De roze revolutie

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn Kroniek kan bespreken. Deze week: De roze revolutie.

De roze revolutie

In de vriendenkring van mijn ouders, vroege jaren vijftig, bevonden zich de jonge weduwe van vaders beste vriend plus een ‘vrijgezel’. Ik zal rond twaalf geweest zijn toen ik me hardop afvroeg waarom de vaak verdrietige ‘tante’ dan niet met ‘ome’ trouwde – die twee waren dikke mik. En zo werd ik, überhaupt nog niet voorgelicht, voorzichtig en in zeer algemene zin op de hoogte gesteld van de herenliefde. Het was een schok, maar dat was elke onthulling op het terrein van eros. In elk geval kan ik nu trots verklaren dat mijn ouders een homo onder hun beste vrienden hadden. En dat dat (en die) dus niet verwerpelijk werd gevonden, zoals in veel andere kringen. Maar zielig wel. Omdat hij alleen moest blijven terwijl iedereen trouwde. Over seks uiteraard geen woord. Ach, homoseksualiteit was onzichtbaar en bestond dus niet. Zoals het volgens autoritaire leiders binnen hun ‘gezonde’ staat nog altijd niet bestaat.

Wie steigert over het woord ‘zielig’ moet bedenken dat het destijds een relatief verlichte betiteling was. En laten we wel wezen: dat mensen alleen ‘zichzelf kunnen zijn’ in het geheim, op straffe van uitsluiting of zelfs straf, dat heeft ongelofelijk veel leed opgeleverd. En doet het nog. En dat is, naast verwerpelijk en schandalig, ook zielig. Al begrijp ik dat je als betrokkene dat stempel weigert, omdat het je louter tot slachtoffer maakt. Marx noemde arbeiders ook niet ‘zielig’. Luther King niet wie zwart was. Oké, het is gewoon een ‘fout’ woord. Mijn ouders waren fout.

Precies over die weigering gaat Michiel van Erps nieuwe documentaire reeks De roze revolutie. Een alles zeggende titel die weer deed beseffen hoe gigantisch deze seksuele revolutie is geweest tijdens één mensenleven. Wat vanzelfsprekend had moeten zijn in onze huidige ogen, was dat niet (vaak ook niet in onze eigen ‘oude’ ogen) en dat is zwak uitgedrukt. Maar er is onwaarschijnlijk veel veranderd, want bereikt door mensen die hun nek uitstaken. Waarmee het lhbt-paradijs ook bij ons bepaald niet is aangebroken, zoals regelmatig uit berichtgeving blijkt. En uit gesprekken die Van Erp met activisten heeft.

De eerste aflevering begint, na de leader, met een filmpje uit 1971. Een groepje jonge vrouwen en mannen oefent, driftig marcherend, een soort cabaret-act, zingend: ‘In de hele wereld en omstreken/ wordt naar Holland uitgekeken// Want nergens is het zo fijn/ om een homofiel te zijn// Want Holland is het Mekka (3x) van de homoseksuelen.’ Ik schiet in de lach. Voor driekwart uit waardering voor de vrolijke inhoud en vorm, voor tien procent om dat dubbelzinnige ‘Mekka’ dat sindsdien alleen maar beladener is geworden, zeker in dit verband, en voor de rest om het algemenere tijdsdocument dat het is – zo zag ik er toen dus ook uit qua kapsel en kleding. Je kunt aan de tekst een studie wijden: Holland als homoparadijs (wat het toen sinds kort tot op zekere hoogte zeker was dankzij dapperen die niet zielig waren). En het curieuze gebruik in één refrein van de woorden homofiel en homoseksueel. Homofiel was ‘eufemisme’ voor wie ‘seksueel’ de bek niet uit kreeg (vooral in christelijke kring) en mijn instinctieve aversie tegen het woord kreeg fundament dankzij een van mijn activistische hbo-studenten die uitlegde dat hij niet alleen van ‘het gelijke’ hield (=fiel) – want dat deed hij ook van moeder, zus en vriendinnen – maar dat zijn seksuele voorkeur uit ging naar ‘het gelijke’. Dus bij de naam noemen graag. Misschien speelde de tekstschrijver wel met die begrippen door op te bouwen van verhuld naar openlijk.

Ik zag de eerste twee delen van De roze revolutie, waarin rijk archiefmateriaal studiogesprekken van Van Erp met betrokkenen illustreert. Al is die term eigenlijk te weinig eer voor de oude beelden: ze vertellen van zichzelf al een verhaal. De strijders van het eerste uur zijn, voor zover in leven, nu bejaard maar alive and kicking. Dat onder de mannelijke kunne het percentage levenden lager zal zijn dan de gemiddelde levensduur zou doen verwachten is te wijten aan de aids-catastrofe. Die wordt in het eerste deel soms al aangestipt en komt in aflevering twee uitgebreid aan de orde. En komt bikkelhard binnen, ook al omdat het door de buitenwereld zo makkelijk vergeten is; en ook destijds vaak met onverschilligheid of erger (eigen schuld; straf) is bezien. Van begin af betrekt Van Erp er de jongste generatie activisten bij, wat het meer maakt dan louter terugblik. En juist die jonkies benadrukken dat wat zij als ideaal zien – vanzelfsprekendheid van al wat afwijkt van de heteronorm – bepaald niet is bereikt. Hoeveel er ook is veranderd sinds mijn ‘ome’ en, veel later nog, sinds de eerste lhbt-demonstratie ter wereld in januari 1969. Op het Binnenhof! Halfjaar eerder dan de Stonewall-rellen in New York die als zodanig worden beschouwd.

De eerste aflevering heet ‘Protest’ en laat dus die eerste Haagse actie zien: tegen artikel 248b, dat ‘ontucht tussen een meerderjarige en een minderjarige van gelijk geslacht’ verbood. Terwijl de ondergrens voor hetero’s op zestien jaar lag. De absurde consequentie van het wetsartikel was dat een homoseksuele relatie tussen minderjarige jongens of meisjes (toen 21 jaar) was toegestaan maar automatisch strafbaar werd zodra de oudste 21 werd. Die Zedelijkheidswet uit 1911 van minister Regout had ten doel, lees ik op Wikipedia, het beschermen van jongeren tussen zestien en twintig tegen ‘homoseksuele verleiding’ om daarmee de verspreiding van homoseksualiteit tegen te gaan. En daar stonden 58 jaar later opeens zowaar keurige types voor het parlement met een bord als ‘248b helpt geen flikker’. Joke Swiebel voerde het woord namens ‘Studentenwerkgroepen homoseksualiteit’ en de camera van het Journaal legde de actie vast. Joke gebruikte zelf in haar toespraakje het woord ‘homofiel’ en zegt nu desgevraagd dat ze dat kennelijk destijds ‘gepaster’ vond op die plek. Verbazender voor het moderne oog is de spandoektekst ‘Wij zijn toch óók mensen van vlees en bloed. Wij zijn toch óók mensen met gevoel.’ Dat was veel te ‘beleefd’ zegt ze nu: ‘Het lijkt of je tegen de autoriteit wil zeggen: “Wat ben ik verschrikkelijk blij dat u me niet doodslaat”’. Met haar seksuele voorkeur had ze het privé nooit moeilijk, maar het publieke optreden maakte het wel lastiger. Niet vreemd als je hoort dat de ouders van een jongeman die als demonstrant in beeld was gekomen door zijn oom en tante werden gebeld met de opdracht hun zoon tot de orde te roepen. Nu zit Rijkjan Sikkel in de studio en vertelt dat zijn ouders solidair met hem waren maar dat hij oom en tante dertig jaar niet meer heeft gezien. Hij zit er niet mee, maar tekenend is het wel.

Wie wel zat, maar dan in de bajes, is John Welbergen (86). Tot tweemaal toe, bij elkaar ruim een jaar, vanwege dat artikel. Die had op zijn twintigste een vriendje van zeventien. Maar toen werden ze 21 en achttien: en nee, hij verdomde het te ontkennen. Later nog met een ander. ‘Dat waren andere tijden’, zegt hij tegen de jonge activisten. Het is ook John die vertelt over nog vroegere ervaringen. Hoe in zijn Helderse voetbalteam sommige jongens maar wat graag bij hem onder de douche kropen waar ze elkaar ‘wederzijds van spanning verlosten’. Want die jongens hadden nog geen meisje of mochten nergens aankomen uit angst voor zwangerschap (over een andere seksuele revolutie gesproken – die door de pil). Ik weet uit boek en film dat dat veel voorkwam, de zogenaamde noodhomoseksualiteit – al vraag ik me af of dat niet een erg negatieve benaming was.

Maar laat ik uit de kast komen: nooit meegemaakt. Extreem preuts en bang, dat vast, maar ook niet naar verlangd. Mag ik vanuit identiteitspolitiek oogpunt dan wel over De roze revolutie schrijven? Nou, ik doe het, omdat ik over alles wat beweegt schrijf. Maar dan moet wel gezegd dat Michiel van Erp de serie ongetwijfeld heeft gemaakt vanuit zijn eigen ervaringen, en niet alleen over, maar ook voor de lhbt-gemeenschap die hem buitengewoon dierbaar is. Die hem een groot gevoel van verbondenheid geeft. Gevoel dat zonder twijfel versterkt is door de aids-gruwel en de onmetelijke verliezen die die meebracht – verlies aan vrijheid, veiligheid, genot, maar vooral aan dierbaren. Indrukwekkend zijn de verhalen van de oudere mannen over angst en soms veel later optredende psychische problemen. Allen zijn ze sterk in hun beschrijvingen, maar mijn hart is gestolen door dragqueen Victoria False (Ger Poels). Om meerdere redenen. Om zijn strijd voor lhbt-bejaarden in tehuizen, waar hij ook optreedt – voor pesters en gepesten (want dat gaat gewoon door). Om de tranen die ik wegslikte toen hij, in mantelpakje en met prachtpruik, zonder enig pathos vertelde over wat aids had betekend: ‘We vierden Kerst altijd met 24 man; toen waren we nog met vijf’ (even moest de opname gestopt, en kwam er tranenpapier aan te pas – terecht niet eruit gemonteerd); zijn humor en ad-rem-heid die Michiel (en mij) in een deuk doen liggen; zijn boze aanval op een jonge groep die niet jankend bij hem aan moet komen dat ze ziek zijn als ze met crystal meth veertig man in de week onveilig verslonden hebben: sodemieter op. Is dat moralisme of wijsheid?

Deel twee heet ‘Solidariteit’. Daarvan is er veel (zie de Canal Pride) maar toch ook vaak te weinig. Te weinig tussen mannen en vrouwen; tussen wit en gekleurd; tussen homo en trans; tussen generaties (‘je hebt geen homo-ouders die je leren homo te zijn; je moet dat leren met je omgeving, meestal leeftijdgenoten’). In die zin is de serie ook kritisch. Maar wat overheerst is toch het positieve gevoel dat Michiel van Erp zelf heeft over een gemeenschap waarvan hij op zijn veertiende ontdekte dat hij daarin zichzelf kon zijn en zich er veilig kon voelen. Wat hem enorm veel plezier, vriendschap, genot, gezamenlijks heeft gebracht. Die zaken vinden hetero’s ook op hun pad, de een meer, de ander minder. Maar niet in de context van een heterogemeenschap. Er is in vijftig jaar ongelofelijk veel bereikt. En minderheid zijn kan dus wezenlijke voordelen hebben. Maar het door jonge lhbt'ers gewenste paradijs waarin ieder volledig geaccepteerd wordt in en om wie en wat zij/hij/hen is, lijkt me ver weg. Het lukt niet binnen hun koepel van letters; het lukt niet met een buitenwereld die van open en welwillend tot vijandig is. Maar niemand heeft ons een rozentuin beloofd. En we moeten doen wat we kunnen.


Michiel van Erp, De roze revolutie, vier delen, VPRO, maandag vanaf 10 mei, NPO 2, 20.30 uur