DE JANUSKOP VAN DE NAZI’s

De rovers van Adolf Hitler

Götz Aly

Hitlers Volksstaat: Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus

S. Fischer, 444 blz., € 22,90

De nazi-dictatuur had een januskop. Ze toonde haar misdadige gezicht aan al degenen die niet werden gerekend tot het Duitse Herrenvolk, en openbaarde haar sociale gezicht aan de Duitse onderdanen wier loyaliteit het regime wilde winnen. Beide gezichten hebben direct met elkaar te maken. Die loyaliteit van het Duitse volk werd «ge kocht» met allerlei sociale voorzieningen en gunsten die werden gefinancierd door op grote schaal de joden te beroven, eerst in Duitsland zelf en later in Europa, alvorens zij werden verdreven en gedeporteerd naar de vernietigingskampen. Na 1939 begon tevens het plunderen van de door het Duitse leger bezette landen. Bovendien verloren in de door de nazi’s gepropageerde Volksgemeinschaft de traditionele klassen en standen duidelijk aan betekenis, wat de nazi’s populair maakte bij jonge, goed opgeleide Duitsers.

Dit is, kort samengevat, de inhoud van Hitlers Volksstaat: Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus van de Duitse historicus Götz Aly, die eerder al boeken schreef over de holocaust. In dit omstreden boek probeert hij opnieuw een antwoord te formuleren op de veelgestelde vraag: waarom was het Duitse volk in meerderheid bereid een misdadig regime te ondersteunen? De Duitsers, zo luidt Götz Aly’s these, koesterden niet meer wrok dan andere Europeanen en het Duitse nationalisme was niet meer racistisch dan dat van andere landen. Er is geen Duitse Sonderweg in de Europese geschiedenis die naar Hitler en Auschwitz leidde. De meeste Duitsers accepteerden Hitler, aldus Aly, omdat zij direct materieel profiteerden van het regime. De historicus spreekt over een Gefälligkeitsdiktatur, een dictatuur die bijna elke dag opnieuw de instemming van het Duitse volk «kocht» door diensten en gunsten te verlenen, vooral aan de lagere en middengroepen. Dit ging in toenemende mate ten koste van andere volken, vooral van de joden. De Duitse staat werd onder Hitler veranderd in een enorme machine ter beroving van iedereen die als minderwertig werd bestempeld, en van de bezette landen.

Götz Aly schrijft: «Uiteindelijk had elke Herrenmensch – en dat waren niet alleen wat nazi-functionarissen, maar 95 procent van de Duitsers – delen van alles wat was geroofd, in de vorm van geld in de portemonnee of als geïmporteerde, in het bezette buitenland met geroofd geld en goud betaald voedsel op zijn bord. Slachtoffers van de bombardementen droegen kleding van vermoorde mensen en lagen opgelucht in hun bedden, dankbaar dat ze het hadden overleefd, dankbaar ook dat de staat en de partij zo snel hadden geholpen.» Zijn conclusie: «De holocaust kan niet worden verklaard zolang deze niet wordt geanalyseerd als de meest consequente Massenraubmord van de moderne geschiedenis.»

De historicus heeft een uitgebreide studie gemaakt van de nog beschikbare bronnen over het beroven van de joden en het plunderen van de bezette landen. Veel documenten zijn na de oorlog vernietigd, bijvoorbeeld door het West-Duitse ministerie van Financiën. Vaak gebeurde het onteigenen van de joden in de bezette landen in samenwerking met nationale autoriteiten en functionarissen, bijvoorbeeld in Frankrijk, Griekenland en Hongarije. Als gunstige uitzondering noemt Aly België, waar noch hoge ambtenaren, noch notarissen of bankiers wensten mee te werken aan het onteigenen van joods bezit. Aly vertelt ook hoe de bezetters in Nederland huishielden, maar dat werd al eerder beschreven door de Nederlandse historicus Gerard Aalders in zijn boek Roof (Sdu, 1999).

Aly laat in het hoofdstuk Hitlers contente rovers zien hoe ook de gewone soldaten bij dat plunderen betrokken waren. Hun soldij maakte deel uit van de bezettingskosten die uit de nationale schatkist van het bezette land moes ten worden betaald. Daar de Duitse centrale bank de diverse nationale mun ten danig had gedevalueerd, ontvingen de Duitse soldaten relatief veel guldens, franken et cetera. Met dat geld en het geld dat hun familie opstuurde – in Duitsland was de meeste industrie gericht op de bewapening en uitrusting van het leger en waren relatief weinig consumptiegoederen – trokken de soldaten de winkels binnen. Aly schrijft: «Duitse soldaten kochten de Europese landen letterlijk leeg.»

Het nazi-regime keurde dit uitdrukkelijk goed. Göring vond: «Wat de soldaat dragen kan en wat bestemd is voor zijn persoonlijk gebruik of dat van zijn familie, mag hij meenemen.»

De miljoenen veldpostpakketten van Duitse soldaten naar hun familie, de gerekwireerde levensmiddelen voor het bezettingsleger en de voedseltransporten naar Duitsland leidden ertoe dat de bevolking in bezette landen gebrek ging lijden. Sommige Duitse bevelhebbers vonden dat verontrus tend. Maar Göring zei: «Het laat me koud wanneer jullie zeggen dat mensen van honger omvallen. Dat kunnen ze rustig doen, zolang er maar geen Duitser van honger omvalt.»

Het Duitse graaien in de schatkist van de bezette landen – zo werd vanuit België, Frankrijk en Nederland 53,6 ton goud naar Berlijn getransporteerd – nam zulke proporties aan dat de diverse valuta’s ernstig ondermijnd raakten. Om dit tegen te gaan gebruikten de Duitse bezetters het in beslag genomen joodse vermogen en bezit. Dat werd naar de schatkisten van de bezette landen geleid, waaruit de bezettingskos ten werden gefinancierd, alsmede de leveranties van goederen aan Duitsland.

Het grote roven en beroven, zo zet Aly uiteen, was niet het werk van de misdadige SS. Nee, dit geschiedde door financiële experts van de Duitse centrale bank, en de ministeries van Financiën, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken. Deze ambtenaren, die vaak later in de Bonds republiek hun carrière konden voortzetten, gingen daarbij op geraffineerde wijze te werk. Nauw be trokken bij dit alles was eveneens de Wehrmacht, die direct profiteerde van de roof.

Het boek van Götz Aly heeft opzien gebaard, omdat in Duitsland de hebzucht en het grote roven tijdens het Derde Rijk nog nooit zo uitvoerig werden beschreven. Maar het heeft ook geleid tot kritiek. Als alle Duitsers hebben geprofiteerd van de grote roof, dan zijn ze ook allen medeplichtig. Aly onderbouwt als het ware het in Duitsland altijd verworpen verwijt van de collectieve schuld van de Duitsers.

Een nieuwe Historikerstreit kon niet uitblijven. Aly heeft uitgerekend dat de bezette landen tweederde van de oorlogslasten hebben gedragen en Duitsland zelf eenderde. Volgens de Britse historicus Adam Tooze, een expert op dit gebied, klopt deze berekening niet.

Maar de meest fundamentele kritiek is gekomen van Hans-Ulrich Wehler, thans de meest gezaghebbende historicus in Duitsland. Hij heeft enerzijds het boek geprezen, anderzijds is hij het niet eens met Aly’s materialistische geschiedschrijving. Met deze «bekrompen aanpak», aldus Wehler, kan men de holocaust niet verklaren. Aly gaat voorbij aan het feit, zo heeft Wehler in Der Spiegel geschreven, dat het Duitse volk na de nederlaag van 1918 en het als vernederend ervaren vredesverdrag van Versailles hunkerde naar een «tweede Bismarck», een nieuwe «charismatische leider». Dat werd Hitler. Er was wel de gelijk een «fatale» Sonderweg. Aly, zo vervolgt hij, onderschat het «geradicaliseerde antisemitisme» als het doorslaggevende motief voor de holocaust.

Het antisemitisme speelt in het boek inderdaad geen grote rol. Auschwitz is niet Aly’s thema. Aan de holocaust, aan de moord op de joden, is wat vooraf gegaan, namelijk de systematische en totale beroving van de joden. Hoe dat is gebeurd, hoe dwangarbeiders werden uitgebuit en Europa werd geplunderd, heeft Götz Aly willen aantonen. Hierin is hij geslaagd.