Hoofdcommentaar

De ruggengraat van Nederland

De grote winnaar van 2004 heet Mohammed B. Het is niet anders. De moordenaar van Theo van Gogh heeft nu reeds een grotere invloed op de maatschappelijke verhoudingen dan de moordenaar van Pim Fortuyn had. Volkert van der G. dacht het land op 6 mei 2002 weliswaar gewelddadig te moeten bevrijden van een mogelijke verkiezingsoverwinning van Pim Fortuyn, en diens LPF boekte op de golven van de boosheid toen een klinkende zege, maar dat was een politiek moment in engere zin, dat alras bleek te verdampen. Mohammed B. daarentegen heeft het voor elkaar gekregen Nederland buiten zijn politieke oevers te laten treden, verwarring te zaaien, fatalisme los te maken en de intelligentsia afstand te laten doen van de bedachtzaamheid waaraan ze juist haar status ontleent. Dat is politiek in bredere zin.

Hoewel het de Amsterdamse politie is gelukt om Mohammed B. op die 2de november 2004 bij het Oosterpark niet gedienstig het martelaarschap in te knallen – waarvan de moordenaar vermoedelijk had gedroomd – doet dit weinig af aan het succes dat de moslimextremist uit Amsterdam-West heeft geboekt. B. heeft voor elkaar gekregen wat terroristen overal ter wereld pogen: de tegenstander pakken waar je hem pakken kunt. Als je ze niet allemaal gewapenderhand kunt treffen, raak je enkelen om zo allen te raken.

Ziedaar de winst voor Mohammed B. Sinds 2 november lijken slechts enkelen nog serieus bezig met een veilige toekomst. De rest heeft het over het verleden en wie de schuld moet krijgen. Oude agenda’s, opgebouwde rancunes en egomanie struikelen over elkaar heen.

Juist nu Nederland wordt geconfronteerd met problemen die niet meer volgens de klassieke wetten van opportuniteit kunnen worden opgelost of afgeschoven, ziet de Hollandse Agora er lelijk uit. Wie vanuit het buitenland het Nederlandse debat beschouwt en zich afvraagt hoe de Nederlanders over zichzelf denken, ziet een natie die aan ADHD lijdt.

Wat Nederland niet meer is, weten we zo langzamerhand wel. Nederland is niet nuchter, want ingrijpende gebeurtenissen slaan ons uit het lood. Nederland is niet pragmatisch, want nu de strijd tegen het terrorisme zich op straat manifesteert, is een pleidooi voor praktische benadering al snel verdacht. Nederland is niet gastvrij, maar dat is geen nieuws, want dat is het eigenlijk nooit geweest – alle mythevorming rond het tegendeel ten spijt. Nederland is niet optimistisch, want als het er op aankomt, laten we ons overmannen door somberheid en houden de hand aan de knip. En Nederland is niet zelfbewust. Vier decennia na de culturele revolutie van de jaren zestig woekert nu het tegendeel daarvan: een soort wegwerpgemoed waarin de traditionele boetedoening wordt genegeerd omdat niet «wij» maar «zij» alles fout hebben gedaan.

De gevolgen zijn niet mis. Over de vier klassieke kernwaarden van de Nederlandse samenleving – de plaats van religie en levensbeschouwing, de noodzaak van opvoeding en onderwijs, de complexe betekenis van openbare orde en de verantwoordelijkheid voor een wellevende publieke meningsvorming – lijkt de consensus zoek. Overdreven pessimisme? Voorbeelden uit 2004 bewijzen niet het tegendeel.

Eén van de dieptepunten was het interview van Andries Knevel met new born moslim Johannes Lambertus Henrikus Maria van de Ven. De eerste wist wat hij er uit wilde trekken en de laatste deed lekker mee. Een rel was geboren: beiden tevreden.

Een half jaar eerder had Murat D. – door gedraaid wegens vermeend gebrek aan respect, een van die woorden die aan inflatie onderhevig is – zijn conrector doodgeschoten. Niet alleen het Terra College is daardoor in het ongerede geraakt, het halve onderwijs weet niet meer hoe het nog kennis kan overdragen als er thuis iets mankeert aan de opvoeding.

Over de openbare orde kunnen we kort zijn. Zelfs de vraag hoe moet worden omgegaan met bedreigingen aan het adres van politici leidt tot politisering en tijdverspilling. Premier Balkenende en minister Donner van Justitie blijken niet in staat hiertegen een dam op te werpen, hoewel de veiligheid van volksvertegenwoordigers de hoogste vorm van openbare orde is.

Met de publieke meningsvorming is op het gehoor niets mis. Zelden is er zo veel gebruik gemaakt van het vrije woord als in het afgelopen jaar. Maar 2004 was ook een keerpunt. Paul Cliteur trok zich terug als televisiecolumnist. Treuriger kan bijna niet. Het omgekeerde is eveneens aan de orde. Wie één kritisch woord wijdt aan Ayaan Hirsi Ali weet zich onmiddellijk ingedeeld in het kamp van de tegenstanders. Zij is zo ongeveer de enige antagonist, rondom wie men zich moet scharen op straffe «tegenstander» te zijn. Als het gaat om haar boodschap – de verheffing van moslima’s – is er amper middle ground, om de Amerikaanse president Bush te citeren. Maar over strategie en tactiek is wél van mening te verschillen en dus van gedachten te wisselen. Sterker, dat is een vereiste om het publieke toneel wellevend te houden. Mohammed B. heeft het nu voor elkaar dat het in 2004 uiteindelijk draaide om de artistieke vrijheid van een politica en niet over haar doel en de middelen.

Het debat nagelt zich zo vast aan tastbare beelden: aan aanwijsbare personen en een paar symbolen. Juist daarom is zo pijnlijk dat premier Balken ende weinig gezag heeft en het vooral druk heeft om het stuurwiel in het Torentje vast te blijven houden. Het mag gans Europa zijn ontgaan, maar Nederland heeft als EU-voorzitter het afgelopen jaar een volgens Balkenende zelf waardevolle discussie over normen en waarden in Europa geëntameerd. We zullen er desondanks weinig meer van vernemen.

Even treurig is het gebrek aan alternatieven. De grootste oppositiepartij, die volgens de peilingen met SP en GroenLinks bijna een meerderheid in de Tweede Kamer zou halen (dat zou uniek in de geschiedenis zijn), wordt geleid door een man die heel verstandig praat maar een nieuw beginselprogramma voor de PvdA heeft laten schrijven dat nergens over gaat. Geen misverstand, het is eerlijk dat Wouter Bos niet de illusie wekt dat hij met een druk op knop A het lampje bij Z kan laten branden. Zo simpel is het niet meer. Maar iets meer ambitie zou geen overbodige luxe zijn.

Juist op dit moment bestaat enorme behoefte aan plaatsbepaling en duiding. Wat is het om burger in Nederland te zijn? Het nieuwste germanisme in de taal is leidcultuur. Anders dan in het voorzichtige en zorgvuldige Duitsland wordt de discussie over Leitkultur hier gevoerd met één perspectief: immigranten moeten hun eigen cultuur opgeven en de leidcultuur overnemen. Maar mogen we ook iets meer horen over welke cultuur dan leidend is en niet alleen wat we moeten opgeven om er lid van te mogen worden? «Assimilatie is het opgaan in de leidende cultuur», wordt dan simpel gezegd. Maar wat moet je met zo’n opmerking als op het Terra College in Rotterdam een jongen in gangsta-stijl zijn leraar door het hoofd schiet?

Hoe ingewikkeld ook, het wordt tijd om de emoties voorbij te komen, om voorzichtig afstand te nemen van de debatten die ad homi nem worden gevoerd of vol zitten met drogredenen in de hoop zo een, vaak slechts vermeende, tegenpartij te kunnen ridiculiseren dan wel personen in een vijandig kamp te kunnen indelen. Het is zo langzamerhand niet ongepast om «ho, stop» te roepen en een einde te maken aan de simplistische oplossing dat alleen de mens die de vitrages op tijd sluit en bij de thee een mariakaakje serveert is ingeburgerd.

Want wat zou Nederland, al zijn handicaps erkennend, wel kunnen en vooral moeten zijn? Wat is de basis voor een her ijkte en vooral vitale publieke zaak, die enerzijds wortelt in een historische traditie en anderzijds niet nostalgisch is naar een tijd die nooit meer terugkomt? Wat zijn de constituerende waarden van de toekomst: de waarden waarin democratie en openhartigheid samenkomen, waarin individualiteit en gemeenschapszin worden verzoend? Kortom, wat moet de burger in Nederland weten en kunnen om burger te zijn?

Het is makkelijker om mee te huilen met de wolven in het bos. De Groene Amsterdammer heeft op de valreep echter even geen zin meer in nepdebatten. Het moge droogkloterig klinken, maar zoeken en tasten zijn juist geen minderwaardige of laffe instrumenten in een tijd waarin panklare oplossingen voor het wereldraadsel uit de hoge hoed komen alsof er nog tovenaars zouden bestaan.

Dit kerstnummer is het resultaat: een poging om een niet benepen leidcultuur te ontwaren. Weliswaar gebracht met enige schroom. Én de nodige tegenzin, want Hollanders laten traditioneel hun patriot tisme liever langs de sportvelden de vrije loop. Historische figuren en tijdgenoten, bekenden en onbekenden, Nederlanders en buitenlanders komen in dit nummer aan het woord over waarvoor Nederland moet staan. Ze leveren diagnoses en analyses die in het verleden hun nut hebben bewezen en wellicht nog steeds zinvol zijn, of komen met nieuwe gedachten, die nuttig kunnen worden als ze nu eens niet alleen worden beoordeeld met de bril van «goed» of «fout» voor 2004.

Wij vragen slechts om één wederdienst: wees kritisch.