Publiek verdriet als nieuwe religie

De rouwziekte

«Onze cultuur van ostentatieve betrokkenheid bewijst niet dat we altruïstisch zijn geworden, maar egoïstisch», schrijft de Britse journalist Patrick West in een publicatie over volksrouw. Alles goed en wel, maar West heeft een verborgen agenda.

«Publieke rouw is een plaatsvervangende religie voor de eenzamen geworden, met bloemen en teddyberen als riten en gezamenlijke minutenstiltes als liturgie. Maar daarmee verander je de wereld niet. Deze recreatieve rouw zorgt ervoor dat we ons goed voelen, niet dat we goed doen, en de ermee gepaard gaande publieke verontwaardiging heeft vaak een averechts effect. Als je in het vervolg roept dat je ergens ‹om geeft›, kijk dan eerst eens naar je motieven en naar de consequenties van je woorden en daden. Soms is er maar één om wie je echt geeft, namelijk jezelf.»

Niet alleen Britse commentatoren slaakten vorige week een zucht van herkenning bij het lezen van Conspicuous Compassion, het pamflet waarin journalist Patrick West de massale rouw bij de dood van de prinses van Wales en andere blijken van de «nieuwe gevoeligheid» van zijn landgenoten fileert. Vanwege de associatie met het rouwcircus rond Pim Fortuyn werd de tekst met enig leedvermaak aangehaald in Nederlandse nieuwsberichten. Wests kritiek richt zich echter ook tegen moderne actievormen als benefietconcerten, aidslinten, e-mailpetities en demonstraties tegen de Amerikaanse invasie in Irak. Het zijn louter manieren om onze morele superioriteit te etaleren, aldus West. «Onze cultuur van ostentatieve betrokkenheid bewijst niet dat we altruïs tisch zijn geworden, maar egoïstisch.»

Veel van Wests kritiek snijdt hout, bijvoorbeeld als hij stelt dat de golf van Brits openbaar rouwbetoon in de jaren negentig, begonnen met het herdenkingsconcert voor Freddie Mercury in het Wembley-stadion in 1991 en culminerend in de massascènes rond de baar van Diana in 1997, gratuit was. Veel mensen die zwoeren dat ze de prinses «nooit zouden vergeten» hebben nimmer hun portemonnee getrokken, laat staan een handje toegestoken, voor de goede doelen die zij propageerde. Het zijn er zelfs minder geworden, zoals West aantoont met de cijfers van liefdadigheidsinstellingen. Op de vijfde verjaardag van Diana’s dood lag haar graf er eenzaam bij. «Ze was overbodig geworden», schrijft West. «Het publiek had het alweer te druk met het ‹nooit vergeten› van andere doden.»

Dezelfde vluchtigheid kenmerkte de rouw om Fortuyn, gesymboliseerd door de verlaten aanblik van Rotterdam Airport toen zijn stoffelijk overschot daar werd ingescheept naar Italië. De touringcars die zijn praalgraf aandoen zijn tegenwoordig op de vingers van een hand te tellen. Kort na zijn dood waren er ook uitingen van volkswoede, zij het niet zo erg als de hysterische taferelen van de periodiek oplevende Britse pedofielenjacht. West noemt daarvan schrijnende voorbeelden. Een meisje van veertien vond de dood toen iemand een brandbom gooide in het huis van een vermeende pedofiel. Een pediater was haar leven niet zeker omdat functioneel-ongeletterde buurtbewoners haar praktijkbordje verkeerd begrepen. «Een samenleving die het normaal vindt dat mensen bloemen sturen naar volkomen vreemden zal ook goedkeuren dat ze stenen naar hen gooien», meent West.

In termen die doen denken aan het werk van de socioloog Zygmunt Baumann schrijft West dat zulke gevoelsopwellingen geen uitdrukking geven aan onze liefde voor onschuldige slachtoffers of prominente doden, maar aan het ontbreken van liefde in ons leven. De samenleving is verweesd omdat de bindende krachten van kerk, familie en natie zijn weggevallen: «De rouwenden voor Diana huilden niet om haar, maar om zichzelf.» Haar dood was een ideaal kristallisatiepunt voor gevoelens van verweesdheid omdat ze zelf met haar ziel onder de arm liep. Ze lekte details over haar kille jeugd, haar anorexia en haar verslavingen naar de boulevardpers en schoot als een winkelmeisje vol bij het graf van kledingproleet Gianni Versace. «De grootste kwaal van de hedendaagse wereld is dat mensen zich niet geliefd voelen», zei ze in het geruchtmakende BBC-interview uit 1995 waarin ze aankondigde «prinses van het volk» te willen zijn. Ze streed tegen landmijnen en akelige ziektes met één oog gericht op de camera, alsof de publieke aandacht het gebrek aan liefde in haar persoonlijk leven kon vervangen.

So far so good, maar West levert geen volwassen cultuurkritiek. Op basis van anekdotes en krantenknipsels veegt hij de vloer aan met internetactivisten, anti-oorlogsdemonstranten, strijders tegen dierenleed en andere «gevoelsfascisten» die zijn pad kruisen. Hun acties leiden vaak tot niets en er zitten nogal wat domoren tussen, constateert hij tot zijn immense tevredenheid. Ze demonstreren tegen het kapitalisme zonder te bedenken wat ervoor in de plaats moet komen. Ze voeren actie tegen vivisectie terwijl het slachtvee in onze bio-industrie er slechter aan toe is dan veel proefdieren. Ze eisen meer geld voor aidsbestrijding terwijl er per jaar veel meer mensen over lijden aan andere besmettelijke ziekten en tekenen e-mailpetities tegen de executie van een overspelige Nigeriaanse terwijl die nog niet eens is veroordeeld.

Het is allemaal waar, maar domheid is van alle tijden en ertegenaan schoppen is makkelijk. West lijkt, op zijn beurt, met dit pamflet alleen maar zijn eigen superioriteit te willen bewijzen. Na vier van de dertien hoofdstukken weet je het wel, maar juist in het laatste hoofdstuk komt de aap uit de mouw: West heeft een politieke agenda die wonderwel samenvalt met die van zijn opdrachtgever. Civitas is een jonge denktank die verkondigt dat maatschappelijke problemen niet door de staat of de markt moeten worden opgelost, maar door een sterke civil society, in Nederland steevast gebrekkig vertaald met «maatschappelijk middenveld». Civitas zoekt niet naar nieuwe internationale samenwerkingsverbanden zoals al die domme demonstranten tegen oorlog en uitbuiting. Nee, de stichting pleit voor het herstel van kerken, vakbonden, buurtverenigingen en — wie had nu nog anders verwacht? — het gezin als hoeksteen van de samenleving.

Het Civitas-boekje Does Marriage Matter? verkondigt dat «de» wetenschap heeft vastgesteld dat het ouderwetse gezinsleven «gezonder, welvarender en stabieler is dan andere samenlevingsvormen». Het is een bewerking van de brochure Why Marriage Matters: Twenty-One Conclusions from the Social Sciences van het Institute for American Values en bevat dezelfde drogredeneringen als de Amerikaanse versie. Het stelt bijvoorbeeld dat het aantal echtscheidingen sinds de jaren zestig explosief stijgt doordat «mannen hun kinderen in de steek laten». Het besteedt geen woord aan alternatieve relaties, nieuwe woonvormen en andere arrangementen die in de toekomst het huwelijk gaan vervangen. De voornaamste claim luidt dat het huwelijk goed is omdat het «sinds het begin van de geschreven geschiedenis een universeel instituut is». Dat klopt, maar die redenering gaat ook op voor armoede, vrouwenmishandeling en andere vormen van eeuwenoud obscurantisme waarover Civitas vooralsnog geen juichende brochures uitgeeft.

Vooralsnog, want van een stichting die de grenzen wil sluiten omdat het land anders door armoedzaaiers uit de Derde Wereld wordt gekoloniseerd en vergiftigd met besmettelijke ziekten, zoals te lezen valt in andere Civitas-brochures, kun je alles verwachten. Wellicht wordt die toon verklaard doordat Civitas het moet opnemen tegen schreeuwerige Londense denktanks als het Adam Smith Institute (Margaret Thatchers favoriet) en Demos, een New Labour-denktank die enige tijd als inspiratiebron diende voor Tony Blair. Het Adam Smith Institute wil alle ziekenhuizen en middelbare scholen verkopen aan het bedrijfsleven en Demos produceert aan de lopende band brochures over het «einde van de politiek», het «einde van de werkloosheid» en het «einde van de sociaal-democratie», hetgeen schrijfster Angela Carter de uitspraak ontlokte dat «het fin ditmaal wel heel vroeg in de siècle zit».

Wie in dit gezelschap de aandacht wil trekken, moet tegen een hoop schenen tegelijk schoppen. Dat is West gelukt, al is zijn succes waarschijnlijk even oppervlakkig en vluchtig als de publieksroerselen waarmee hij de spot drijft. Dat is echter niet het hele verhaal achter Conspicuous Compassion. West behoort tot een lichting linkse intellectuelen die zich in de jaren tachtig verenigde rond het tijdschrift Living Marxism. Dit vrijgevochten blad werd enkele jaren geleden door mediagigant ITN kapot geprocedeerd, maar de uitgevers zetten het nu in virtuele vorm voort als Sp!ked (www.spiked-online.com). Veel Sp!ked-artikelen zijn de moeite waard omdat ze afrekenen met overheidsbevoogding op het gebied van onderwijs, gezondheid en veiligheid en met linkse fetisjen als het broeikaseffect, de kwijtschelding van schulden van derdewereldlanden en de tamme leuze «Niet in mijn naam» waar onder mensen demonstreerden tegen ingrijpen in Irak zonder over een alternatief na te denken.

Onder de medewerkers bevinden zich grootheden als hoogleraar sociologie Frank Furedi, auteur van het heerlijke boek over moderne opvoedingsmisverstanden Paranoid Parenting (2001). Toch kun je je niet onttrekken aan de indruk dat hier verweesde marxisten aan het woord zijn. Omdat hun eigen politieke project grandioos is mislukt, ontzeggen ze anderen het recht op hoop, radicale denkbeelden en politieke actie. Het is treurig dat ze zelf niet verder komen dan zo’n nostalgische agenda. Om het gevoel van saamhorigheid te vergroten wil West alle bedelaars van de straat halen, drugs verbieden, recidivisten langdurig opsluiten en gezinnen fiscaal bevoordelen. Omdat hij wel aanvoelt dat je daarmee de liefde niet terugbrengt op straat voegt hij er een persoonlijk adagium aan toe: zet de televisie eens uit en maak kennis met je buurman. Tja, wat moet je daarvan zeggen? Misschien is die buurman wel een pedofiel.