kist. Wanneer en waar hij die gaat legen, wil hij niet zeggen. Hij grijnst en haalt de schouders op: 'Beroepsgeheim.’
Om half tien nemen Boet en Pieter-Jan een korte pauze. De koffie wordt rondgedeeld, de boterhamtrommeltjes gaan open. Pieter-Jan doet dit werk al zestien jaar, de schoolvakanties van vroeger niet meegerekend. 'En ik heb er nooit geen hekel aan gehad.’
Boet ging mee als jongetje van elf, twaalf. Van het een kwam het ander, je rolt er vanzelf in. Het liefst zit hij in de schuur de netten te boeten, radiootje erbij, want: 'Ik mag graag op m'n eentje werken.’
'Welnee’, zegt Pieter-Jan. ’t Is gewoon een koukleum.’
'Ach man’, zegt Boet. 'Dit is toch hoerenwerk.’
DE PALING IS een favoriet gespreksonderwerp van Boet en Pieter-Jan. Het afgelopen jaar zijn ze ieder afzonderlijk in Schotland gaan palingvissen, met houten bootjes op een meer, een fuikenexperiment van een buitenlandse handelaar. Natuurlijk gingen ze in de eerste plaats om extra centen te verdienen, maar ze zijn het er wel over eens: palingvissen is het mooist. Fuiken aanpalen is prachtig werk. En alleen met de paling komt het geld vlot binnen.
Vroeger was de palinghandel een geheimzinnig gebeuren. De fuikvissers konden de vangst direct kwijt aan hun vaste afnemers, exporteurs in Friesland. De visafslag bleef buiten spel.
De glasaal zelf is een mysterie. Na de terugloop in de jaren tachtig hebben biologen vergeefs geprobeerd de aard van het beestje te doorgronden. De glasaal heeft acht jaar nodig om volwassen te worden en verstopt zich in de tussentijd, al naar gelang het seizoen. Vanuit de Atlantische Oceaan trekken de jonkies naar zoet binnenwater, wat het IJsselmeer betreft via Kornwerderzand en Den Oever, een inlaat in de Afsluitdijk. Helaas hebben Spanje en Frankrijk de glasaal als delicatesse ontdekt, en wordt er in China en Japan steeds meer voor betaald vanwege de heersende schaarste. De prijs kan gemakkelijk duizend gulden de kilo belopen.
Bij het woord 'viskwekerij’ trekt Boet een vies gezicht, want dat is spreken van concurrentievervalsing. Uit principe heeft hij nog nooit kweekaal geproefd. Dat is overigens nauwelijks een prestatie te noemen, want Boet is geen viseter. De paling, van oorsprong een tropische vis, heeft het graag warm en bereikt in een kunstmatige omgeving de volwassenheid binnen enkele maanden. Daarbij worden viskwekers ook nog eens gesubsidieerd. 'Da’s toch oneerlijk? Het is net als met de boeren. Als hun oogst mislukt, krijgen ze geld. En wij, wij krijgen nooit niks.’
Een voordeel van de binnenvisserij is dat de vangst altijd 'los’ gaat. IJsselmeervissers krijgen geen vangstquota opgelegd: wat gehaald wordt, mag verkocht worden. De AID, de inspectiedienst, heeft zich dit jaar niet laten zien. Te druk met de varkenspest.
IN DE HAL van de Enkhuizer visafslag slepen Boet en Pieter-Jan hun kisten gejaagd naar de weegschaal. De bemanning van de andere uitgevaren kotter zit al op de fiets, terug naar huis. Na elf uur werken is de opbrengst teleurstellend. Twee kisten witvis, negentig pond brasem, twintig pond bot, en anderhalve kist rooie baars. Gelukkig doet de baars Ÿ3,65 het pond, maar de totale besomming is waarschijnlijk niet voldoende om de verbruikte dieselolie te bekostigen.
Pieter-Jan: ’t Is bedroefd!’