Lofrede - Het volk Armando

De rots die niemand naast zich duldt

Wat zou er gebeuren als er van de wereld niets anders zou overblijven dan de werken van Armando als getuigenissen van een verloren beschaving?

Medium armando 2c seestu cc 88ck 2c 13 11 12

‘Een tekst van Armando is, net als zijn schilderijen, van mijlenver herkenbaar.’ Deze woorden van Gertjan van Schoonhoven stonden twintig jaar geleden in NRC Handelsblad. Ik citeer ze, omdat het waar is. Het prachtig vergeelde artikel – de NRC was toen nog een echte krant, geen tabloid – vond ik opgevouwen in een van de vele boeken van Armando die ik bezit, Voorvallen in de wildernis uit 1994. Vijf kolommen breed was het stuk, met over drie kolommen een foto van Wim Hendriks die meer op een romantisch schilderij leek dan op een gelijkend portret. De dichter is genomen, zoals dat heet, hij heeft niet geposeerd, de priemende, argwanende, afwachtende, altijd gereserveerde ogen die in zijn andere portretten overheersen zijn hier onzichtbaar, door de lichtval zijn ze verborgen, het lijkt alsof de dichterschilder een masker op heeft, er is geen pose die iets bedoelt. Hij steekt een sigaret op, wat witte vegen aan de rechterkant van zijn zoals altijd zorgvuldig gekapte hoofd moeten van die sigaret afkomstig zijn, zij zijn het die voor het romantische element zorgen.

Het is een beeld waar ik lang naar kan kijken. Ik ken veel Armando’s, een dichter, een schrijver, een tekenaar, een schilder, een komiek, een Stehgeiger, een voorlezer, een vriend, soms heb ik wel eens gedacht dat Armando een volk is, en zoals dat gaat met merkwaardige gedachtes, deze is de laatste dagen met me op de loop gegaan. Dat gebeurt dan in mijn geval met een dromerige sequentie van denken waarin een absurde wending tot een uiterste wordt doorgevoerd. Wat, dacht ik, zou er gebeuren als er van de wereld die wij kennen vrijwel niets meer zou overblijven dan het werk, de tekeningen, beeldhouwwerken, schilderijen, gedichten en teksten van Armando als getuigenissen van een verloren beschaving?

Een absurde gedachte, ik geef het toe, maar probeer er even in mee te gaan, soms kom je zo ergens waar je nog nooit geweest bent. Wat zouden degenen denken die dat allemaal ergens aantroffen? Zij zouden gestaltes vinden, beelden zonder rechterarm, wielen, wagens, ladders, kelken, vazen en koppen met een dusdanig ruw oppervlak dat het zou lijken alsof ze een eeuwigheid in het duister van de aarde hadden doorgebracht en pas onlangs waren opgegraven, de vinders zouden moeten filosoferen over licht en donker, en daardoor misschien over goed en kwaad, zij zouden speculeren over wat voor beschaving het was geweest die deze anonieme resten had achtergelaten, zij zouden vaandels of vlaggen vinden die op bijlen leken, zij zouden proberen de teksten te ontcijferen als een palimpsest, zij zouden niet ongevoelig zijn voor de pathos van deze voorwerpen, maar er ook een nadenken over macht en geweld in proeven, een denken over gevaar en heimwee proberen te duiden, zij zouden van de teksten weer teruggaan naar de beelden en omgekeerd, woorden noteren als slagorde, kamp, huursoldaat, slachtoffer en dader, over de schuld van landschappen en de strijd tussen de snelheid van de tijd en de gevaarlijke traagheid van de herinnering, over het geheim van de stilte na een oorlog.

Misschien zouden ze ook ademnood krijgen en naar een uitgang zoeken omdat het allemaal te veel werd en dan toch terugkeren en horen dat de hoge mythische toon ook afstand van zichzelf kon nemen, dat er een ingehouden vorm van lachen en mededogen aan de orde kon zijn waardoor je weer kon ademen en vooral ook zien dat hier iemand was die oneindig scherp naar zijn wereld en het lot van de anderen en hemzelf daarin had gekeken en haar stoïsch had verdragen en misschien zelfs bemind, wie zal het zeggen.

Beelden had hij achtergelaten die van oneindig fijne lijnen naar het diepste zwart van dik aangebrachte verf gingen waarin je de draaikolken van een boosaardige wereld kon zien, van een brandende explosie van rood, het raadsel van vlaggen zonder menigte en zonder gebouw en vaandels zonder leger, ladders waar nooit iemand op zou klimmen en wielen die nooit ergens heen zouden rijden en die dus iets anders wilden zeggen, iets wat uit het diepst van een herinnering stamde of een toekomst voorspelde die de man die deze beelden gemaakt had als enige gezien had en in deze taal van beelden moest uitdrukken als een gedrevene, zoals hij het zelf een keer opgeschreven had in een stuk dat hij Onwettig had genoemd, een gedrevene, een armzalig werktuig, dat, zoals hij zei, slechts mag dienen.

En al was het maar om weer van het idee van Armando als volk los te komen, citeer ik hier een ander stuk dat stamt uit diezelfde wonderbundel, Voorvallen in de wildernis. Het gaat als volgt: ‘Over het algemeen wordt aangenomen dat de bekende en bewonderde kunstenaar een persoonlijkheid is, dat hij een “identiteit” heeft. Men benijdt hem derhalve, en z’n omstanders zijn hem er zelfs om gaan haten. De haat en de afgunst zijn misplaatst en berusten op een misverstand. Een gedrevene heeft geen identiteit. Een gedrevene is een gedrevene. Hij is een armzalig werktuig. Hij mag slechts dienen.’

En dan zegt hij: ‘Het is mij bekend dat een uitspraak als deze welhaast onwettig is, maar ik waag het er maar op.’

Dat doe ik hier nu ook. Ik heb van de gedrevene een volk gemaakt omdat ik na al die jaren dat ik hem lees en zie begrepen heb dat al die verschillende Armando’s die ik in verschillende stadia van zijn en mijn leven gekend heb samen een oeuvre gemaakt hebben dat een onverbreekbare eenheid vormt. Ik daal één ogenblik af in dat verleden.

‘Een gedrevene heeft geen identiteit. Een gedrevene is een gedrevene. Hij is een armzalig werktuig. Hij mag slechts dienen’

Je moet foto’s van heel lang geleden zien om te weten hoe mensen er vroeger uitzagen, het verleden zelf levert die beelden niet op commando. Armando in de jaren zestig, elke keer als ik probeer me hem voor te stellen schuift het beeld van een Armando van veel later er overheen, de opening van het Armando Museum, nu al weer zo lang geleden, zijn stoïcijnse reactie op de brand, maar dan ook weer de prima’s van een zigeunerorkest dat in een zijden jasje mijn zeer oude moeder een serenade brengt toen ik een prijs kreeg in Den Haag, of de schilder naast de Majesteit die in fel rood gekleed is, de dichter die voorleest in Wiesbaden, de onderdanige maar o zo aanwezige schim naast de fysieke, volumineuze stentor van Cherry Duyns in Herenleed, en dan, toch nog, uit een veel vroegere tijd de prehistorische, vaag geworden beelden van de Haagse Post, een film met van die geblakerde vlekken en krassen, redactie, geratel van tikmachines, rook, gewichtigheid, Armando daartussen, spil, navigator, papieren in de hand, dirigerend, bezig, met toch al, nog onzichtbaar verborgen onder dat bezige uiterlijk, degene die het oeuvre dat hier nu om ons heen hangt in de komende halve eeuw zou gaan maken, tekening voor tekening, schilderij voor schilderij, gedicht voor gedicht, nooit meer ongedaan te maken, een werk dat zijn huis gevonden heeft.

Ergens in dat al eerder geciteerde Voorvallen in de wildernis staat een zin uit een kort verhaal over reizen in het verre Amerikaanse westen. ‘Ik heb de rotsformaties aldaar bewonderd’, schrijft hij, ‘dat moet ik toegeven. Maar mijn belangstelling ging vooral uit naar de alleenstaande rotsen. Dus niet de rotsen die knus op een hoopje wonen, maar de grote, eenzame rotsen die niemand naast zich dulden. Die bedoel ik.’

Het lijkt me niet overdreven om hier een licht ironisch zelfportret in te zien. De spanning van dit werk zou niet uit te houden zijn zonder een zeer eigen, ingehouden vorm van ironie, zelfspot, van een afstand die op geen enkele manier een ontkenning is, maar die wel wordt gemarkeerd. Het wezenlijke pathos van het werk mag worden gezien door degene die het maakt, maar niet onderuit gehaald. De ironie van de afstand is een bestanddeel van het proza, niet van de poëzie en van het andere werk, maar maakt dat andere werk wel mogelijk. De Armando uit Herenleed is per definitie ook degene die de schilderijen en de beeldhouwwerken gemaakt heeft.

In de late jaren tachtig bracht het lot mij naar Berlijn waar zich historische veranderingen zouden voltrekken. Van die dagen zijn de herinneringen veel helderder, mijn Berlijn zou een andere stad geweest zijn als hij er niet geweest was, een volmaakte Cicerone die mij de straten mee op nam, mij zijn Berlijn, dat van de oorlog en de ddr, liet zien. De kogelgaten in het Luchtvaartministerie uit de Hitlertijd, de wandelingen zonder einde, zijn gedetailleerde kennis van het Duitse en Berlijnse verleden, veel ervan zou in de twee boeken terechtkomen die ik over die tijd geschreven heb.

Na jaren verwisselden mijn vrouw en ik Berlijn voor Los Angeles. We moesten de Goethestrasse, zo dicht bij de Knesebeckstrasse waar hij woonde, opgeven, grote Berlijnse ruimtes die zo dierbaar geworden waren. Allerlei mensen hebben Armando willen herkennen in de figuur Victor Leven in mijn roman Allerzielen, maar om dat boek te schrijven moest ik nu juist Berlijn uit, het boek is geschreven in Californië, Spanje, Australië, zo ver mogelijk weg, afstand tegenover de nabijheid die ik voor mijn Berlijnse notities nodig had.

Wij gingen weg, hij bleef. Die herkenning is de zaak van anderen. Ik heb hem het boek gegeven met de opdracht: ‘Met excuses voor de vervalsing.’ Hij heeft er niets over gezegd, toen niet, en later niet. Rotsblokken zijn nu eenmaal niet spraakzaam als het niet nodig is. Ik moet altijd denken aan de arme Proust die tot op zijn sterfbed allerlei gravinnen en bankiers moest uitleggen dat zij het niet waren, dat hij alleen maar een maniërisme, een stembuiging, een deel van hun uiterlijk, een detail van hun kleding had genomen om iemand te creëren die in zijn oneindige boek een eigen bestaan zou leiden. Ik gun primitieve of minder primitieve lezers hun herkenningsbehoefte, wat er echt is, wat er verzonnen is of gestolen, dat weet ik alleen. En wat ik ook weet, is dat ik de twee boeken die met die stad te maken hebben, het ene werkelijk, wat dat dan ook moge betekenen, het andere fictie, boeken die ondanks het grote verschil in methode op een geheimzinnige manier met elkaar verbonden zijn, geen van tweeën zo geschreven zou hebben als ik Armando niet in die stad ontmoet had, en ik denk dat dat het maximum is van wat de ene schrijver voor de andere kan doen.

Soms kruisen zich nog steeds onze wegen. Er was een grote tentoonstelling in het Cobra Museum, indrukwekkend, een bestand van zaken. En een proefschrift dat diep en ver in zijn poëtisch universum is doorgedrongen. Eén keer ook een bezoek aan een ziekenhuis buiten Berlijn. Ik zag de gedichten van Rilke op zijn nachtkastje. Klagen was op geen enkele manier aan de orde. Dat was de toestand, en zodra de toestand er is, is hij ook vanzelfsprekend. Ik reed hem in een rolstoel door de tuinen, en ook dat was een vanzelfsprekende intimiteit, ik herkende het eenzame rotsblok, en de ironie.

Later zag ik hem nog in zijn atelier in Potsdam, een stad die wonderwel bij hem past. Daar heeft hij zich teruggetrokken om te werken in een straat met een militaire naam, niet ver van het paleis van Frederik de Grote. Fysiek ongemak lijkt hem niet te hinderen. Zittend kun je ook schilderen. Ik zag nieuwe schilderijen met lichtende kleuren alsof er zich een wijdere horizon had voorgedaan, een ander vergezicht. En zo blijft het zoals ik eerder zei, tekening voor tekening, schilderij voor schilderij, de onophoudelijke suite van een ongebroken oeuvre, nooit meer ongedaan te maken, nog steeds niet af, hier eindelijk thuis.


Toespraak ter gelegenheid van de opening van Armando in het woud, de eerste expositie van Museum Oud Amelisweerd, voorjaar 2014


Beeld: Seestück, 2012, olieverf op doek , 150 x 150 cm. Vanaf 19 september te zien in het Museum Oud Amelisweerd op de tentoonstelling Armando 85 (MOA - Museum Oude Ameliswaard / Courtesy Galerie Rob de Vries, Haarlem).