Wie neemt het op voor de liberale democratie?

De rot zit aan de buitenkant

Nieuwe golven van maatschappelijke onvrede en een nieuwe lichting antiliberale leiders hebben de liberale democratie tot een bedreigde soort gemaakt, met Noord-West-Europa als een van haar laatste reservaten. Wat mist zijn de politieke leiders die het ideaal levend houden.

Het Britse Lagerhuis, 16 januari. Jeremy Corbyn (boven links) luistert naar premier May voor het debat over de motie van wantrouwen tegen haar © Jessica TAYLOR / UK PARLIAMENT / AFP / ANP

Wat is democratie? Nieuwe antwoorden op die eeuwige vraag zijn een kracht die de geschiedenis voortstuwt. ‘Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen en niet van enkelen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen en de publieke opinie eert een ieder die zich door iets onderscheidt in het openbare leven boven anderen, niet om de klasse waartoe hij behoort, maar om zijn waarde alleen’, zo omschreef de Griekse staatsman Pericles in 431 het Athene waarover hij heerste. Gelijkheid voor de wet en meritocratie waren volgens hem wezenskenmerken van democratie.

Op 21 januari 1793, in een volgepakte manege in Parijs die dienst deed als politieke vergaderzaal, omschreef de Marquis de Condorcet het directe doel van de revolutie als het vestigen van een grondwet ‘gebaseerd op rede en rechtvaardigheid’. De constitutie moest iedere burger rechten garanderen en ‘de wil van het individu onderwerpen aan collectieve wil’. Op die manier kon volgens De Condorcet de ‘soevereiniteit van het volk’, ‘gelijkheid tussen man en man’ en ‘het uitoefenen van natuurlijke rechten’ voor een nieuw Frankrijk worden veiliggesteld. Daarmee legde hij een ander accent in het denken over democratie: het idee van een collectieve volkswens die bestuurlijk tot uitdrukking moet worden gebracht (wat die volkswil precies is, hoe die te lezen, en vervolgens te laten gelden werd een splijtzwam onder de revolutionairen en een belangrijke reden waarom de revolutie omsloeg in terreur).

Tegen de tijd dat Europa zich overgaf aan het grote democratische experiment was de nieuwe wereld al een kwart eeuw bezig. Kolonisten in Amerika konden in 1776 voor twee shilling een anoniem pamflet kopen geschreven ‘door een Engelsman’ met de titel Common Sense. Het drukwerk – waarvan Thomas Paine de auteur was – pleitte voor een eenvoudig bestuursmodel met breed kiesrecht, een regering met één Kamer en regelmatige verkiezingen. Dit ging gepaard met commercie. Amerika moest een ‘vrije haven’ worden en ‘handel zou haar bescherming zijn’, dacht Paine. Het mes sneed aan twee kanten. Handel moest beschaafde omgangsvormen tussen mensen en naties tot stand brengen en macht van overheden beteugelen.

Paine’s voorstellen voor een simpele overheid legden het uiteindelijk af tegen een ingewikkelder model met een beperkter kiesrecht dat de Founding Fathers optuigden, maar zijn geloof in een vrije markt als onderdeel van democratische vrijheden werd blijvend onderdeel van de invulling van democratie.

Het is verleidelijk de historische democratieën te roemen als voorlopers van het heden, en daarbij uit het oog te verliezen dat de democratische ervaring in het verleden in veel gevallen los stond van de ideeën die er over democratie werden geformuleerd. Athene sloot vrouwen uit van de politiek en de stadstaat liet haar publieke diensten uitvoeren door slaven. Amerika werd geboren in een kloof tussen woord en daad, met een omvangrijk deel van de bevolking voor wie het idee van door de Schepper gegeven onvervreemdbare rechten niet eens abstractie was, maar een actief ontkende realiteit.

Dat bijna 250.000 katholieke boeren in de Vendée hun steun aan de monarchie moesten bekopen met de dood door toedoen van revolutionaire troepen uit Parijs was evenmin een toonbeeld van fraternité. ‘De Franse Revolutie produceerde een nieuw begrip van democratie’, schrijft de historicus James Miller in Can Democracy Work: A Short History of a Radical Idea from Ancient Athens to the Present. ‘En een slachting op grote schaal.’

De reden om de geschiedenis van de democratie in ogenschouw te nemen, zoals Miller doet, is dan ook niet om onomstotelijk bewijs te vinden voor haar waarde, maar om haar tegenstrijdigheden bloot te leggen. Iedere figuur van politiek-historische betekenis is een belichaming van de democratische onvolkomenheden van zijn tijd. Dat het Athene van Pericles in moderne tijden is afgeschilderd als een succesvol voorbeeld van politieke organisatie werd door zijn tijdgenoten niet zo gezien. De geschiedschrijver Thucydides zag in Athene geen democratie, maar een roerige, wispelturige massa, enkel in toom gehouden door een voorbeeldig leider. Athene, vond hij, werd geleid niet door het volk, maar door haar voornaamste burger, de eerste onder de gelijken.

Zo bezien leert de geschiedenis van de democratie weinig anders dan dat het publieke denken over democratie, haar kenmerken, haar waarde en haar bestaansrecht gelijk op ging met strijd om de invulling ervan. Wat historische democraten als Pericles, De Condorcet en de Founding Fathers met elkaar verbindt is dat ze een dubbelrol vervulden: ze dachten na over wat democratie betekent, legden hun ideeën daarover voor aan de gemeenschap en waren tegelijk uitvoerder. Bestuur en ideeënvorming gingen hand in hand. En dat brengt ons naar deze tijd, waarin de verbintenis tussen denken en besturen lijkt te zijn doorbroken, in ieder geval wat betreft één deel van het politieke spectrum.

Ook nu leven we in een tijd van strijd om de democratie. Sinds het begin van deze eeuw heeft zich in verschillende landen een vorm van democratie gemanifesteerd die afwijkt van de westerse liberale norm. Waar de liberale democratie draait om machtsbeperking, universele rechten en onafhankelijke instituties zoals rechtspraak en vrije pers gaat haar spiegelbeeld, de ‘illiberale democratie’, over de leider, de cultuur van de meerderheid en dienstbaarheid van de instituties aan de macht. Waar de liberale democratie vertrekt bij het individu dat de ruimte krijgt om te leven zoals het hem goeddunkt binnen de kaders van de wet is het uitgangspunt van de illiberale democratie een collectief dat beschermd moet worden tegen invloeden van buitenaf en aaneengesmeed moet worden tot één politiek lichaam zonder dissonanten.

De Hongaarse premier Viktor Orbán verwoordde dit in een toespraak in 2014. ‘De Hongaarse natie is niet simpelweg een groep individuen, maar een gemeenschap die moet worden georganiseerd, versterkt en in wezen moet worden geconstrueerd’, zei hij. ‘In die zin is de nieuwe staat die we construeren in Hongarije een illiberale staat, een niet-liberale staat.’ Dat betekende volgens Orbán niet dat vrijheid werd afgewezen, maar dat het liberale principe niet het uitgangspunt vormde voor de organisatie van de staat. In plaats daarvan had Hongarije volgens Orbán een ‘nationale aanpak’.

Bestaansonzekerheid en een krimpende horizon zijn belangrijke redenen waarom kiezers zich van de liberale democratie afkeren

Kijk met deze blik naar de wereld, en de illiberale democratieën zijn overal aan te wijzen. Het Turkije van Erdogan valt onder deze noemer, net als het India van Narendra Modi die hindoe-nationalisme verkiest boven de pluralistische, seculiere politiek die sinds de onafhankelijkheid de dominante norm was. In Rusland boogt Vladimir Poetin op het idee van een nationale, geconstrueerde gemeenschap waarvan hijzelf de politieke belichaming is. Donald Trump, hoe weinig gearticuleerd zijn idee over Amerika ook is, voegt zich naar dit voorbeeld. In Brazilië is Jair Bolsonaro een recente toevoeging aan deze club illiberale democratieën. Wat deze leiders bindt, is een minachting voor onafhankelijke instituties en machtsbeperking.
Binnen de politieke wetenschap is een discussie gaande of ‘democratie’ wel in verband moet worden gebracht met deze autoritaire leiders. Jan-Werner Müller, hoogleraar aan Princeton University en auteur van verschillende boeken over populisme, pleit voor terughoudendheid in het gebruiken van het label ‘democratie’ voor regeringen die niet ook het liberale gedachtegoed omarmen. Volgens Müller krijgen ze daarmee een compliment dat ze niet verdienen. Een land als Hongarije, zo meent hij, tooit zich met de veren van populaire steun terwijl de democratie juist wordt ontmanteld.

Worden vorm en inhoud hier vermengd? ‘Democratie heeft zoveel prestige dat we de slechte gewoonte hebben ontwikkeld om alles wat we waardevol vinden dat begrip binnen te smokkelen’, schrijft politiek wetenschapper Yascha Mounk in zijn boek The People versus Democracy: Why Our Freedom Is in Danger and How to Save it. Vrijheid van meningsuiting, inspraak, rechten voor minderheden: het zijn allemaal voorbeelden van begrippen die impliciet verbonden zijn geraakt met democratie. Maar zoals Mounk terecht opmerkt, behoren die niet tot wat democratie in de kern is: ‘een set bindende instituties, die ervoor zorgen dat de mening van het volk wordt vertaald in beleid’. Yascha Mounk is het dan ook oneens met Müllers ‘democratisch compliment’-theorie.

Dit verschil van mening duidt erop dat op de politiek dezelfde kwalificatie past als die Ludwig Wittgenstein gaf aan morele vraagstukken. ‘Ethiek, in zoverre het ontspringt aan het verlangen iets te zeggen over de ultieme zin van het leven, het absolute goede, de absolute waarde, kan geen wetenschap zijn’, vond de filosoof. In andere woorden: het ultieme gelijk over democratie kan niet aan de hand van objectieve, meetbare criteria worden vastgelegd. En waar de onafhankelijke toetssteen ontbreekt, rest enkel het domein van politieke strijd.

Ook binnen liberale democratieën wordt momenteel een conflict uitgevochten over wat deze vorm van politiek nu precies moet zijn. Groot-Brittannië voelt op dit moment de schokken van democratische verschuivingen. Het startschot voor Brexit, tweeënhalf jaar geleden, was de strategische opvatting dat een referendum de manier was om de mening van het volk over een slepende kwestie te vorsen en die voorgoed te beslechten. Wat volgde was verwarring en conflict met als resultaat een impasse waarbij Brexit terugdraaien of een ‘no-deal’ de enige keuzes lijken te zijn. Binnen het raamwerk van de Britse en de Europese democratie blijken er in de praktijk geen andere mogelijkheden te bestaan.
In Frankrijk werd de boosheid van de gele hesjes uitgelokt door een brandstofaccijns, maar het is een dieper misnoegen over de democratie die tot uitbarsting is gekomen. Achter de protesten schuilt een roep om een democratie die werkt voor het soort mensen dat zich met de gele hesjes tooit: een systeem dat voldoende baan- en -inkomenszekerheid levert om vertrouwen te houden in de toekomst. Dat is de mening van dit deel van het volk, waar het aan schort is het beleid om aan die wens te voldoen.

In een zeker opzicht zouden Pericles, De Condorcet en Paine deze tijd herkennen: roerige meutes in de straten en autocratisch leiderschap in de wereld om ons heen. Voor deze historische democraten was precies dat een aansporing om scherp en helder te benoemen wat een democratie is. Wat ontbreekt op dit moment is hun evenknie: leiders die hun invloed aanwenden op basis van gearticuleerde overtuigingen over welke vorm van democratie het waard is om voor te strijden. Wat de wereld biedt, is aan de ene kant illiberale voormannen die hun kijk op de democratie inzetten ter bestendiging van persoonlijke macht en belangen. Het slinkende gezelschap liberale leiders stelt daar geen wervende ideeën over de democratie tegenover.

De Brexit-chaos is een direct gevolg van dit gemis. Dat de Britten zich in de hoek hebben geschilderd is vooral een gevolg van een politieke klasse met onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef. Van David Cameron die het referendum uitschreef om roerige partijgenoten de mond te snoeren tot Boris -Johnson die met alle winden mee waait: Groot-Brittannië wordt geleid door politici die zich, zoals Pankaj Mishra het omschreef in een vlammend opiniestuk in The New York Times, gedragen als ‘eeuwige schooljongens’. Ze zijn er niet van doordrongen dat hun handelingen ingrijpende consequenties hebben omdat ze zelf niet in de hoek zitten waar de klappen vallen. ‘Leugenachtige, intellectueel beperkte ritselaars’, aldus Mishra.
Nu is het verwijt dat politici met gespleten tong spreken net zo sleets als dat het waar is, maar wat betreft de intellectuele beperking raakt Mishra een cruciaal punt. Wat hij de -Britse -politieke klasse vooral verwijt is gebrek aan nadenken. Wat betekent het om een referendum uit te schrijven? Is dat een goede graadmeter van wat de Britten willen, en waarom? En Brexit, wat betekent dat eigenlijk? Niet alleen in praktische zin, maar ook in ideologische? Wat is de politieke identiteit van Groot-Brittannië buiten de EU? ‘Take back control’ en fantasieën over ‘empire 2.0’ zeggen iets over hoe Groot–Brittannië in de wereld wil staan maar weinig over hoe volk en bestuurders zich tot elkaar moeten verhouden.

Mishra’s verwijt van intellectuele schraalheid kun je doortrekken naar de rest van Europa. Frankrijk is ‘en marche’, maar waar naartoe is onduidelijk en inmiddels is Macron tegen een wegblokkade aan gelopen. Bij de vorige landelijke verkiezingen in Nederland schreef vrijwel iedere lijsttrekker een boek. Wie hoopte op een ideeënfestijn kwam van een koude kermis thuis. Zonder uitzondering waren het pamfletten die vooral gingen over de persoonlijke keuze om de politiek in te gaan. Zo druk waren de lijsttrekkers bezig met het rechtvaardigen van hun eigen politieke carrière dat nadenken over wat een functionerende, rechtvaardige democratie is erbij inschoot. Sindsdien is deze bloedarmoede niet minder geworden. Nieuwe leiders krijgen hun functie op basis van verdiensten voor de partij. Nederland als een breekbaar vaasje dat we met zeventien miljoen mensen vasthouden, is een krukkige metafoor, geen visie op de democratie aan het begin van de 21ste eeuw. Zo laat de liberale democratische elite het afweten om dit politieke ideaal levend te houden.

Dat geldt in het bijzonder voor de Verenigde Staten, de afgelopen halve eeuw de dikste steunpilaar van de liberale wereldorde. In 2016 bestempelde The Economist in zijn jaarlijkse index de Verenigde Staten voor het eerst als een ‘gebrekkige democratie’. De reden hiervoor was het extreem lage vertrouwen in gekozen politici, politieke partijen en de overheid. Het politieke vertrouwen zakte verder weg in de Obama-jaren, een tijd waarin op de puinhopen van de crisis juist nieuw vertrouwen gewonnen had moeten worden.

Terecht constateerde het Britse tijdschrift dat Trump een gevolg was van de democratische crisis, geen oorzaak. ‘Door in te spelen op een diepe ontgoocheling over het functioneren van de democratie werd Trump de begunstigde van de laatdunkendheid waarmee de Amerikaanse kiezers over hun overheid denken’, schreef het blad. In Europa ontwaarde The Economist een ‘vergelijkbaar patroon van dalend algemeen vertrouwen in politieke elites en instituties’. Groot-Brittannië was de meest opvallende vertegenwoordiger van deze trend.

Marseille, 5 januari. Demonstratie tegen de regering © BORIS HORVAT / AFP / ANP
Een democratie kan niet voortbestaan zonder een elite die bereid is om het voor haar op te nemen

Bestaansonzekerheid en een krimpende horizon zijn belangrijke redenen waarom kiezers zich van de liberale democratie afkeren. Op dit moment zijn de Verenigde Staten een van de weinige democratieën waar de levensverwachting daalt. Het nationale minimumloon, gecorrigeerd voor inflatie, ligt nu lager dan tien jaar geleden. Thomas Mann, in de VS beland op de vlucht voor het nazisme, gaf in 1938 een serie lezingen getiteld The Coming Victory of Democracy. De reden waarom de democratie aan het langste eind zou trekken was volgens Mann dat democratie, anders dan de andere grote ideologieën van de twintigste eeuw, de waardigheid van ieder afzonderlijk individu voorop stelde. Aan die standaard weten de VS niet langer te voldoen. De democratische neergang, bespoedigd door een autoritaire leider als Trump, is het resultaat.

Manns voorspelling kwam destijds uit. Democratie trók aan het langste eind. 1945 was een nieuw jaar nul voor de liberale democratie waarbij de grote beweging deze was: grote maatschappelijke verandering na de Tweede Wereldoorlog werd alom ervaren als vooruitgang. Politieke gelijkheid nam toe. Burgerrechten werden in toenemende mate verleend aan groepen die ervan verstoken waren. Een nieuw soort regime betekende in de meeste gevallen het inruilen van dictatuur voor democratie. De tweede helft van de twintigste eeuw was natuurlijk allesbehalve vrij van onzekerheid en verdriet in individuele levens, maar de collectieve optelsom viel telkens beter uit.

Ook in sociaal-economisch opzicht ging het steeds beter. Gemeten naar het aandeel in de economie dat aan de rijkste één procent toeviel, bereikten westerse democratieën het toppunt van gelijkheid in de periode 1970-2000. De VS noteerden de smalste inkomenskloof in 1973, het Verenigd Koninkrijk in 1978. Voor continentaal West-Europa kwam dat moment halverwege de jaren negentig; 1993 was het Nederlandse piekjaar van gelijkheid. Het aantal Nederlanders dat zich tevreden toonde over de wijze waarop democratie functioneert bereikte in dat jaar met zeventig procent een recordhoogte.

Zo bezien kwamen in de tweede helft van de twintigste eeuw de verschillende episodes uit de geschiedenis van de democratie bij elkaar: democratie als gelijkheidsmodel, als waarborg voor rechten en als uitdrukking van algemene wil. Op al die punten benaderde de praktijk het ideaal dichter dan ooit. Het was een moment van balans, voordat een nieuw tijdperk van democratische onrust aanbrak. Met het ineenstorten van het communisme als laatste grote tegenstrever kon de liberale democratie als eindstation van de geschiedenis worden aangemerkt.

Dat het verdere verloop van de geschiedenis anders is uitgepakt, hoeft nauwelijks meer te worden uitgelegd. Nieuwe golven van maatschappelijke onvrede, het onvermogen om vast te houden aan economische gelijkheid – zowel binnen als tussen generaties – en een nieuwe lichting antiliberale leiders hebben de liberale democratie tot een bedreigde soort gemaakt, met Noord-West-Europa als een van haar laatste reservaten. Wat mist zijn de politieke leiders die het als hun levenstaak zien om de liberale democratie te beschermen en te verkopen aan kiezers als de beste keuze die een politieke gemeenschap kan maken. Journalistiek en wetenschap hebben zich de afgelopen tijd uitgeput om de aanval op de democratie te beschrijven. Wat ook nodig is een analyse van de zwakke verdediging.

Hier wreekt zich gemakzucht. De aanname dat de liberale democratie een onweersproken, algemeen geaccepteerd uitgangspunt was doofde de noodzaak tot nadenken over haar merites en haar tekortkomingen. Tevredenheid maakte lui. James Miller citeert in Can Democracy Work? de Amerikaanse filosoof David Estlund die constateert dat we te weinig eisen zijn gaan stellen aan de liberale democratie. Op ieder moment in de geschiedenis had de democratie voorvechters die wisten te formuleren wat Estlund een ‘aspirationele theorie’ noemt. De praktijk schoot in de regel te kort, maar dat was precies de reden waarom er bereidheid was om voor de democratie te strijden in plaats van te verwachten dat de geschiedenis vanzelf wel haar kant op zou buigen.

Dit gemis is pijnlijk voelbaar nu de liberale democratie in de verdrukking zit. De politieke verbeeldingskracht die nodig is om massa’s te mobiliseren is vooral te vinden aan de illiberale kant van het politieke spectrum. Wat de liberale democratie nodig heeft zijn leiders die bereid zijn opnieuw te formuleren wat burgers van een liberale democratie mogen verwachten. Dat betekent dat het liberaal-democratisch project een stap verder moet gaan dan het optuigen en in stand houden van wetten en instituties die individuele vrijheid beschermen. Liberaal-democraten moeten beseffen dat hun invulling van democratie een ideologische keuze ten opzichte van andere vormen van democratische politiek is en permanent moet worden bevochten op natuurlijk wantrouwen van kiezers.

Een vorige generatie democraten was hiervan doordrongen. ‘De beste wetten en meest uitgedachte democratische mechanismen zullen op zichzelf nooit een rechtsorde, vrijheid of mensenrechten garanderen’, schreef de Tsjechische staatsman en schrijver Vaclav Havel in een essay in 1991. Wil een democratische rechtsstaat bestaan, dan moet die technisch in orde zijn, maar ook ‘humaan, moreel, intellectueel en cultureel’ zijn. Dat zachte gezicht van de liberale democratie moet worden gevormd door leiders. ‘De sluimerende goede wil in mensen moet worden wakkergeschud. Mensen moeten horen dat het zin heeft om je behoorlijk te gedragen, anderen te helpen, het algemeen belang boven dat van zichzelf te stellen’, aldus Havel. Hij noemde dit de ‘elementaire regels van het menselijk samenleven’. Dat soort regels zijn hol zonder een klasse om ze te formuleren en voor te leven.

Havel legde daarmee de verborgen constante in de geschiedenis van de democratie bloot: een democratie kan niet voortbestaan zonder een elite die bereid is om het voor haar op te nemen. Er is geen externe moraal, geen historische noodzaak, geen goddelijk doel waar de liberale democratie haar bestaansrecht aan kan ontlenen. Dat is de grote paradox: liberale democratie vraagt om sterk leiderschap.

De democratie heet in crisis te zijn, maar wat werkelijk in crisis is, is het vertrouwen in democratische leiders. The Economist merkte de Verenigde Staten aan als ‘gebrekkige democratie’ niet vanwege onvoldoende publiek vertrouwen in haar instituties, maar teleurstelling in de mannen en vrouwen die haar bevolken. De onderzoeken die het scp doet in Nederland laten consequent hetzelfde beeld zien: het vertrouwen in de democratie is vele malen groter dan het vertrouwen in politici. De rot zit niet van binnen, maar aan de buitenkant. De woede en afkeer die nu het debat bepalen zijn een reactie op het doffe aangezicht van de liberale democratie. Hoopvol is dat die kan worden weggeveegd, als een laag stof van een oude spiegel. Daaronder schittert nog altijd een helder ideaal.


Casper Thomas publiceerde eind vorig jaar De autoritaire verleiding: De opmars van de anti-liberale wereldorde (Atlas Contact, € 21,99)