Het Migrantenmuseum

De rots

In het dorp wachtte men op die ene befaamde imam. Een imam van wie men niet wist waar hij vertoefde. De burgemeester van het dorp had hem een brief geschreven met de smeekbede om hun dorp te komen redden. Maar de imam zou in die dagen in de steppen kunnen wandelen, of in de bergen in het oosten op zoek kunnen zijn naar God of in het westen naar de golven van de zee kunnen luisteren in de hoop daarin een boodschap van de schepper te horen. Het was zeer lovenswaardig dat de imam van de ene woestijn naar de andere trok om zijn ziel aan God te schenken, bergen verzette voor datzelfde doel en naar het water van de rivieren luisterde, maar het geduld van de dorpelingen raakte wel op.
Op de zoveelste zonnige dag van 1972 verscheen eindelijk een lange man in de verte. Op de bebaarde, dunne gezichten van de mannen waren de ogen zo groot als hertenogen. Ze weerkaatsten het licht van de verlossing. De tepels van de vrouwen werden groter van opwinding. De kinderen plasten in hun broek door de angst voor de heilige.
Het kleine punt in de verte werd groter. De man liep zo krom dat hij langzaam van een punt een komma werd. Even later begonnen de dorpelingen de man te herkennen. Ze wilden het eerst niet geloven, hun hersenen verzetten zich tegen dit verachtelijke feit. Maar toen de reiziger de twee koffers naast zich liet neerploffen, zuchtte van vermoeidheid en de dorpelingen met een hatelijke grijns in de ogen keek, konden de verzamelde mensen niets anders doen dan in hun lot berusten. Ze dropen af. De enigen die de nieuwe man omhelsden waren diens vader en moeder.
Die nacht schold iedereen in het dorp, behalve zijn eigen vader en moeder natuurlijk, op Muhlis. Terwijl ze op de imam wachtten was die oen gekomen. Velen hadden liever gehad dat Muhlis was doodgegaan in Duitsland. De enige drie blije mensen van het dorp begonnen in hun huis te praten die avond. De vader vroeg: ‘Hoe is het daar in Duitsland, Muhlis?’ De jongeman antwoordde: ‘Niet zo goed vader. Het regent er de hele tijd. Ik word er ziek van. Trouwens, ik werk in Nederland, niet in Duitsland.’
Zijn moeder zei: ‘Wat wil een mens anders dan regen? Hier bij ons heeft het al vijf maanden niet geregend. De dieren zijn broodmager geworden. Als het nog een paar weken niet regent is het gedaan met dit dorp. Wat een goed land, dat Duitsland.’
Muhlis zei, enigszins geïrriteerd: ‘Ik werk in Nederland, niet in Duitsland! En het is helemaal niet zo goed dat het de hele tijd regent. Geloof me, mensen zijn als tomaten. Als de zon erop schijnt, bloeien ze, worden ze rood en zijn ze gelukkig. De regen maakt mensen ziek.’
Zijn vader schudde wijs het hoofd, het licht van de gaslamp aan de muur danste als de dikke geest in de lamp en de moeder dacht: helemaal naar Duitsland gereisd, die zoon van me, maar nog steeds niet geleerd dat de regen goed is.
Het dorp dommelde in, de wolken stapelden zich wederom niet op boven het dorp. Niet dat iemand dat verwachtte. Want in plaats van de imam was die malloot van een Duitslandganger gekomen.
Een jonge dorpeling heeft in de tweede week van zijn verblijf de afbeelding van Muhlis op een rots getekend. Muhlis kijkt naar de zon boven zijn hoofd en grijnst daar op de rots.
Eerst ging Muhlis weg. In de tweede week van de verzengende augustusmaand verliet de rest het dorp. Maar voordat ze weggingen bekogelden ze de tekening van Muhlis, ze stenigden en bespuugden hem.
Wij van het migrantenmuseum hebben een foto gemaakt van de krassen op de rots en die in het museum gezet. We gingen ook op zoek naar Muhlis, maar konden hem niet vinden. Mocht je dit lezen Muhlis, ben je onderweg naar het dorp de imam tegengekomen die het met zijn gebed zou laten regenen? Heb jij hem, zoals de dorpelingen altijd hebben volgehouden, voor een paar weken zon op je vakantie aangevallen en met dreigementen teruggestuurd naar de zeeën, de rivieren, de woestijnen, de steppen?