De roze bril is weg in Gaza

Shatila Libanon/Jabalya Gaza - De straat van de hemel naar de hel, zo noemden ze de weg naar het Palestijnse vluchtelingenkamp Shatila in Libanon. Ze reden over een stoffig zandpad in een jeep waarvan de ramen allang waren verdwenen: een Nederlands meisje, haar vader, een Amerikaanse toeriste en de Libanese chauffeur.

De kafia’s drapeerden ze om het hoofd en voor het gezicht zodat alleen hun ogen zichtbaar waren. Shatila was een donkergrijs labyrint met schaduwen van mensen. Gesluierde vrouwen met tassen en kinderen, mannen grijs van het stof, een waterverkoper, rinkelend met bellen op het hoofd en Palestijnse jongetjes die door de steegjes renden. Het wagentje van een kruier viel om en zijn watermeloenen rolden het pad af, naar de vrijheid. Fluisterende vrouwen trokken het meisje een kamer binnen en bedekten haar minirok met een blauw gewaad; een dishdeishe heette het. Ze lachten en dansten met het kind op oosterse muziek.
Het was 1970. Arafat was net gearriveerd en de leider van de jonge en militante PLO. Er was nog geen burgeroorlog en niemand kon vermoeden dat hier ruim tien jaar later een massamoord zou plaatsvinden. En de Libanese soldaten op de daken met mitrailleurs nonchalant op hun buiken? Die waren er om de veiligheid van de kampbewoners te bewaken, verzekerde de vader het kind. Door de roze John Lennon-bril van het meisje was niets sterfelijk of begrensd onder de helblauwe lucht.
Bijna veertig jaar later word ik wakker terwijl ik over een karrenspoor het Jabalya-vluchtelingenkamp in de Gazastrook binnenrijd; alleen. Hetzelfde zand, grauw beton met ertussen mensen in een andere tijd, een nieuwe plaats. Wat je eenmaal heeft geraakt, wordt nooit meer vergeten. Ik kan daardoor grenzen van geloof, cultuur en volken overbruggen, maak ik mezelf wijs. Maar Gaza, ingesloten door muren en hekken met erboven Israëlische verkenningsvliegtuigen, blijkt anders. Als Operatie Gegoten Lood is uitgevoerd en de bommen de weg zijn afgerold, als de rook boven Gaza-stad is opgetrokken en de mensen uit hun bunkers en kelders naar buiten zijn geklommen, als de doden zijn geruimd en de overlevenden hebben gehuild, dan komt de zon op en sta ik voor een grens; mijn eigen grens. Oorlog bouwt grenzen, want erna is alles anders. Mijn bekenden zijn niet meer, hun huizen zijn betonpuin. Kinderen sloffen als de oude mannen, die zijn verdwenen. En vrienden aan de andere kant van de muur blijken anders, harder, gewelddadiger. Ik zoek vanachter mijn kafia ergens op de straat nerveus mijn John Lennon-bril. Er moet toch iets zijn achtergebleven? Maar ook die is, denk ik, onder het puin verdwenen.