HET ZICHTBAAR GEMAAKTE LEED

De rouwexhibitionist

Mensen stellen hun verdriet publiekelijk tentoon, met bermmonumenten bijvoorbeeld, een ‘memento mori’ in de openbare ruimte. Ongelukken staan geschreven in de huid van de stad. Wat zegt het ‘nieuwe rouwen’ over onze huidige cultuur? Misschien dat we ons geen houding meer weten te geven wanneer het onheil ons treft.

Dicussie:Wat vindt u van het openbare rouwen?

ELKE KEER DAT ik de Dappermarkt op loop wordt mijn fantasie mijn vijand. Een gedenksteen met speelgoedbeertjes dwingt me na te denken over een kind dat door een achteruit rijdende vrachtwagen werd overreden. Het ongeluk blijft maar gebeuren. Al jarenlang. Elke keer wéér is er de afgrijselijke gil en het levenloze kind op het asfalt. Van het ene op het andere moment is de wereld een onheilspellend oord. Kwetsbaar loop ik over de markt. Kraag omhoog en snel weer naar huis.

Iedereen die zinloos om het leven is gekomen krijgt tegenwoordig een standbeeld. Op hoeken van straten, op kruisingen en bermen ontstaan privé-monumenten. Een gedenkplaat voor Margit Widlund op de Dam, een krans voor een dodehoekspiegel-dode aan de brugleuning op de Stadhouderskade, bloemen langs het spoor van sneltram 51. Soms groeit de plek uit tot een waar bedevaartsoord en branden er jarenlang waxinelichtjes in een bloemenzee. Het lijkt zo mooi en eerbiedig. Zo origineel en zo troostend. Maar wat doen die gedenkplaatsen eigenlijk met je? Eerst is er iets dat je aandacht vraagt te midden van het verkeer: een stoplicht met wapperende briefjes, een foto van een lachende tiener. ‘Kijk naar mij’, roept de plek, om dan – in your face – te roepen: hier werd iemand vermoord of doodgereden. Daar sta je dan. Met lood in de schoenen vervolg je je weg.
De rouwmonumenten voor Kerwin Duinmeijer, Meindert Tjoelker en Joes Kloppenburg waren destijds indrukwekkend, maar staan al lang niet meer op zichzelf. Het is een algemeen geaccepteerde gewoonte geworden om persoonlijk leed op straat te gooien. Voor sommige nabestaanden is het misschien de enige manier om zich te verhouden tot de plek waar hun leven verwoest werd en waar een uur later verkeer langs raast alsof er niets gebeurd is. De bomen en gevels dragen zijn laatste blik, zeggen ze. Hier ís hij nog een beetje. Zo’n plek is misschien vergelijkbaar met de kamer die ouders na verlies van hun kind in de oude staat houden. Maar waar de kinderkamer symbool staat voor geborgenheid is de straat de plek waar jarenlange liefde en zorg in één klap teniet werden gedaan. Moet die plek versierd worden? Mag de openbare ruimte zich hiervoor lenen? En vooral: hadden we hier het kerkhof niet voor?

Misschien komt het door mijn protestantse achtergrond dat ik zo weinig begrijp van bermmonumenten. Katholieken zijn dol op plekken waar je kunt rouwen en vieren, hebben heilige plaatsen en bedevaartsoorden. Protestanten hebben het niet zo op uiterlijk vertoon. De geest houdt zich niet op in de materie. Toen ik ooit als kind in een katholieke kerk kwam, was ik onder de indruk van de halfnaakte, bloederige Jezus aan het kruis, maar ik ervoer het vooral als theater. Met God had het voor mijn gevoel weinig te maken. Zo’n bermmonument met kaarsen en relikwieën wortelt duidelijk in de katholieke traditie. Maar waar in de Katholieke Kerk het altaar de ontmoetingsplek tussen God en mens symboliseert, vormt het bermaltaar de profane variant: hier communiceren mensen met de openbare ruimte.
Nee. Als mensen hun verdriet – soms jarenlang – publiekelijk tentoonstellen, moet er meer aan de hand zijn dan rouwverwerking alleen. Inrichters van zo’n bermmonument zeggen dat ze de plek tot ‘memento mori’ willen maken, een plaats die ons stil doet staan bij onze sterfelijkheid. Maar ik denk elke dág aan de dood: ik hoef daar niet van buitenaf aan herinnerd te worden. In een drukke stad als Amsterdam wordt je kwetsbaarheid je voortdurend ingewreven. Zie je in één week brandweerlieden iemand uit een autowrak zagen en een fiets met kinderzitje onder de achterwielen van een vrachtwagen. Beelden die je nooit meer kwijtraakt. Soms komt het vreselijk dichtbij: de jongen die op de Admiraal de Ruyterweg onder een tram kwam, was de zoon van een docent, de kersverse vader die stierf bij een dodehoekspiegel-ongeluk op de Koninginneweg, de compagnon van een vriend. Plaatsen die nooit meer hetzelfde zijn. Blijkbaar is er een soort oerinstinct dat een almaar uitdijende plattegrond aanlegt van plekken des onheils. Ze laten hun sporen na, al was het maar door veranderingen in het straatbeeld: spiksplinternieuwe vluchtheuvels bij trambanen, rotondes op beruchte kruisingen, hekwerken langs het spoor van de sneltram. Ongelukken staan geschreven in de huid van de stad.
Veilig Verkeer Nederland pleit al jaren voor een Nationale Verkeersslachtofferdag in plaats van privé-monumenten. Het blijkt dat automobilisten plotseling gas terugnemen als ze zo’n rouwberm passeren. Niet uit veiligheidsoverwegingen, maar om te kijken of ze degene op de foto herkennen. Gemeentebesturen hanteren een ontmoedigingsbeleid om te voorkomen dat de openbare weg in een kerkhof verandert. Uit alles blijkt dat de openbare weg zich slecht leent voor een memento mori: gedenktekens mogen niet aangebracht worden op binnenbermen, viaducten of kruispunten; niet aan verkeerspalen, elektriciteitsmasten of bomen, niet op plekken waar kabels liggen of gemaaid moet worden. Vaak liggen ze tientallen meters verwijderd van de plek van het ongeluk. Ze wijzen een onschuldige plek aan. Nu zijn er twee plekken des onheils.

Wat zegt het ‘nieuwe rouwen’ over onze huidige cultuur? Misschien dat er in korte tijd veel veranderd is en dat we ons geen houding meer weten te geven wanneer het onheil ons treft. Vroeger was het leven een stuk onzekerder. In elk gezin stierven er wel een paar kinderen. Nu is dat uitzonderlijk. Rouwrituelen verdwenen, begrafenisaula’s gingen lijken op kantoren, grafrust maakte plaats voor ruimingsbeleid. Tijdens de rouwdienst verbeet je je tranen. Breken deed je maar thuis. Het kan niet anders dan dat al dat ingehouden verdriet een overschot aan onverwerkte rouw heeft opgeleverd. Iets dat collectief naar boven komt bij plotselinge dramatische gebeurtenissen. Gebeurtenissen die tot de verbeelding spreken. Toen Elton John in 1997 zijn Candle in the Wind zong tijdens de begrafenis van prinses Diana huilde de hele wereld. Zelfs mensen die niks met de prinses hadden, pinkten een traantje weg. Toen kort daarna Meindert Tjoelker op zijn vrijgezellenavond werd doodgeslagen en begraven werd op zijn trouwdag – weer zo’n wreed verstoord sprookje – waren we klaar voor een volgende golf van collectieve rouw. Tjoelker werd een icoon, een symbool voor heldhaftigheid die hij met de dood bekopen moest. De televisie zond de herdenkingsdienst in Leeuwarden live uit. In het hele land werd een minuut stilte in acht genomen, een ritueel dat kon wedijveren met de twee minuten stilte van de Nationale Dodenherdenking.
We weten te veel. De wereld die ons dagelijks via de media bereikt past niet meer in ons hoofd. Een hoofd dat niet zo lang geleden hooguit informatie uit naburige dorpen ontving, maar nu via televisie en internet gebombardeerd wordt met griezelkelders, ontvoeringen, tsunami’s en aardbevingen. Tv-programma’s als Opsporing verzocht, Opgelicht en Gevaar op de weg doen daar nog een schepje bovenop: ze versterken het idee dat we in een wereld leven waarin je je leven niet zeker bent. We zijn als bange kinderen in een wereld vol monsters. Die angst moet gekanaliseerd worden. En dat doe je door mee te lopen in een optocht voor een slachtoffer dat je nooit gekend hebt.

Plotseling drama werkt als een ventiel. Toen ik de eerste Stille Tocht op tv zag, duizenden mensen die huilend langs de NOS-camera’s schuifelden, moest ik ineens terugdenken aan de merkwaardigste begrafenis die ik ooit bijwoonde. Collega Steven was na een avondje stappen in zijn huis ten val gekomen en pas dagen later onder aan de trap gevonden met een gebroken nek. Met de hele afdeling waren we gekomen. De rouwdienst kreeg ons zwaar te pakken, en dat terwijl niemand Steven goed gekend had omdat hij maar kort voor ons gewerkt had. Ik had hem eerlijk gezegd niet eens zo gemogen.
Terwijl Callas’ stem de aula geselde met theatrale uithalen en we naar de foto op de kist staarden, was mijn hoofd niet bij Steven. Ik moest terugdenken aan de begrafenis van de vader van mijn ex-geliefde, waar ik twee maanden daarvoor geweest was. Ik had mijn ogen toen niet af kunnen houden van mijn ex’ nieuwe vriendin, die daar zo vanzelfsprekend tussen de schoonfamilie zat. Ik had toen niet gehuild, maar wekenlang had er iets vastgezeten ter hoogte van mijn middenrif. Verdriet, dat zich blijkbaar had schuilgehouden om toe te slaan op een onbewaakt ogenblik. Om me heen klonk onderdrukt gehoest en gesnik. Collega’s die anders formeel met elkaar omgingen, liepen gearmd over de grafpaden. Tegen de tijd dat de rouwstoet bij de koffietafel arriveerde, was iedereen volledig over z’n toeren. Ik herinner me hoe ik de tuin in vluchtte om mezelf tot bedaren te brengen. Steven was dood en ik huilde om mijn leven.

Death sells. De Stichting Tegen Zinloos Geweld – de organisatie die we vooral kennen van de stoeptegel met het lieveheersbeestje – ontwikkelde de laatste jaren een heuse gadgetlijn. Twintig meter naast het monumentje op de Dappermarkt ligt zo’n tegel. Ooit belde ik aan bij de blauwe huisdeur erachter om te vragen wie hier nu weer zinloos om het leven was gekomen. ‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg ik een veertiger met designbril.
‘Hier is niks gebeurd’, zei hij. ‘We vinden het gewoon een mooie tegel. En verder zijn we ook tegen zinloos geweld.’ Ik geloofde mijn oren niet. En ik maar denken dat er overal zinloze moorden worden gepleegd.
‘Dus eigenlijk is het meer een siertegel.’
‘Ja, en misschien dat het ook een beetje helpt. Bij de Stichting Tegen Zinloos Geweld hebben ze in ieder geval een heel leuke lijn met badges, stickers en schooltassen.’
Waar gáát het over, vroeg ik me af terwijl ik naar huis liep. Ik legde het voor aan een vriend. Hij had die tegels wel eens gezien, maar dat ze symbool waren tegen zinloos geweld wist hij niet: ‘Je ziet in Amsterdam zo veel dingen op straat: koperen borsten die tussen de kinderhoofdjes te voorschijn piepen, een violist die uit de grond breekt bij het Stadhuis; van zo’n stoeptegel kijk je niet op. En áls je al een symbool voor slachtofferschap uit de dierenwereld zou moeten kiezen, kies dan voor een lam’, mijmerde hij verder. ‘Het kwetsbare van een lieveheersbeestje zit ’m vooral in de naam: het is de killer beast van de insectenwereld. Een meedogenloze, nietsontziende luizenopruimer.’
De doden worden geannexeerd. Door de tienduizenden mensen die op de been waren voor Tjoelker. Door de media. Door leveranciers van Stille Tocht-fakkels. Door de antiracismebeweging die van Kerwin Duinmeijer haar boegbeeld maakte. Door nabestaanden die via bermmonumenten hun woede op straat gooien. Woede, die mogelijk verder reikt dan het verlies van hun kind alleen. De stap naar fictieve rouwmonumenten is niet groot meer: sinds enige tijd zijn er zelfs rouwmonumenten zonder dode: in Den Haag en Rotterdam verdrongen toeristen zich rond ‘spontane gedenkplekken’ voor Geert Wilders, werk van de kunstenaar Jonas Staal, die zich al een tijdje liep te verbazen over de iconisering van de doden, Diana, Hazes, Fortuyn.
Kortgeleden was er ineens een ander geluid: de weduwe van de postbode die doodgeslagen werd op Koninginnenacht liet de media weten geen Stille Tocht, gedenksteen of bloemen te willen. In plaats daarvan zocht ze de vier mensen op die ook kapot waren van het verlies van haar man: de ouders van de vermoedelijke daders.

Zijn we verleerd om leed een plek binnen onszelf te geven? Beschouwen we het als iets negatiefs en associëren we lijden vooral met lijdzaamheid? Wanneer het lot ons nu treft zijn we niet verdrietig; we zijn verontwáárdigd, klagen de klimrekfabrikant aan, de gemeente of de Postcodeloterij. We gooien het midden op straat. Een bermmonument is niet alleen een poging tot communicatie met een onverschillige wereld, het is vooral een opgeheven vuist: ‘Ons recht op geluk is ons ontnomen!’ Markeert het – onder het mom van bewustwording – de plek niet eigenlijk ook voor de dáder? Die vrachtwagenchauffeur op de Dappermarkt was misschien niet eens aansprakelijk voor de dood van de peuter. Maar er is nu wel een bordje dat hem in staat van beschuldiging stelt.
Moeten we plaatsen waar afrekeningen plaatsvonden optuigen? Verdient iemand die van een dak springt een bloemenhulde? Dienen we deze zaken juist niet zo snel mogelijk uit het straatbeeld te verwijderen? Voor de Theaterschool lag onlangs een monumentje voor een acteur die van het dak sprong: bosjes bloemen, een brief van God en een paar gympies. Ik durfde de brief niet te lezen, al was ik benieuwd wat God hierover te zeggen had. Om de letters te kunnen lezen, moest ik op mijn hurken gaan zitten naast een bomvol terras. Ineens ben je een rouwtoerist. De conciërge van de school was opgelucht toen het weg was: leerlingen die dachten dat het om een ‘event’ ging, speelden morbide sketches op straat. Een toerist was er vandoor gegaan met de rozen van school. Nee, in zijn geboorteland Oostenrijk zouden ze een Jezusbeeldje aan de gevel bevestigen. Dat was wat onpersoonlijker. En Jezus was er tenslotte voor iedereen.
Gesneuveld straatmeubilair en gemolesteerde bushokjes worden zo spoedig mogelijk hersteld om een spiraal van verloedering tegen te gaan. Hoe is dat met de sporen van zinloos geweld, ongelukken, zelfdoding? Helpen ze ons te verzoenen met onze sterfelijkheid? Ze sporen eerder aan je fiets voortaan thuis te laten of een mes bij je te steken om eventuele zinloze moordenaars voor te zijn.

Het wordt tijd dat we de begraafplaats in ere herstellen, de plek waar niet de doodsoorzaak voorop staat, niet het onvermogen, niet het geweld. Waar je naartoe kunt gaan wanneer jij dat wilt. In plaats van met bermmonumenten de openbare ruimte te bezetten, kunnen we onze energie beter steken in structurele maatregelen: voorlichting op scholen, klaar-over-diensten. Anna Enquist legde niet alleen een gedenkplaat voor haar verongelukte dochter Margit Widlund op de Dam, ze bond ook met succes de strijd aan tegen vrachtwagens zonder dodehoekspiegel.
Maar áls we de straat blijven claimen met die bermmonumenten, mogen we dan alsjeblieft ook alle vrolijke, absurde en inspirerende dingen herdenken? Een roze ballon in een taxi: ‘Hier werd onze Tim geboren’, een bordje op een parkbankje met: ‘Hier kreeg ik mijn allereerste zoen!’

…………………………………………………………………………………………………..

Reactie maandag 22 september

Het artikel is me recht uit het hart gegrepen. M.i. wordt het fenomeen deels veroorzaakt door een doorgeslagen individualisme: bij lijden en rouw is er nog sprake van een van de zeldzame momenten dat mensen zich verbonden voelen met elkaar op een wat dieper niveau. Vaak doet dat kitscherig aan. Langzamerhand wordt het ook verplicht nummer en verliest het zijn waarde en/of gaat het zelfs storen, zoals rampentoerisme ook stoort. Een vorm van emtioneel exhibitionisme - ‘kijk mij eens goed bezig zijn’. Overigens zie het verschijnsel breder: ik denk dat exhibitionisme veel breder toegeslagen heeft dan alleen bij rouw. Kijk op TV, lees krantenartikels, luister naar de radio, luister naar veel mensen om je heen, luister naar het woordgebruik, de overtrokken dierenbeschermingshobbyisten - er is al langere tijd een hele golf van 'emo’- over ons heen aan het slaan. Leed en emo verkopen als nooit tevoren. Geeft status. Intussen isn het zo ver dat als je er niet aan meedoet, dat je dan als egoist en onmens wordt weggezet.

Balancine